Urban TV —

De vele betekenissen van een deurkruk

Jord den Hollander

Jord den Hollander hield in 2008 tijdens de opening van de architectuurbiënnale in Venetië een marathoninterview van ruim zeven uur met 35 internationale architecten. Hij sprak onder andere met Mark Wigley, dean van de Graduate School of Architecture, Planning and Preservation (GSAPP) van de Columbia Universiteit in New York. Wigley’s verhaal over deurkrukken en architectuur blijkt achteraf een van de vele preludes te zijn geweest voor de architectuurbiënnale die nu in Venetië te zien is, Rem Koolhaas’ Fundamentals.

Mark Wigley (r) in gesprek met Jord den Hollander

De opname van het gesprek is van slechte kwaliteit, een deel van het gesprek is daarom uitgeschreven en vertaald.

Mark Wigley (MW): Architecten houden zich bezig met het creëren van ruimtes voor onze alledaagse levens. Ruimtes die eigenlijk, net als die levens, onzichtbaar zijn. De architect probeert het wezenlijke van de alledaagsheid en de routine zichtbaar te maken zodat er voor het eerst een besef is van wat we aan het doen zijn. Dat we ons een bredere voorstelling van het leven kunnen maken. En op zo’n moment realiseer je je dat het leven eigenlijk helemaal niet zo veel voorstelt. Op zulke momenten ga je dromen over hoe het beter kan en wat er zou kunnen veranderen. Een architect haalt je even uit de routine zodat je anders naar je eigen situatie kunt kijken en dat je even kunt dromen dat je die kunt veranderen. Daarom zijn architecten ook optimisten.
Het feit dat we elke dag bestookt worden met slecht nieuws en dat we weten dat zelfs de meest intelligente mensen uit kunnen groeien tot machtswellustelingen is al voldoende reden om zwaar depressief te worden in deze wereld. Maar gelukkig is daar de architect die er van overtuigd is dat hij met een paar kleine ingrepen in de gebouwde omgeving een betere maatschappij kan maken.
Architecten zijn een wonderlijke soort van optimisten. En hun methodiek is simpel: even stoppen, even een kleine onderbreking van de routine.

Jord den Hollander (JdH): Ik wil het hebben over je uitgangspositie: je bent de Dean van de Graduate School of Architecture, Planning and Preservation van de Columbia Universiteit. Je hebt  vaak over dit onderwerp nagedacht en geschreven. Zou het niet zo zijn dat de meeste architecten optimisten zijn vanwege een veel banalere reden. Ze zijn gewoon ambitieus en willen gebouwen neerzetten. De enige manier voor ze om te overleven is plannen bedenken. Ze zijn helemaal niet zo betrokken bij de maatschappij zoals je beweert. Het ligt veel simpeler: ze willen gewoon gezien worden en veel geld verdienen.

MW: Nee, nee! Als je ambitieus bent en wilt bouwen en veel geld verdienen dan had je loodgieter moeten worden. Ik weet zeker dat de loodgieter van het paviljoen waar we nu zitten [het Rietveld Paviljoen op het biënnaleterrein in Venetië] er een vette opdracht aan had. Hij kreeg op tijd betaald en was absoluut zeker van zijn zaak want hij wist precies welke pijpen en vittingen hij moest gebruiken. Grote kans dat de architect van dit gebouwtje helemaal niet is betaald. En dat het ontwerp getekend is door een anonieme medewerker van het bureau en niet door de architect zelf.
Als iemand besluit om architect te worden zal hij het feit dat zijn ambities waarschijnlijk nooit zullen worden waargemaakt moeten gaan waarderen. Om op die manier die ambities nog meer te cultiveren. Dat maakt architecten tot zo’n unieke soort. Daarom praten ze en leven ze op den duur alleen nog maar met andere architecten.

JdH: Je kunt de architect vergelijken met de tragische held Sisyfus die keer op keer zijn steen een berg op moest duwen en nooit zijn doel bereikte.

MW: De architect is nog tragischer. Maar dat bedoel ik niet negatief. Meer in psycho-sexueel opzicht. Het gaat om een soort masochisme. Je hebt die filosofie over pijn en frustratie, die er juist voor dient om de ambitie te voeden. Maar die ambitie om die kleine aarzeling, die onderbreking, te maken is maar heel beperkt. Toch wordt hij gezien als een sterke katalysator voor veranderingen. Anders gezegd: als architecten er niet van overtuigd zouden zijn dat ze het leven iets aangenamer konden maken, zouden ze geen architect zijn geworden. Daar heb ik echt bewondering voor, of misschien betreur ik ze daarom ook wel, dat ze blijven dromen dat het altijd beter kan.
Ik geef je een voorbeeld en dan maken we een onderscheid tussen gewone mensen en architecten. Architecten zijn van het soort dat geen idee heeft wat een gebouw is. Voor alle andere mensen is dat niet aan de orde, die gebruiken gebouwen gewoon. Neem nou de deurkruk, iedereen weet dat je daarmee een deur kunt openen. Architecten zien dat anders, die zien de deurkruk als een filosofische verhandeling over de natuur.

JdH: Een metafoor voor de ongekende mogelijkheden van de hand.

MW: Precies, dus de deurkrukkenmakers zijn eigenlijk de echte experts van de deurkruk. Die zitten niet hele weekenden met elkaar te discussiëren over het fenomeen deurkrukken. Die leiden een normaal leven. Maar architecten zijn er echt van overtuigd dat de deurkruk de ultieme uitdrukking is van de behoeften en verlangens van de gebruiker. Dus gaan ze er hele weekenden over zitten filosoferen omdat ze een vermoeden hebben dat zoiets simpels als een deurkruk de meest onvermoede culturele waarden representeert. Nogal verwachtingsvol denk ik, maar ingegeven door de onverteerbare frustratie van het niet begrijpen.

JdH: Er wordt wel eens beweerd dat architecten een soort religieuze sekte zijn. Dat ze met hun gedrag en hun codes en rituelen de buitenwereld buiten sluiten.

MW: Ik weet niet of religieuze sektes net zo bezeten zijn als architecten. De meeste religieuze sektes hebben een eigen identiteit, maar daarnaast heeft ieder individu ook een eigen leven. Ik kan bijvoorbeeld heel gelovig zijn, maar daarnaast ook gewoon een loodgieter. Architecten zijn niet in staat naast hun vak nog iets anders te zijn. Je zou in dit verband kunnen zeggen dat architecten ergens in hun leven hebben besloten: ik heb gewoon geen eigen leven. Ik denk weliswaar na over architectuur en over de levens van anderen, maar voor mijzelf heb ik geen leven. Maar nu dramatiseer ik het enigszins.
Architecten zijn de hele tijd bezig met alles om hen heen te bekijken en te betasten. Andere mensen zijn gewoon gebruikers. Daarom: architecten hebben geen flauw idee wat een gebouw werkelijk is. Zoals een schilder niet echt kan uitleggen wat een schilderij is. Het enige wat ze kunnen doen is doorgaan met schilderen.

[…]

MW: Als je ergens onzeker over bent is de beste manier om daar vanaf te komen: hup, zet een gebouw neer. Waarom? Omdat een gebouw niet beweegt, het biedt zekerheid. Een nog duidelijker voorbeeld is een grafsteen. Die plaats je om de schrijnende wond van het verlies van een geliefde te markeren. Je doet iets onomkeerbaars. Dat geldt voor oorlogsmonumenten of universiteitsgebouwen, alles wat je bouwt. Boem, zekerheid.
Je zou kunnen zeggen dat alle gebouwen die je om je heen ziet over een wond zijn geplaatst. Ze zijn in alle dimensies bepaald door een voorafgegaan trauma. De rol van de architectuur is om de mensen te troosten. Blijf rustig, we hebben alles onder controle. Als je om je heen kijkt zie je niets anders dan chaos, maar wat we creëren moet het tegenovergestelde bieden en gebouwen zijn daarvan het beste voorbeeld.
Ik geef je een wellicht slecht voorbeeld. Het woonhuis zou de weergave van het gezin moeten zijn, de warmte binnen het gezin, het aantal gezinsleden, de wensen en verlangens enzovoort. Maar als het gezin uit elkaar valt, komen er dan ook scheuren in het huis? Zou je dat willen? Nee natuurlijk.

JdH: Dat is de toon waarmee je als Dean van de Columbia Universiteit elk jaar de nieuwe studenten verwelkomd? Dan vertel je ze dat ze een opleiding krijgen in het verhullen van de werkelijkheid, dat ze getraind worden om buitenstaanders te zijn, dat ze iemand gaan worden die ze liever niet hadden willen zijn. Ik stel het maar even zo zwart mogelijk.

MW: Het kan nog zwarter. Je kunt er nog aan toevoegen dat ze nooit geld zullen verdienen, dat de maatschappij geen flauw idee heeft waar ze het over hebben, dat het een permanente worsteling wordt, dat ze geen avond of weekend vrij zullen hebben, dat ze altijd door moeten gaan met werken ook als ze de negentig gepasseerd zijn. Kortom dat ze geen leven zullen hebben. Maar daar gaat het eigenlijk niet om. De vraag is meer of architectuurstudenten het slachtoffer willen worden van deze unieke vorm van heroïsch masochisme. En vervolgens is dan de vraag, kunnen we ze die houding leren, of moeten ze die instelling al van zichzelf hebben. Ik denk dat dat laatste noodzakelijk is. Als je verliefd bent op de gebouwde omgeving zal je altijd vragen moeten stellen waar de rest van de wereld alleen maar antwoorden geeft.
Ik zie die voorliefde voor de twijfel terug in het werk van de meest getalenteerde architecten. Als je door hun gebouwen loopt zie je die momenten van onzekerheid. Die momenten van aarzeling. Binnen dat door hun gecreëerde beeld van zekerheid bieden ze zo’n klein moment waarin je alles op een andere manier kunt bekijken.

Voor het volledige interview met Mark Wigley klik hier, scroll naar speed date marathon, interview nr. 22.