Feature —

Wikihouse: voor ons en door ons

Dirk Follet

Wikihouse stelt iedereen in staat een huis of een ruimte te ontwerpen, te downloaden, de onderdelen door een computergestuurd apparaat te laten maken en het zelf in elkaar te zetten. Voor het Rijnlands Architectuurplatform (RAP) in Leiden aanleiding om een reeks avonden te organiseren over zelfbouw, open source, innovatie in de bouw en ontwerp. De reeks opende met concept en achtergronden van Wikihouse. Democratisering in architectuur heeft een vaste plek in het hart van Dirk Follet. Vol goede moed ging hij erheen en leerde het meest van wat verzwegen werd.

WikiHouse NZ Laser Cut Scale Model. Foto Martin Luff
WikiHouse NZ Laser Cut Scale Model. Foto Martin Luff

De bijeenkomst leed aan een euvel wat bij architectuuravonden vaak voorkomt: goed publiceerbaar, mooie plaatjes, grote woorden. De inhoudelijke gelijkenis met eerder gehouden bijeenkomsten: A Mies for All: new technologies, new business models for architects (11 november 2013) en Art and Innovation: the future for interdisciplinarity (19 maart 2014), beide in Het Nieuwe Instituut was treffend: alle technologie waarover werd gesproken bevond zich buiten het gebouw.

Zo opende de avond bij het RAP met de stelling dat het (gelijktijdig) beschikbaar komen van hernieuwbare energie en de intieme rol van het internet in ons leven het juiste moment vormt om de (marxistische) koppeling tussen kapitaal en productiemiddelen los te laten. Deze stelling werd ontleend aan The Third Industrial Revolution van Jeremy Rifkin. Een industriële revolutie ontstaat volgens Rifkin wanneer nieuwe communicatiemiddelen samenkomen met nieuwe energiebronnen. De eerste was, volgens hem, de combinatie van de drukpers (in Europa sinds de 12de eeuw) met de uitvinding van de stoommachine (1712), of preciezer de uitvinding van de juiste legering om losse letters te gieten waarmee je kon drukken (1436-9) met de verspreiding van de stoommachine meer dan drie eeuwen later. Structurele economische groei in Engeland begon nog een paar decennia later, na het begin van de 19de eeuw. Het is mogelijk dat we het potentieel van de drukpers pas gingen benutten toen stoommachines gemeengoed waren. Het kan ook zijn dat Rifkin een bijzondere definitie heeft van een Industriële Revolutie.

We kunnen vast iets te leren uit de analyse van Rifkin, maar de creatieve omgang met data suggereert eerder een religieuze dan een realistische kijk op de wereld. Leert ons dat iets over het nut en de waarde van een project als Wikihouse? Nee. Misschien wel over de culturele normen ten aanzien van de werkelijkheid die architecten erop nahouden, ondanks jaren van hoger onderwijs.

Detail of 1/6 schaalmodel WikiHouse v2.0 Foto Martin Luff
Detail of 1/6 schaalmodel WikiHouse v2.0 Foto Martin Luff

Er is nochtans veel wat voor Wikihouse pleit. Het is een bouwkundige variant van een open source project. Dat maakt het een uitstekend vehikel om een aantal fundamentele kwesties waar ons vak mee worstelt te onderzoeken. Dankzij het internet blijkt bij veel andere sectoren de logische koppeling tussen verdienmodel en intellectueel eigendom erg broos. Ik zie het creatieve denkwerk in de bouw ook op meer plaatsen verschuiven. Architectuur wordt minder en minder het creatieve idee dat met generieke, levenloze bouwmaterialen uitgevoerd wordt. Innovatie in de bouw ontstaat meestal bij uitvoerende partijen en hun leveranciers. (Woning)ontwikkelaars denken onder druk van complexer regelgeving en kleinere budgetten opnieuw na over het standaardiseren van (woning)plattegronden. We voelen dat iets niet klopt, maar weten nog niet waar. Daarom is het belangrijk om de ongemakkelijke vragen recht in de ogen te kijken en met de gevolgen te experimenteren. Eén daarvan is: als het product van ons werk door iedereen gekopieerd kan worden, wat is nog de toegevoegde waarde van een architect? Misschien is dat niet het bedenken van een generieke oplossing, maar gebruikers helpen inzicht te verwerven in hun vraagstelling en de keuze.

Om een effectieve bijdrage te kunnen leveren aan ons werk als architect, moet een digitaal project als Wikihouse aan een aantal randvoorwaarden voldoen. Aan een databank van combineerbare elementen stellen we andere eisen dan aan onze vakliteratuur, waarin we bouwfysische en compositorische kennis door elkaar gebruiken. Het is bijvoorbeeld belangrijk welke kennis vastgelegd wordt en hoe die gestructureerd wordt. Er zijn een aantal mogelijkheden: een coöperatieve databank van details (zoals bv. de SBR details), variaties op standaardplattegronden of deelplattegronden (van een badkamer), een verzameling oplossingen (zoals een entree, een keukenraam etc), en zelfs technische oplossingen. In een ideaal geval vat het onze kennis over architectuur of een deel ervan samen in onderdelen, die we kunnen gebruiken en combineren. En dat vergt een idee over de structuur van die kennis, in filosofisch jargon ontologie geheten. In gewoon Nederlands: de houten onderdelen en de verbindingen daartussen die in Wikihouse bedacht (kunnen) worden moeten redelijk overeenstemmen en niet tegenstrijdig zijn met de manier waarop mensen over hun ruimtelijke omgeving nadenken. Tenminste binnen de niche waarin Wikihouse een oplossing probeert te formuleren.

Het open source karakter klinkt aantrekkelijk: de consument heeft een natuurlijke inbreng in het ontwerp en de realisatie van zijn producten. De terugkoppeling leidt ook tot betere producten. Gelijkaardige platforms kennen we vooral om software te schrijven, maar worden ook ingezet voor het ontwerp van 3D-printers en drones. Essentieel vertrekpunt zijn standaarden over de interactie tussen onderdelen.

Het basismateriaal van Wikihouse is een isotroop tweedimensionaal materiaal (18 mm multiplexplaat) en daarmee goed compatibel met onze virtuele denkwereld van de 3D modelleerprogramma's en onze maquettestudio. Wikihouse heeft zich daarbij de beperking opgelegd om uit te gaan van een bijzondere houtverbinding, zonder schroeven of lijm. Dat klinkt romantisch, maar heeft in de praktijk alleen maar nadelen: technisch, economisch, wat betreft materiaalkeuze. Ik wil er niets op afdingen: de combinatie van computergestuurd zaagwerk en de ambachtelijke verbindingen heeft iets sexy wat mijn eigen werk ontbeert. Het laat zien dat het gebruik van spitstechnologie onze droom om in authentiek contact te blijven met de wereld om ons heen niet in de weg hoeft te staan.
Maar uit eigen ervaring weet ik dat gewone burgers vaak heel specifieke ruimtelijke kennis hebben over allerlei dingen waar we goed gebruik van kunnen maken. Bijvoorbeeld hoe je in een veel te kleine entreehal ondanks jassen en kinderwagens toch bezoekers op fatsoenlijke wijze kan begroeten. Of dat de toiletten helemaal niet zo makkelijk te vinden zijn. Het zijn zelden abstracte dingen die architecten begrijpen en waarmee we bouwen: muren, platen, verbindingen.

Wie op de avond bij RAP een onderbouwing verwachtte die inging op de materiaalkeuze, hoe het project aantrekkelijk genoeg zou zijn voor de gewone burger, wat de volgende stappen zijn om meerdere disciplines te integreren etc. kwam bedrogen uit. Ofwel er is niet goed over nagedacht, ofwel de doelgroep is niet de gewone burger die zijn eigen huis kan ontwerpen en bouwen.

Dat dit probleem groter is dan het op het eerste zicht lijkt, blijkt uit de status van het tuinhuis, waaruit de Nederlandse afdeling van Wikihouse is ontstaan. Binnen Wikihouse kan je redelijk eenvoudig een doorsnede van een ruimte, bijvoorbeeld met een hellend dak, produceren, als een spant. Verder is het helder hoe je een rijtje spanten aan elkaar kan koppelen, en ziehier een ruimte-achtig object. Dit is ongeveer de status van het tuinhuis: de kopgevels moeten nog bedacht worden, evenals hoe de waterdichting, de isolatie, de ramen en dergelijke aangebracht kunnen worden. Maar een oplossing die de elegantie van een rijtje spanten benadert, is nog lang niet in zicht.
In tegenstelling tot de open source benadering, proberen de ontwerpers dit voorlopig zelf op te lossen, eventueel gebruik makend van wat ze binnen het systeem kunnen vinden. Ze hebben de tussenstand echter niet gepubliceerd en de gemeenschap kan derhalve niet meedenken. De ongemakkelijke spanning tussen zelf uitwerken en accepteren dat de gemeenschap met je probleem aan de haal gaat toont juist aan dat we hier nog veel denkwerk te verzetten hebben. Het zijn juist deze vragen die dit project zo interessant maken. Ons dak lekt, en wel hier.

Wikihouse making bij MAKLab - dag 3. Foto Duncan Bain
Wikihouse making bij MAKLab – dag 3. Foto Duncan Bain

Hierbij aansluitend blijkt een goed gemeenschapsmodel om je open source product te maken noodzakelijk. Daar heeft Wikipedia bijvoorbeeld ook last van: het grootste deel van wat vrouwen aan de encyclopedie toevoegen wordt simpelweg gewist door de 94% mannelijke auteurs. Over de beheersing van de dynamiek van de gemeenschap, in aantallen en wat betreft conflicten hoorden we bij het RAP jammer genoeg weinig. Misschien is het jonge Wikihouse in haar optimisme hier nog niet aan toe, maar het is essentieel voor haar overleven.
Het gemeenschapsmodel van Wikipedia is eenvoudig: als ik een artikel wil wijzigen, dan kan dat, eventueel in een "zandbak" waarbinnen de veranderingen bediscussieerd worden voor ze officieel worden. Bij een technologisch project als Wikihouse met mogelijks verschillende schaalniveaus is dat lastiger. In de huidige opzet hebben zowel het origineel als de variatie dezelfde status wanneer ik iets wijzig. Het zijn allebei onafhankelijke dingen op hetzelfde niveau. Zolang het systeem beperkt is kan je handmatig alles opruimen, maar er komt een moment waarop een systematiek noodzakelijk wordt waarmee je varianten, aparte oplossingen, verschillende schaalniveaus etc. kan bijhouden. Je wil bijvoorbeeld dat de laatste beproefde variant van de knopen die voorkomen, automatisch opgenomen worden in het gebouw wat je downloadt. Als je een "gewoon" gebouw realiseert krijg je vanzelf de laatste variant van de verwarmingsketel, het dubbel glas en de aluminiumkozijnen.
Het huidige model belemmert ook de mogelijkheid waarbij oplossingen die later bedacht worden aanleiding geven tot nieuwe ontwikkelingen die niet voorzien waren. Die nieuwe ontwikkelingen ontstaan meestal omdat wat hier bedacht is zich makkelijk laten exporteren naar daar. Van drones naar zelfrijdende auto's. Van het besturingssysteem voor servers naar mobiele telefoons.

In dat opzicht was de bijdrage over Fablab veelzeggend. Fablab staat voor een klein fabriekje waar je (digitaal ontworpen) dingen kan fabriceren in een multidisciplinaire omgeving. Fablab is vooral bedoeld als een ontmoetingsplek waar mensen met verschillende achtergronden samenkomen en van elkaar leren. Het gevolg ligt voor de hand, er is altijd wel iemand die je kan helpen met iets wat je niet weet. Je zou willen dat Wikihouse een manier kon vinden om die multidisciplinariteit te integreren. En daarna zou je willen dat Wikihouse gaat over dingen die mensen belangrijk vinden. Hoe te wonen in al haar varianten, bijvoorbeeld.

Er is nog meer wat erop wijst dat Wikihouse niet veel verder zal komen dan een beetje marketing: een isotroop materiaal (multiplex) wat zich lekker laat modelleren op de computer, een gebouw zien als een object (want dat is wat je maakt en downloadt), geen enkel idee over hoe de alomtegenwoordige technologie onze relatie tot gebouwen zou kunnen veranderen, de gedachte dat mensen zelf willen bouwen terwijl ze meer dan twee keer zoveel verdienen dan een bouwvakker die de kwaliteit van zijn werk bovendien niet laat beperken door een virtuele standaard die op het internet bedacht is.

Samengevat: Als we verder kijken dan de leuke plaatjes en de concrete problemen van het huidige project kunnen we Wikihouse inzetten om een aantal vragen te onderzoeken die met ons beroep te maken hebben: intellectueel eigendom, de inhoud van architectuur, repliceerbaarheid, creativiteit, communicatie. Hoe dat op ons verdienmodel uitwerkt is voorlopig niet zo belangrijk, dat ontdekken we vanzelf als we een duurzame vorm gevonden hebben waarmee we onze kennis beter kunnen vastleggen en delen.
Hergebruiken van eerder bedachte kennis en het integreren van een feedbackloop zal uiteindelijk ook leiden tot echte innovatie, waardoor we niet meer hoeven te gokken op unieke, creatieve oplossingen, maar oplossingen kunnen doorontwikkelen en zo meer tijd overhouden voor dingen die belangrijker zijn. Het zal ons anders doen nadenken over het ontwerpproces, over welke beslissingen wanneer genomen moeten worden, door wie en op basis van welke informatie.