Recensie —

Pasticcio – fluisteren als stellingname

Bjorn Houttekier

Met ‘Pasticcio – continuïteit in de Europese architectuur’ brengt het Vlaams Architectuurinstituut (Vai) op de Kunstcampus de Singel een kritische bijdrage aan de architectuurbiënnale van Venetië 2012 naar Antwerpen. Zeven architectenpraktijken moeten blijk geven van een gezamenlijke ontwerpattitude. Niet gericht op het architecturale object maar op de architectuur zelf: de kunst van het herbergen, vormgeven, inpassen en detailleren.

Pasticcio - foto: (c) Karin Borghouts
Pasticcio – foto: (c) Karin Borghouts

De Blauwe zaal in de Singel onderging al meerdere interessante make-overs bij voorbije tentoonstellingen: rauw en gelaagd bij De Vylder/Vinck/Tailleu; stofvrij en uitgepuurd bij Junya Ishigami. Deze keer staat Dirk Somers van Bovenbouw architecten, één van de zeven gepresenteerde bureaus, in voor de enscenering. Somers verdeelt de expositieruimte – klassiek – in drie opeenvolgende kamers, elk voorzien van een pastelkleurige, geschilderde lambrisering die zich rond stopcontacten en veiligheidscamera’s drapeert. Een toepasselijke keuze want de geest van het verleden is zichtbaar aanwezig. Sir John Soane, neoclassicistisch architect uit het vroeg negentiende-eeuwse Londen, waakt als een peetvader over de tentoonstelling. Nadrukkelijk zelfs, boven de ingang zijn in een openstaand luik maquettedelen van zijn Bank of England te zien. Een eerbetoon of een wakend oog?

De aanwezigheid van John Soane werd ingegeven door Caruso St John architecten, curatoren van deze reizende expositie. Volgend op de renovatie van Soanes atelierwoning annex museum in Londen, recupereerden ze diens ontwerpopvattingen als stekend commentaar op de glamgebouwen en vormenporno die nogal wat biënnale-architectuur kenmerkt. Hun boodschap? Dat de ruimtelijke, decoratieve en zintuiglijke verworvenheden uit het verleden nog steeds kunnen dienen als inspiratie voor hedendaags ontwerp. Het modernisme krijgt daarbij de rol van saboteur: een kwalijk interludium dat het ambacht versmachtte met kale bouwsels en de hang naar visuele luxe verving door manifesten met steriele idealen. Symbolisch voor de hier verzamelde architecten dient Soanes begeesterende stapeling van klassieke sokkels en kapitelen, de Pasticcio. Een totem van uiteenlopende motieven die samen één karakter vormen en zo voorloper was van Berlage’s credo ‘eenheid in veelheid’. Als welwillende schaduw figureert Soane met tekeningen en maquettes tussen het werk van de geselecteerde bureaus, Peter Märkli (CH), Biq (NL), Hermann Czech (AT), Knapkiewicz & Fickert (CH), Hild und K (DE), Bovenbouw (BE) en Caruso St John (UK). Over Soanes invloed op het werk van deze architecten blijft de expositie op de vlakte. En ook over onderlinge banden of kruisbestuivingen wordt gezwegen. Zo expliciet als de brochuretekst het stelt, zo ingehouden fluisteren de tentoonstellingsmakers.

Pasticcio - foto: (c) Karin Borghouts
Pasticcio – foto: (c) Karin Borghouts

De eerste van drie kamers is besteed aan projectfoto’s, tekeningen, maquettes en presentatieboeken. Die twee laatste gepresenteerd op een mooie, van ornamentele poten voorziene tafel. Waar de maquettes eerder braaf zijn – enkel Bovenbouw wil met een opengewerkt model iets kwijt over de ruimtelijkheid van een woningrenovatie -, laten de bundels met uitvoeringstekeningen de bezorgdheden van de ontwerpers zien: fijnzinnige details en bont beschreven plannen wijzen op hun omgang met schaal en proportie. Materialen krijgen aandacht, ontmoeten elkaar in bouwdelen en vormen zo het wezen van, welja, Pasticcio-architectuur. Anders is het op de muren. Daar mikt een opstelling van dicht bij elkaar hangende beelden op gemeenschappelijkheid van de individuele ontwerpers. Alleen betekent een wand vol geestesverwanten nog geen gelijkgestemd oeuvre. Meerdere projecten missen zeggingskracht en ondergraven de boodschap die stilzwijgend wordt verspreid: dat dit soort hedendaags traditionalisme zomaar boven de ‘mainstream’ (dixit de brochure) zou uitstijgen. De foto’s stralen allerminst joie-de-vivre uit, nergens is een mens te zien. Ingetogenheid neigt hier naar ‘een beetje doods’.

De tweede kamer lijkt een exponent van die weifelende stellingname. Speciaal voor de gelegenheid ging architect en fotograaf Mark Pimlott erop uit om ‘traditielijnen in de 20ste-eeuwse Belgische architectuur’ in beeld te brengen. Spijtig genoeg zijn de resulterende foto’s weinig relevant en van bescheiden kwaliteit. Architectuurfotografie lijkt na de Duitse school van de Bechers, Struth en Von Rauch vereenzelvigt met frontale beelden waarin vlakverdeling en ‘leegte’ de enige thema’s zijn: stilering zonder randje. Pimlotts foto’s lijken een plichtwerk, zijn interventie oppepper noch toevoeging. In de plaats had hier gerust wat extra beeldmateriaal van de zeven bureaus gemogen. Zeker wanneer men de aangehaalde projecten kent. Zo verdient de buitengewone gevel van Caruso St Johns Bremer Landesbank, die in detail kan wedijveren met het beste van het Duitse baksteenexpressionisme, een schaalmodel op ware grootte. Nu is slechts een bedeesde tekening te zien die er moeilijk in slaagt de rijkdom van hun ingreep over te brengen. Dit gebrek aan duiding kenmerkt de tentoonstelling. De weinige projectfoto’s zijn te veel staatsieportretten die tonen in plaats van betoveren.

Pasticcio - foto: (c) Karin Borghouts
Pasticcio – foto: (c) Karin Borghouts

Gelukkig biedt de laatste kamer wel de nodige verdieping, al vraagt ze geduld. Elk bureau kreeg hier een forum in de vorm van een video waarvan de meeste langer dan een half uur duren. Bovenbouw, Hermann Czech en Caruso St John zijn te zien met een lezing, Biq en Märkli  in een interview, Hild und K met projectbesprekingen en Knapkiewicz & Fickert met een kortfilm die bewoners toont in een van hun realisaties: een zeldzaam document dat laat zien hoe planopbouw, ruimtelijkheid en sfeer functioneren op zowel woning- als buurtniveau. Ook het interview met Peter Märkli is van een ontwapenende eenvoud en zegt alles waar de expo geen woorden voor kan vinden. Deze film roept om een prominente plek in de tentoonstelling en zou – in loop – op het studententoilet van elk architectuurinstituut moeten draaien. Wars van blitse renderings of 3D-frutsels pleit Märkli voor de traagheid van het tekenen, het vertrouwd raken met schaal en maat en het belang van kleur en ritme. Globalistische sterrenarchitectuur omschrijft hij als ‘gegen das Leben‘ terwijl terloops ook de ‘marge’ in het bouwen ter sprake komt: de notie dat gebouwen – zolang ze maar goede proporties hebben – niet vallen of staan bij minimalistische bezorgdheden als schaduwvoegen of onberispelijk beton. Meer nog, Märkli heeft een zwak voor ‘hoogstaand falen’, een houding die onverwachte fouten koestert als waardevolle lagen in het bouwproces. Een inzicht dat ook Dirk Somers deelt en onderstreept tijdens zijn luchtige openingslezing. Voor Somers heeft de architectuur zich ten onrechte losgetrokken van de tijd. Ze ontzegde zich zo de luxe om gebouwen door opeenvolgende generaties naar de hand (en de stad) te laten zetten.

Deze tentoonstelling biedt stof tot nadenken maar enkel als je de achtergronden ergens anders opdiept. Met het pleidooi voor een architectuur gebaseerd op ‘welvoeglijkheid’, detaillering op mensenmaat en de inwerking van proportie en ruimte op levenskwaliteit, zou Pasticcio moeiteloos haar gelijk moeten halen. Alleen, waar moderne architectuur vaak verzandt in woordenkramerij, prevelt men hier te integer langs de zijlijn – een jammerlijke misser. Van dit soort noodzakelijk exposities verwacht je duidelijkheid en confrontatie. Iets wat op een biënnale per definitie gebeurt maar hier ontbreekt. Misschien is Dirk Somers’ boekentip, Building in time van Marvin Trachtenberg, een waardig alternatief voor een bezoek. Anders kan u nog altijd The other tradition of modern architecture: the uncompleted project van Colin St John Wilson induiken. Aan duidelijkheid daar alvast geen gebrek.