Feature —

Sfeer bouwen

Willemien van Duijn

Wat is sfeer, hoe ervaar je het en is het maakbaar? In een gesprek tussen Gernot Böhme, Juhani Pallasmaa en Peter Zumthor in Pakhuis De Zwijger werd er vanuit verschillende invalshoeken antwoorden gegeven op deze vragen over een even ongrijpbaar als fascinerend onderwerp. Geen gouden tips voor hoe je sfeer kunt bouwen, wel aanwijzingen hoe je je als ontwerper moet opstellen.

Serpentine Pavijoen, Londen 2011 - Peter Zumthor. Foto Roger Meyer
Serpentine Pavijoen, Londen 2011 – Peter Zumthor. Foto Roger Meyer

Het gesprek tussen de Duitse filosoof, de Finse en de Zwitserse architect werd ingeleid door een presentatie van elk van de drie over het onderwerp sfeer. Aan hen was gevraagd om beelden te tonen waarin sfeer is gevangen. Volgens Gernot Böhme betekent sfeer “felt space”, in de zin dat het gevoelens, emoties in de ruimte zijn. Dus niet in je hart, maar daarbuiten, in de ruimte. Bovendien is sfeer een totaliteit, en is sfeer vaag. Het is tegelijkertijd iets subjectiefs als iets objectiefs, het is meestal “iets er tussenin”. Subjectief in die zin dat de stemming van de ene persoon wel beïnvloed wordt door een bepaalde ambiance, die van een ander niet. Objectief in die zin dat het mogelijk is om sfeer te produceren, ondanks dat het om iets subjectiefs gaat; je kunt praten over het karakter van een bepaalde sfeer.

De opgave om foto’s van ‘sfeer’ te maken is volgens Böhme daarom per definitie een lastige. Fotografie is namelijk initieel ontwikkeld om objecten vast te leggen. Scherp, vast te leggen. Sfeer is zoals gezegd, een totaliteit en is vaag. Böhme loste dit op door beelden te tonen met een bepaalde vaagheid. Vaag bijvoorbeeld door de áánwezigheid van mist, ochtendnevel of smog of juist door de áfwezigheid van licht waardoor kleuren vervagen. De beelden die hij liet zien zijn weliswaar sfeervolle beelden van een schip in de mist en een nevelig park maar ze vingen wat mij betreft niet allemaal ‘sfeer’. Ze waren wellicht ook niet representatief omdat het beelden van landschappen waren, en niet van ruimten.

Böhme in de Zwijger
Böhme in de Zwijger

Na Böhmes meer algemene inleiding over sfeer, sprak Juhani Pallasmaa over sfeer in relatie tot architectuur. Hij stelde de vragen: Waarom voelen we een sterke affiniteit met bepaalde ruimten terwijl andere ons koud laten? Waarom voelen we ons insiders en deelnemers in sommige ruimten terwijl we in andere vervreemding en uitsluiting ervaren? Deze eerstgenoemde ruimten omarmen ons, we geven ons er aan over, we voelen ons beschermd. Deze ruimten bezorgen ons een gevoel van welbehagen. Nog voordat we een ruimte volledig hebben kunnen onderzoeken en ons bewust kunnen zijn van onze waarnemingen, heeft ons onderbewuste zich al een mening gevormd. “Want,” zegt hij, “we ervaren entiteiten eerder dan details. Daarbij, wordt het zintuig zicht overschat als zijnde objectief en precies. Onderzoek heeft uitgewezen dat het zien juist een ongelofelijk gefragmenteerd en diffuus mozaïek is van aannames, herinneringen en verbeelding. We zien wat we willen zien en wat we geleerd hebben te zien. Terwijl het perifere systeem van perceptie in staat is om juist dat te registreren wat oprecht nieuw is.” Hiermee suggereert Pallasmaa dat de mens een zintuig heeft om sfeer waar te kunnen nemen en dat het waarschijnlijk het meest belangrijke van onze zintuigen is om te kunnen bestaan. De rol, dan wel het bestaan van dit zintuig wordt door architecten vaak onderschat of zelfs ontkent. Hij citeert Le Corbusier: “Architecture is the mastery correct and magnificent play of masses brought together in light.” om hiermee te benadrukken dat in de architectuurtheorie, -praktijk, en het architectuuronderwijs de focus primair is gericht  op expressieve kwaliteiten van vorm. Deze focus stelt zicht boven de andere zintuigen. Dit is volgens Pallasmaa de belangrijkste oorzaak van het vaak lage sfeerniveau in veel van onze hedendaagse architectuur.

Maar, “to make atmosphere is goddamn difficult!“ aldus Peter Zumthor. Om ons te laten zien hoe hij dat doet nam Zumthor ons mee naar een van zijn recente projecten, een muziekhotel / muziekacademie in de ongerepte Zwitserse bergen. Hij schreef een sfeerschets die hij die avond door een indrukwekkend Ier liet voordragen (“This is Patrick, I found him today”). Wat volgde was een reeks beelden van de locatie, met korte poëtische zinnen. Door het prachtige Ierse Engels, de cadans van de zinnen en de beelden van sappig gras en ruige berghellingen werd ik naar de plek gebracht waar het hotel moet komen. En ik wil daar zijn, nu al. En ik heb nog geen maquette of schets gezien.

Pallasmaa in de Zwijger
Pallasmaa in de Zwijger

Moet het zo, sfeer maken? Beelden oproepen, de persoonlijke herinnering en het onderbewuste via meerdere zintuigen aanspreken? In de discussie die volgde wond Peter Zumthor zich herhaaldelijk op over het gebrek aan sfeer in het Pakhuis waar we die avond met z’n allen zaten: “De ruimte is verkeerd, het eten is verkeerd, het licht is verkeerd, alleen de vrouwen zijn mooi.” Het is zijn gevoeligheid voor sfeer die hem bijna in woede deed ontsteken over de op de tafel geplakte microfoonsnoeren, het felle licht, de irritante zoem. “We praten erover hier aan deze tafel, maar we voelen het niet. Zo gaat het ook op school en in de praktijk, er wordt alleen nog maar gepraat, gepraat, gepraat, maar we moeten er gevoelig voor zijn, juist architecten”.
Door hun focus op vorm, stelde Pallasmaa, bestempelen architecten ambiance, gevoel en stemming in het algemeen als naïef en amusant. In plaats van dat ze sfeer als een noodzakelijk onderdeel van de omgevingskwaliteit beschouwen.
Het gevoel voor sfeer en het vermogen om sfeer te maken in architectuur is een combinatie van intuïtie en expertise. Daarbij moet intuïtie niet verward worden met naïviteit volgens Zumthor: “Vertrouw op je intuïtie, dat is het tegengestelde van naïviteit. We hebben ons brein nodig om ons te vertellen wat onze intuïtie duidelijk wil maken.”

Pallasmaa vertelde dat de mens steeds minder durft te vertrouwen op zijn intuïtie. Zijn vader en grootvader hoefden ’s ochtends maar hun neus in de lucht te steken en ze wisten wat hen, die dag te doen stond op het Finse boerenland. En dat is geen nostalgie. “Wij zijn vergeten,” aldus Pallasmaa, “dat we allemaal historische wezens zijn, los van onze persoonlijke geschiedenis. Het is juist zo belangrijk om primitieve betekenissen, beelden en gevoelens te herontdekken.” Maar, stelde Böhme terecht, we leven in een technische maatschappij. We zijn getraind om ons bewust te zijn van onze omgeving met behulp van technische hulpmiddelen. We zijn dus meer bezig met het ervaren via deze hulpmiddelen dan dat we de ruimte echt zelf ervaren. Wanneer je je bijvoorbeeld door een luchthaven beweegt, ben je je niet echt bewust van de sfeer omdat je de borden moet volgen om met de situatie om te kunnen gaan. Dus ook al is sfeer altijd aanwezig, in essentie wordt het (slechts) onbewust gevoeld. Je moet getraind worden om je bewust te worden van de totaliteit van de omgeving.

Peter Zumthor in de Zwijger
Peter Zumthor in de Zwijger

Zumthor liet merken dat hij gevoelig is voor sfeer, Pallasmaa vertelde aan zijn lijf te voelen wanneer een plan af is. “Ik weet niet echt zelf wanneer iets af is, mijn lijf weet het wel. Ik voel me goed wanneer het goed is. Je moet met je hele wezen reageren op het werk dat je doet. Anders wordt het een intellectuele exercitie of een esthetische exercitie, welke beide even oppervlakkig zijn.”
Het gaat er volgens de heren dus om dat je openstaat voor alle invloeden en dat je op het juiste moment de juiste beslissingen neemt gebaseerd op je getrainde intuïtie. Pallasmaa citeerde de Russische dichter Joseph Brodsky: “A true maker does not collect expertise but uncertainties.” Om verder te gaan met: “Waren toen ik jonger was, een deur een deur en een raam een raam –  gegeven zekerheden –  nu moet ik steeds opnieuw het raam en de deur uitvinden, want wat betekenen ze?” Volgens Pallasmaa moet je leren en vergeten en dan zal de kennis tot je komen op het moment dat je het nodig hebt. Als je iets net geleerd hebt is het nog teveel aan de oppervlakte. Kennis moet dus de tijd krijgen om te rijpen.

Böhme sprak over de Duitse psychiater Hubert Tellenbach die als eerste wetenschapper ’sfeer‘ benoemde (Geschmack und Atmosphäre). Diens belangrijkste voorbeeld van sfeer was die van de vertrouwdheid van het nest, veroorzaakt door de geur ervan. Je voelt je thuis in een bepaalde geur, dat is sfeer. Zumthor beaamde dat: “We komen allemaal uit huizen, uit landschappen. Dat is waar we beginnen, dat is onze basis.” Wanneer Zumthor de lucht van Basel ruikt, dan is hij thuis. “En iedereen heeft dat, dat is een startpunt voor een sfeerervaring. Als je een sfeer wilt creëren, dan is dit waar je begint.”

Christo in de Gas-o-meter, Oberhausen 2013
Christo in de Gas-o-meter, Oberhausen 2013

Wat me deze avond duidelijk werd, is dat om sfeer te kunnen bouwen moet je eerst in staat zijn om sfeer te kunnen waarnemen. En het lijkt er op dat de moderne mens daar steeds minder goed toe in staat is omdat er steeds meer hulpmiddelen zijn die concrete informatie leveren, waar op vertrouwd wordt. De techniek gaat werken als een filter. Maar stel dat je je zelf traint, dat je alle zintuigen op ontvangen zet en de filters van je afschudt, dan nog vraag ik me na deze avond af: kan je sfeer wel ontwerpen?
Wanneer sfeer “felt space” is, hoe is het mogelijk om deze ruimte al te voelen voordat deze ontworpen is? Puttend uit ervaringen, herinneringen, (weggezakte) kennis of misschien zelfs wel een onbewuste collectieve kennis? Of is het toch een truc of expertise? Kan je sfeer in ruimten analyseren, leren duiden en toekennen aan bepaalde architectonische aspecten? Als dat zo is, werkt dat dan altijd, of faciliteert architectuur slechts sfeer? Immers architectuur kan ruimte geven aan licht en schaduw, kan toegang bieden tot geuren en geluiden, kan je uit je evenwicht brengen of je omarmen, je wiegen. Maar uiteindelijk kan ook een prettige sfeer omslaan in een grimmige. Zou goede, gevoelige architectuur dat kunnen voorkomen? Of zijn positieve, dan wel negatieve persoonlijke herinneringen aan een bepaalde geur, een bepaald geluid sterker dan welk, door architectuur opgeroepen, (collectief) gevoel dan ook? En als de mens langzaam afgestompt begint te raken door alle technische hulpmiddelen, voor wie bouwen we dan nog sfeer? Of moet de sfeer dan ook via de hulpmiddelen worden aangeboden? Kortom, wanneer komt de eerste sfeer-app op de markt?