Column —

Kruisbestuiving of decorbouw in Het Nieuwe Instituut

Pepijn Berghout

Stichting KOOL is een interdisciplinair collectief van ondernemende ontwerpers. Wij van KOOL zijn door ArchiNed gevraagd een reeks columns te schrijven, om vanuit ons perspectief als jonge ontwerpers een blik te werpen op de actuele ontwerppraktijk. Als kick-off een bezoek aan het Nieuwe Instituut.

foto auteur
foto auteur

Het Nieuwe Instituut is een samenvoeging van het oude NAi, Premsela en Virtueel Platform. Naast architectuur biedt het inmiddels 20 jaar oude gebouw nu dus ook ruimte voor design, mode en e-cultuur – voor leken: e-cultuur is precies hetzelfde als gewone cultuur, alleen dan via digitale media en elektronische hulpmiddelen.
De fusie, opgelegd door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, is niet het gevolg van een inspirerende en weldoordachte visie, maar slechts ingegeven door de wens tot bezuinigen in de cultuursector. De toenmalige staatssecretaris Halbe Zijlstra probeerde de fusie in zijn brief1 aan de Tweede Kamer nog wel te verantwoorden als essentiële stap om “in kunnen spelen op vraagstukken vanuit de markt en maatschappij”, die tegenwoordig steeds meer “domeinoverstijgend” zouden zijn. Ook poogde hij het aannemelijk te maken dat deze sectoren gebaat waren bij meer integratie en een “compacte basisinfrastructuur”, bestaande uit één fonds en één ondersteunende instelling. Kostenbesparing leek slechts een bijkomstigheid, de creatieve industrie was geboren.

In het beleidsplan Creativiteit als Noodzaak2 van Het Nieuwe Instituut zet de organisatie zichzelf neer als “inspirator, aanjager, denktank, partner en geheugen”. Dat is nogal wat. Ik begrijp dat een instituut om de nodige overheidsgelden te verkrijgen zijn eigen maatschappelijke nut dient aan te tonen, maar hier presenteert het instituut zich letterlijk als vlaggenschip van de creatieve disciplines die het vertegenwoordigt, met een niet gering ambitieniveau en een zeer breed palet aan verantwoordelijkheden.
Inspirerend, maar ik moet toch direct aan het Feyenoord clublied denken: Geen woorden, maar daden; de politiek inhoudelijke motivatie achter het gedwongen verstandshuwelijk is misschien twijfelachtig, wat er toe doet is natuurlijk het resultaat. En dat mochten we tijdens de Grand Opening in november komen bekijken. De uitnodiging stond bol van mij geheel onbekende namen, dus dat beloofde al veel goeds. Tijd om me onder te dompelen in de nieuwheid van de creatieve industrie.

foto auteur
foto auteur

Bij binnenkomst in Het Nieuwe Instituut werd door een vriendelijke medewerker direct geïnformeerd waar mijn interesse naar uit ging, en nadat ik “architectuur” als antwoord had gegeven, werd ik door het ontvangstcomité aangemoedigd vooral bij de mode- en designitems te gaan kijken. Waarvan akte.
Het openingsfeest was vol geprogrammeerd met activiteiten en presentaties die, alsof het een ouderwets warenhuis betrof, met regelmaat werden omgeroepen – handig. Het programma zat zelfs zo vol dat het fysiek onmogelijk was alles te zien en te horen. Zo moest ik helaas de kleur-poepende slakken demonstratie missen. Daarnaast was er ook een uitgebreid assortiment aan activiteiten voor de jongere bezoekers, voortbordurend op het DoeDek, met een hoog entertainment en ietwat gering educatie gehalte. Maar ik ben gek op Minecraft3 en de legotafels stonden er ook nog steeds, dus daar ga ik niet over zeuren. De vertrouwde minder interactieve attracties zoals het archief, het depot en de schatkamer vertegenwoordigden de architectuurpoot van het geheel.

De eye-catcher en publiekstrekker was natuurlijk de tentoonstelling ‘1:1 Sets for Erwin Olaf’ in de grote zaal. Nu was Erwin Olaf een van de weinige namen op de uitnodiging die ik wèl kende en ik was blij verrast dat het multidisciplinaire Nieuwe Instituut een bekende naam uit de fotografie had aangetrokken. Een goede manier om meteen duidelijk te maken dat het vernieuwde instituut zelfs verder kijkt dan alleen architectuur, design en e-cultuur. Eenmaal binnen in de grote zaal, bleken de fotograaf noch fotografie het onderwerp van de tentoonstelling te zijn, althans niet direct. Dat waren de decors die decorontwerper Floris Vos voor Olaf had ontworpen. Of toch ook weer niet?  De tentoonstellingsbrochure probeerde een en ander te verduidelijken door uit te leggen dat deze tentoonstelling het begin vormt van een meerjarig onderzoeksprogramma ‘Landschap en Interieur’. De bedoeling van dit programma is om interieur niet alleen vanuit de architectuur te benaderen, maar een snijpunt te vinden van de disciplines die het Nieuwe Instituut vertegenwoordigd. In het essay van Brendan Cormier wordt een poging gedaan dit snijvlak nader te duiden. Ik raad geïnteresseerden aan vooral zelf dat essay te lezen. In Cormiers tekst worden parallellen getrokken tussen Olafs oeuvre en een aantal  19e eeuwse architecten, met name Karl Friedrich Schinkel. De overeenkomst tussen Olaf en de 19e eeuwse architecten zit hem volgens Cormier in het gebruik van historische stijlen om ideeën en gevoelens over te brengen. Tevens wordt in het essay de Bekleidingstheorie van Gottfried Semper aangestipt, en het gebruik van kadering door zowel Schinkel, Semper en Olaf. Een interessant verhaal, toch wilde het kwartje bij mij niet vallen.

foto auteur
foto auteur

Tijdens mijn bezichtiging van de decors uitte een bezoeker naast mij licht geïrriteerd zijn teleurstelling dat de tentoongestelde decors niet dezelfde waren als die in de foto’s, maar speciaal voor de tentoonstelling geproduceerde replica’s. Had deze bezoeker geen belangstelling voor het snijvlak tussen architectuur en design, maar alleen interesse in de starpower van Erwin Olaf? En hoe relevant is de authenticiteit van een decor eigenlijk, iets wat überhaupt nooit meer is geweest dan een imitatie? Verderop vermaakte een paar andere bezoekers zich door de scène van de bijbehorende foto te recreëren in het decor (met toestemming van de suppoost overigens).
Mijn lichte verbazing over de tentoonstelling bleef. Was dit een ingenieuze manier om diepgang te zoeken in dit bijzondere, kleine raakvlak van disciplines, of een kunstgreep om de verschillende sectoren onder één dak bij elkaar te brengen? Waar kwam de drang vandaan om deze disciplines zo geforceerd in één zaal te willen brengen? Ook de inhoudelijke urgentie van het onderwerp ontging mij.

Terugkomend op de brief van de staatssecretaris, ik denk dat er wel degelijk sprake is van een toename aan domeinoverstijgende ontwerpopgaven. Er zijn recente voorbeelden van zeer interessante én succesvolle multidisciplinaire samenwerkingen en van diverse ontwerpers die verder kijken dan hun oorspronkelijke vakgebied. Maar tegelijk moeten we niet vergeten dat de meerderheid van de opgaven zich nog steeds zeer alledaags netjes binnen de bekende kaders van de diverse ontwerpdisciplines vallen. Het zou daarom een misstap zijn indien het enige overgebleven instituut zich geheel op deze domeinoverstijgende opgaven zou gaan richten, op snijpunten die alle vertegenwoordigde disciplines geforceerd moet raken. Ik hoop dan ook dat het Nieuwe Instituut in het nieuwe jaar de ruimte neemt om – ongeacht het geëxposeerde vakgebied – kwaliteit tentoon te stellen, om voor diepgang te kiezen. Ook als die niet discipline-overschrijdend is.