Opinie —

De bodem

Eireen Schreurs en Elsbeth Ronner

Afgelopen najaar bezochten Elsbeth Ronner en Eireen Schreurs twee conferenties over de toekomst van tijdelijke projecten en bottom-up initiatieven. Als architecten vragen zij zich af– al enigszins vermoeid door het thema – wat de architect ermee opschiet. Welke rol hebben ontwerpers in deze opgaven en welke kansen geeft dit voor het vak?

Container City Londen foto: Lee
Container City Londen foto: Lee

Een gistingsperiode kan heel vruchtbaar zijn. De Zweedse architect Lewerenz keerde zich rond 1940, na frustrerende jaren als ontwerper, af van het vak. Vijftien jaar in een bouwonderdelen- en kozijnfabriek zouden volgen. Toch eindigde zijn carrière met een aantal eigenzinnige meesterwerken. We geven toe, Lewerenz’ ‘factory period’ is wellicht een extreem voorbeeld, maar het idee heeft op dit moment beslist relevantie. Architecten zouden de huidige bouwpauze kunnen gebruiken om zich te heroriënteren, buiten het vak, maar misschien ook op nieuwe wegen binnen de architectuur. Om erachter te komen of bottom-up projecten als springplank voor een nieuwe toekomst kunnen fungeren, togen wij naar twee conferenties over dit onderwerp.

Eerst het Amsterdamse Pakhuis de Zwijger, waar het Platform Openbare Ruimte (POR) een conferentie organiseerde over tijdelijke projecten gerelateerd aan stedelijke ontwikkeling. Om deze plannen gewicht te kunnen geven introduceert POR een nieuwe figuur, de stadscurator als bemiddelaar tussen institutionele partijen en ontwerpers. De stadcurator initieert projecten waarbij kunst- en architectuurprojecten plek en opgave verkennen en de locatie voorbereiden op een nieuwe toekomst. Ah, een opdracht! Drie testcases opgezet speciaal voor de conferentie maken duidelijk waar deze constellatie toe leidt: enthousiaste architecten die zich -tegen minimaal loon- engageren met de plek en zelf de ingrepen bouwen. De rol van de architect is die van de joker, het verdienmodel is waardeloos, maar de hands on mentaliteit van de architecten leidt tot bouwervaring op meest concrete niveau. Toch een klein winstpunt.

(Tijdelijk) Strandpark Coolhaven foto: Strandpark Rotterdam
(Tijdelijk) Strandpark Coolhaven foto: Strandpark Rotterdam

Op naar de volgende lezing: Klaus Overmeyer bij de prijsuitreiking van de Van der Leeuwkring in Rotterdam. Overmeyer onderzoekt als architect met zijn bureau Urban Catalyst al tien jaar bottom-up initiatieven. AIR vroeg hem te overdenken hoe deze initiatieven aan macro strategieën kunnen worden gekoppeld. Een zaal vol architecten kan niet verhinderen dat de architect wederom een bescheiden rol krijgt toebedeeld. Overmeyer herkent hem/haar als één van de ‘agenten’ bij het opstarten en bestendigen van initiatieven. Om als onderdeel van het netwerk van agenten te functioneren moet deze nieuwe architect inzicht in het nieuwe krachtenveld hebben en bereid zijn risicodragend te ontwikkelen. Meer autonomie maar ook hier is het verdienmodel bepaald twijfelachtig en ongewis. Je zou hopen dat de verduurzaming van deze initiatieven tot substantiëlere (ver)bouw opgaven leidt. Geeft LSI ontwikkelaars bijvoorbeeld, bij een aantrekkende markt, ZUS de opdracht om het Schieblock tot marktconform kantoor om te bouwen? Of gaat die opdracht dan toch naar Kaan architecten? Het is afwachten.

Nu Hier Foto: Raban Haijk
Nu Hier Foto: Raban Haijk

Tot wat voor soort projecten leidt de opgave van tijdelijke dan wel bottom-up projecten? Daarvoor keren we terug naar de Amsterdamse conferentie, naar Joop de Boer, initiator van het populaire blog Pop-up City. Voor zijn lezing maakte hij een analyse van de projecten op zijn blog. Hij signaleert een aantal trends. Als eerste het fenomeen ‘like-urbanism’. Dit is –veelal tijdelijke- architectuur of stedenbouw die het, meer nog dan van haar fysieke voorkomen, moet hebben van haar visuele kracht en het vermogen om met een pakkend beeld op internet een boodschap uit te dragen. De ingrepen programmeren de plek, maar leveren ook een fotogeniek plaatje op. Die op hun beurt op internet de fysieke aanwezigheid vaak lang overleven. Denk bijvoorbeeld aan de Bucky Bar van DUS Architects.
Daarnaast ziet De Boer de opkomst van de ‘merk-stedenbouw’, ook wel ‘guerrilla advertising’.  Hij komt met voorbeelden uit Abu Dabi, waar metrohaltes de naam van de investeerder krijgen, en uit Londen, waar Barclays blauwe fietspaden aanlegt. Deze privaat gefinancierde architectuur biedt nieuwe kansen voor het vak, aldus De Boer. De opdrachtgevers zijn grote stakeholders die tot aanzienlijke investeringen bereid zijn en vaak een groot besef van kwaliteit hebben. Succes hangt af van het zelf formuleren van de opdracht en het helder maken van de (marketing)winst van de investeerder, lijkt de conclusie. Maar willen architecten meewerken aan stedenbouw die uiteindelijk vooral als marketing tool wordt ingezet?

Fietspaden Londen Foto: London Permaculture
Fietspaden Londen Foto: London Permaculture

Weinig hoopgevend allemaal, maar toch zijn er lichtpuntjes. De huidige tijd stelt nieuwe vragen aan het vak, vragen die tot nieuwe architecturen zouden kunnen leiden. Hoe ga je als architect om met consumenten die producenten worden, met een diffuus geworden speelveld, hoe bereik en overtuig je nieuwe typen opdrachtgevers? Hoe representeer je de veranderende maatschappelijke ordening? En hoe ga je als architect slim om met het bescheiden formaat en budget van veel van de opdrachten? Kan uit de trend van like urbanism en brand urbanism een heroverweging van het vak volgen?
Er zijn thema’s te herkennen, die ons kunnen helpen. De tijdelijke projecten gepubliceerd op Pop-up City hebben architectonische kenmerken gemeen. In hun beperkte omvang en korte bestaan getuigen ze van informaliteit, bescheidenheid en een verfrissende ‘appropriateness’. Van tijdelijke huisvesting na een ramp tot slaapplaatsen voor daklozen zijn het eenvoudige ontwerpen die zich voegen naar de vraag. Opvallend vaak is het materiaalonderzoek leidend, waarbij de architectonische vorm een gevolg is van dit onderzoek. Nuzzles, hutten om op te warmen van de Canadese architecten RAW Design zijn hiervan een goed voorbeeld. Maar het ontbreekt bottom-up of tijdelijke projecten vaak aan architectonische slagkracht. Meestal blijft het bij een eenmalige uitvoering door jonge architecten die vervolgens elders hun geld moeten verdienen. Toch kunnen dit type projecten de architect helpen zich te herpakken.

Icedome Foto: Bart van Overbeeke
Icedome Foto: Bart van Overbeeke

De gebouwen die Lewerentz ontwierp na zijn ‘pauze’ waren van een rigoureuze eigenzinnigheid: de materiaal experimenten in de fabriek inspireerden hem hoe architectuur opnieuw, van de bodem af, te maken. Maar zijn legitimatie is niet terug te voeren op hang- en sluitwerk, net zo min als de legitimiteit van huidige architectuur ligt in bottom-up of tijdelijkheid: die ligt bij zichzelf. Een bescheiden houding, informaliteit en materiaalonderzoek kunnen het vertrekpunt vormen. Deze architectuur kan werken aan de nieuwe opgaves. Maar wel vanuit de continuïteit van het vak en zonder de verbeelding van de architect te verliezen. Misschien moeten architecten de boodschap van bottom-up wel letterlijk opvatten: hitting rock bottom, gedacht vanuit de bodem, de grond, de context, de grondbeginselen van de architectuur, begint de architectuur opnieuw.