Opinie —

De verdiensten van een opleiding

Jan van Grunsven

Onlangs werd door de Academie van Bouwkunst in Amsterdam een werkgeversbijeenkomst georganiseerd waar studenten, werkgevers en alumni met elkaar in gesprek konden gaan over het veranderende werkveld en de gevolgen daarvan voor academiestudenten. Wat volgt is een verslag over een ontredderde beroepsgroep van zelfbenoemde deskundigen die er ontluisterende denkbeelden op nahoudt.

foto: Academie van Bouwkunst Amsterdam
foto: Academie van Bouwkunst Amsterdam

De bijeenkomst begint met een aantal observaties door Nico van Bockhooven, de praktijkcoördinator van de Amsterdamse Academie van Bouwkunst en tevens gastheer van de middag. Als eerste komt de wijziging van de Wet op de Architectentitel ter sprake, die bepaalt dat afgestudeerde studenten zich pas kunnen inschrijven in het Architectenregister na twee jaar aantoonbare praktijkervaring. De academies van bouwkunst willen voor hun studenten vrijstelling. Praktijkervaring is, anders dan op de technische universiteiten, immers onderdeel van het curriculum zo stellen zij. Over deze, al dan niet gedeeltelijke vrijstelling, zijn de academies in onderhandeling met het Bureau Architectenregister dat toeziet op de implementatie van deze wet. Wat vindt de vakgemeenschap van genoemde verschillen in opleidingsprofiel?
Voorts wordt er gewezen op de afgenomen werkgelegenheid onder architecten vergeleken met de situatie van vóór de crisis. In een concurrerende markt met veelal kleine bureaus is ook de prijs van door architecten geleverde diensten steeds verder gedaald. Veel bureaus gaan op zoek naar werk in het buitenland of gaan nieuwe samenwerkingsverbanden aan, waaronder opvallend veel bottom-up initiatieven. De slechte financiële situatie maakt dat er door bureaus vaker met freelancers wordt gewerkt. De nieuwe aanwas van vooral jongere werknemers (studenten, net afgestudeerden) werkt veelal voor niet veel meer dan een stagevergoeding. Door het gebrek aan opdrachten is er minder aandacht voor de uitvoerende aspecten van het vak; een initiërende en ondernemende houding voert de boventoon. Biedt deze nieuwe realiteit studenten en pas afgestudeerden een volwaardige praktijkervaring die hen toegang biedt tot het Architectenregister?

foto: Academie van Bouwkunst Amsterdam
foto: Academie van Bouwkunst Amsterdam

Tijd voor de reacties. In de zaal met overwegend mannelijke architecten bijt architect S. het spits af; dat er bij hem sprake is van een moreel dilemma wanneer talentvolle studenten zich aanbieden voor een stagevergoeding tegenover betaalde, soms minder talentvolle krachten in het bureau. Dat er minder werk is en dat daarvoor ook minder wordt betaald, waardoor academiestudenten veelal stagiair zijn en geen volwaardige werknemer. En dat de academie studenten opleidt in een profiel met veel ruimte voor onderzoek, waarbij het nog maar de vraag is of daar binnen de praktijk wel behoefte aan is.
De toon is gezet. Hierna is het woord aan architect Van R. die klaagt over projecten met een te korte tijdshorizon. Hierdoor zijn de investeringskosten in personeel erg hoog. Werknemers zijn niet lang aan het bureau verbonden, het rendement van hun aanstelling is daardoor laag. Volgt een vraag van architect K.: “Nu alle financiële ruimte uit de bouwkolom is verdwenen, wordt het dan niet eens tijd dat studenten van de academie van bouwkunst gaan betalen voor werk?” Gelach alom. Architect R.: “Wat is de toegevoegde waarde van een academie? Zijn bureaus niet bij uitstek geschikt om zelf studenten op te leiden voor de praktijk?” Dan mengt architect Van S. zich zonder een spoor van ironie in het gesprek met de vraag of er juridische consequenties zitten aan het vergoeden van werkzaamheden voor niet meer dan een stagevergoeding en of er bindende afspraken bestaan over zoiets als een minimumloon? Naar de mening van architect R. is de discussie over honoraria iets voor de BNA, wiens aanwezigheid in deze bijeenkomst wordt gemist. Architect L.: “Kan een architect niet ook een andere positie innemen in de geldstroom? Zijn er wellicht andere skills in te zetten, die leiden tot een meer dynamisch verdienmodel?”

foto: Academie van Bouwkunst Amsterdam
foto: Academie van Bouwkunst Amsterdam

Het is al vaker beweerd dat de verstrengeling van de architectuur met de financiële wereld een dusdanige kluwen is geworden, dat het eigenlijk niemand meer verbaasd kan hebben dat met de vrije val van de Lehman Brothers in september 2008 ook de architectuur de afgrond in is gegleden. Je zou denken dat hiermee lesgeld is betaald en dat de vakgemeenschap pogingen onderneemt om op haar schreden terug te keren. Toch is dat minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Als deze bijeenkomst symptomatisch is voor de stand van zaken, praat hier een beroepsgroep zichzelf naar een totale lethargie. Niet eerder zal er zoveel collectieve deemoed zijn vertoond, de onderlinge verschillen genivelleerd in een onderwerping aan de marktprincipes die aan de basis van de crisis lagen.
Dit is de tijd van het afleesbare nut. Geen nut, geen toegevoegde waarde. En dus ja, het moet en het kan nog efficiënter. En dus ja, het moet en het kan nog goedkoper. En daarom wordt er gepraat over ongelijksoortige beloningssystemen, over kostenefficiëntie en dynamische verdienmodellen. Maar nergens ook maar één woord over de schrikbarende uitholling van een vak dat mede door deze inschikkelijke houding nog verder is teruggebracht tot louter dienstverlening, tot bouwkunde zogezegd.  
De op de bijeenkomst aanwezige architecten lijden aan een kortzichtig pragmatisme. Het ontbreekt hen aan visie. Blind voor de gevolgen van het volgzaam accepteren van de veranderende status quo; niet langer de architect, maar de bouwkundig adviseur of aannemer is bepalend voor wat er binnen de markconforme envelop gebeurt. Het gebrek aan verzet is tergend. En hoewel de lijdzaamheid waarmee alle veranderingen worden ondergaan, ingepast en gelegitimeerd op zichzelf al verontrustend zijn, is het volstrekt onacceptabel om vanuit dit gebrek aan perspectief naar doel en legitimatie van een onderwijsinstituut als de Academie van Bouwkunst te wijzen. Dat de academie zich maatspecifieker zou moeten opstellen naar wat de huidige praktijk van de architect vraagt, is de teneur onder deze zelfbenoemde deskundigen. Zoveel onbenul is niet alleen ontluisterend voor een aanstormende generatie, het is bovenal pervers.

Geknecht en ontgoocheld door zoveel tegenslag binnen de realiteit die ‘de praktijk’ heet, is men gaandeweg vergeten waar een academie voor staat. De gevleugelde woorden ‘academische missie’ zijn uit het oog verloren. Aan de waarde van het begrip ‘weerstand’, nota bene afkomstig uit de tijd waarin de meeste van de aanwezigen zijn opgeleid, wordt niet langer gehecht. Voor wie het niet weet of niet meer weet: de academische missie bestaat niet alleen uit het volgen en bevorderen van de relatie tussen onderwijs en (maatschappelijke) praktijk, maar ook om via onafhankelijk (lees: autonoom, zelfstandig, eigenmachtig, ongebonden, soeverein) onderzoek en experiment op diezelfde praktijk vooruit te lopen. En dat daarvoor een (zelf-)kritische reflectie voorwaardelijk is, leert de geschiedenis. Elk systeem dat het genereren van feedback op het eigen functioneren niet langer faciliteert, raakt vroeg of laat in verval.

foto: Academie van Bouwkunst Amsterdam
foto: Academie van Bouwkunst Amsterdam

Nawoord
Gelukkig betreft de hierboven geschetste ontreddering niet de hele vakwereld. Zo wijdt het tijdschrift De Architect het recente februarinummer geheel aan de herformulering van doel en middelen van een architectuurpraktijk in verandering met onder meer een lezenswaardig artikel van Hans van der Heijden, dat voor licht zorgt in de duisternis. Je hoeft het niet met Van der Heijden eens te zijn om waardering te hebben voor de durf waarmee hij stelling neemt. Dit artikel is elke vrijblijvendheid vreemd en on-Nederlands in zijn positionering. De tekst is een pleidooi voor een theoretisch kader van het architectonische midden – "de grote naamloze bouwstromen" – en de enige die zich daarvoor hard kan maken is de ontwerpende architect zelf, aldus de auteur. In de woorden van Van der Heijden: “Nu de verdiensten [van het vak] niet meer vanzelfsprekend zijn en de architectonische cultuur flink onder druk staat, is het hard nodig dat architecten zich publiekelijk uitspreken over het nut en de noodzaak van hun beroep. […] Tussen de publiciteit en de praktijk van alledag ontbreekt de stem van de ontwerpende architect. […] Wil de architectuur iets van haar geloofwaardigheid terugwinnen, dan moet ze haar eigen verdiensten duidelijk maken. Dat kan alleen door de operatieve kracht van het ontwerp naar voren te brengen […] De rede en de nuance van de middenpositie kunnen niet langer verward worden met zwijgzaamheid.”

Tot zover. Het valt echter te bezien of de Nederlandse architect zich aan deze oproep iets gelegen laat liggen.