Feature —

Straatgevecht tussen stedenbouw en verkeerskunde

Sebastian van Berkel

Op 22 november vond er in ARCAM een discussie plaats tussen stedenbouwkundigen en verkeerskundigen over een gezamenlijke visie op de openbare ruimte. Lukt het om met de nieuwe publicatie ‘Stromen en verblijven – Naar een integrale ontwerpvisie op verkeer en openbare ruimte’ de disciplines bij elkaar te brengen?

Beeld:
Beeld:

Centraal deze avond staat de kloof die gedicht moet worden tussen de disciplines stedenbouwkunde en verkeerskunde. Twee disciplines die fundamenteel anders kijken naar het ontwerp van de openbare ruimte. De verkeerskundige kijkt naar een straat en denkt aan doorstroming, veiligheid, verkeersnetwerken en handboeken met voorschriften. De stedenbouwkundige kijkt naar een straat en denkt aan verblijfskwaliteit, materialisering, stadsplattegrond en maatwerk. Aangezien beiden best wat in de pap te brokkelen hebben als het aankomt op het uiteindelijke ontwerp van de openbare ruimte, is het wel praktisch als ze samen door één deur kunnen.
Aanleiding voor de discussieavond in ARCAM is de onlangs verschenen publicatie ‘Stromen en verblijven – Naar een integrale ontwerpvisie op verkeer en openbare ruimte’ onder redactie van architect Jeroen Mensink. De publicatie bevat essays, praktijkvoorbeelden en het eerste interdisciplinaire glossarium (begrippenlijst). Om elkaar te begrijpen moet je immers dezelfde taal spreken.

De eerste ronde. Marleen Hovens (verkeerskundige bij CROW, kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer én openbare ruimte en mede-auteur van de publicatie) betreedt de ring en trapt af: “Voor verkeerskundigen is het niet zo moeilijk. We hebben handboeken met voorschriften over de benodigde ruimte per gebruiker. Deze tellen we op en het straatprofiel is klaar.” Alhoewel de handboeken met standaard maatvoeringen geen wettelijke status kennen, worden ze wel breed toegepast. De reden is helder: verkeersveiligheid. Door ze toe te passen vallen er simpelweg minder verkeersdoden. Verkeerskundigen worden veelal verantwoordelijk gehouden áls het misgaat. Daarom mag je bijvoorbeeld volgens de inrichtingsvoorschriften alleen wonen, werken en leven aan een 30 km/ weg. “Ja, er zijn veel randvoorwaarden, maar voor stedenbouwkundigen zijn er nog steeds ontwerpmarges!”

Beeld:
Beeld:

De tweede ronde. Ton Schaap, stedenbouwkundige, neemt zijn positie in. “De stedenbouwkundige is een stadstimmerman. Een stad moet vorm hebben. Ga bij het ontwerp zorgvuldig om met enerzijds vorm en anderzijds inhoud. Ik verdenk verkeerskundigen van een inhoudelijk focus op de spitsuren bij het ontwerp en maatvoering van straten. Maar buiten de spitsuren leeft de stad verder.”
De disciplines zijn niet altijd gescheiden geweest. Denk aan de stadsbouwmeesters van begin vorige eeuw. Bouwen aan de stad als totaalkunstwerk, met verkeer als een van de vele onderdelen. Door de opkomst van het autogebruik en functiescheiding als trend kon ‘verkeer’ zich losweken en zich ontwikkelen tot een eigen discipline. Dit toont zich misschien wel het beste in nieuw gebouwde steden als Houten en Almere.
Het zwaartepunt ligt tegenwoordig echter op de bestaande stad. Juist daar, in krappe binnensteden waar gekozen moet worden tussen óf dat leuke hofje óf een brede straat met veilige gescheiden verkeersstromen, botsen stedenbouwkundigen en verkeerskundigen. Feilloos herinnert Schaap de aanwezigen aan het plan van de verkeerskundige Jokinen in de jaren ’60 van de vorige eeuw om de Singelgracht in Amsterdam te dempen voor de aanleg van een autosnelweg.

Beeld:
Beeld:

Hovens en Schaap houden elkaar in een houdgreep. Tijd voor de scheidsrechter. Marc Verheijen, verkeerskundige én architect, stipt een niet geheel onbelangrijk aspect aan in het ontwerp: de mens. “De perfecte straat bestaat niet. Ontwerpen aan de openbare ruimte is een culturele opgave. De openbare ruimte is van iedereen. Wat je binnenshuis doet, dat moet je lekker zelf weten. Op straat gelden wel degelijk ongeschreven regels. Je maakt een platform voor de samenleving.” In zijn lectoraat ‘Infratecture’ aan de Hogeschool van Rotterdam staat de menselijke mobiliteit en hoe men zich door de stad beweegt centraal. “Niets is zo belangrijk als de ambiance. Met welk gevoel bereik je een plek? Ontwerpen aan de openbare ruimte is stad maken.”
Nevin Özütok, stadsdeelwethouder Amsterdam-Oost, doet nog een duit in het zakje, nadat ze een exemplaar van de publicatie krijgt uitgereikt. “Ik zie vooral een discussie tussen kundigen en ik mis eigenlijk de logen, de sociologen.”
De ring raakt voller met disciplines. Ondertussen is de oorspronkelijke ambitie van deze avond nog steeds niet volbracht. En wellicht is dat helemaal niet erg. Voormalig Rijksadviseur Infrastructuur Jan Brouwer is blij dat “we het er eindelijk eens over hebben.” De publicatie is een zeer goede aanzet en hij stelt voor er pragmatisch mee om te gaan. Handen uit de mouwen en met elkaar samenwerken. Jan Schaefer parafraserend:  “In gelul kun je niet parkeren”
 
De avond nadert z’n einde, de stedenbouwkundigen en verkeerskundigen verlaten de zaal en wachten buiten voor het stoplicht. Na het oversteken van het kruispunt vervolgt ieder weer zijn eigen weg. Hopelijk met de verbindende publicatie ‘Stromen en verblijven’ in hun binnenzak.