Feature —

Façadisme: werkelijkheid en fictie

Jeroen Visschers

Architectuur is altijd narratief, maar welk verhaal willen we er mee vertellen? Paul Davies hield in NEST een lezing over façadisme; een lezing over semiotiek en fenomenologie, over verhullen en onthullen.

Sainte Marie de La Tourette (1960), Le Corbusier. Foto Andrew Carr

Façadisme – in ons vakdebat – refereert vaak aan reconstructie-architectuur waar authentieke straatgevels als monument diep gevroren blijven. Het werkelijke gebouw erachter verandert dusdanig dat er sprake is van feitelijke nieuwbouw. Nieuwbouw met een al te bekend gezicht, esthetische overwegingen of een oppervlakkig begrip van architectuur als collectief geheugen van de stad liggen vaak aan de oorsprong. De term facadisme, of beter facadomie, wordt ook gebruikt binnen het postmodernisme en legt dan de nadruk op de echtscheiding tussen interieur en exterieur, de ontmanteling van het gebouw als afgerond geheel en de gevel als van programma en plattegrond verzelfstandigd narratief. Deze laatste uitleg van façadisme vormt het vertrekpunt voor Paul Davies (architectuurcriticus) die in het Haagse Nest een lezing gaf.

Davies is een anekdotisch verteller. Voor het kleine gezelschap van toehoorders, grotendeels niet-architecten, is dat prettig. Zijn bezoek aan de Hyatt Regency van John Portman in Houston – inderdaad de architect van de gigantische atria –  figureert als voorbeeld voor zijn aanvliegroute. De dertig etages tellende bakstenen façade is er een van tegenstrijdigheden. De schaal van de kleine baksteen, de hoogte van het gebouw en de opengevouwen, verglaasde entree komen nergens samen. Er is geen generieke schaal die het gebouw vloeiend geleed in steeds kleinere schaalelementen, eerder een bruuske mash-up van elementen van verschillende grootte. De non-descripte gevel laat de bezoeker doorgaans koud. Het is pas bij binnenkomst, tijdens de rit in de glazen lift door het negenentwintig etages tellende atrium, dat de bezoeker echt wakker wordt. Voor Davies gaat de Hyatt Regency in zijn geheel niet om een exterieur, maar voornamelijk om de belevenis van het gigantische atrium per lift.

Hyatt Regency in Houston (1967), John Portman

Davies stoelt zijn betoog op zijn overtuiging dat architectuur altijd narratief is en dat het met haar elementen – zoals de gevel – een verhaal vertelt. Het verhaal dat de gevel van de Hyatt Regency vertelt is helaas niet zo eenduidig. “I suppose [de Hyatt Regency] would qualify as a classic ‘duck’ in Venturi’s terms, a good, wry, case study in the type. “ Voor de niet geconcentreerde luisteraar wordt het hier ingewikkeld. Davies doorspekt zijn betoog namelijk vol overgave met zijlijnen en vooral veel achtergrondverhalen óver architecten. (De criticus is vooral bekend van zijn columns voor de Architectural Review onder de titel ‘REPUTATIONS’, waarin hij architecten biografeert met een voorkeur voor persoonlijke eigenaardigheden en opvallende achtergronden. Hetzelfde maar dan uitgebreider doet hij ook in The Architect’s Guide to Fame, een boek dat slechte recensies kreeg maar een van mijn guilty pleasures is.) Ik kan me voorstellen dat tussen die verhalen óver architecten de betooglijn over de verhalende kracht van gebouwen makkelijk verloren gaat.

De sleutelanekdote in zijn betoog wordt gevormd door de analyse van het verschil in gebouwuitleg door Colin Rowe (Dominican Monastery of La Tourette by Le Corbusier (Eveux-Sur-Arbresle, France) in The Architectural Review, June 1961) en Le Corbusier van de Sainte Marie de La Tourette. Rowe legt de nadruk op de noordgevel van het gebouw, Le Corbusier op de zuidgevel. In Le Corbusier’s beschrijving is het een toverdoos, waar het zonlicht de ruimte tussen muur en dak raakt en op het juiste tijdstip het dak laat zweven. De werking van de gevel, het gebouw, word gevangen als een mystieke ervaring van architectuur. Rowe zwijgt hierover, maar wijst naar de noordgevel die als een dam is, een onbeschreven blad en verwijst naar de Acropolis en de eerdere Villa Schwob. Hoewel Rowe’s tekst veel barokker geschreven is, legt het de nadruk op het talige karakter van het gebouw, Le Corbusiers benadrukt de fenomenologische kwaliteiten. En dat is de – goed verstopte – boodschap van Davies: uitdrukking in taal versus ervaring door effect, semiotiek versus fenomenologie.

Façadism, Dominique Teufen (Nest, Den Haag 2014)

Het is interessant om een stap achteruit te doen en te zien waar Davies’ betoog het installatiewerk, onder dezelfde Façadism_-vlag tentoongesteld in NEST, raakt. Dominique Teufens installatie ‘Afgelopen’ werd lyrisch onthaald door Metropolis M. “Beter dan dit wordt het niet” was de strekking. De architecten zullen teleurgesteld zijn, er is weinig letterlijke façade in de architecturale zin van ‘gevel’ in Teufen’s geheel grijs geschilderde kamer, waar ogenschijnlijk de nacht ervoor een hevige feest plaats vond. Maar het gaat natuurlijk over een meer conceptueel ingevlogen begrip van ‘façadisme’. Zodra je de grauwe ruimte betreedt, worden je zintuigen op een dwaalspoor gebracht. Doordat elke kleur ontbreekt en het hele interieur enkel bestaat uit grijstinten, ervaar je hoe het moet zijn om in Instagram foto te wonen. Het feest dat nooit plaatsvond, wekt door de grijsfilter een nostalgisch verlangen op, zoals menigeen alledaagse gebeurtenissen tot mystieke events verheft door de foto te sauzen met een filter uit Instagram. Alle ‘followers’ of ‘facebook-vrienden’ zuchten: hier had ik bij willen zijn. Inderdaad, facadisme als de verhulling van fictie tot hyperrealiteit.

Waar het Teufen lijkt te gaan om façade als stilistisch metafoor voor verhulling en het verzonnen verhaal, gaat het Davies om het verhalend karakter van de fysieke façade. Hij maakt dit – niet heel origineel, maar wel effectief – duidelijk aan de hand van het werk van Robert Venturi en Denise Scott Brown In zijn beschouwing van Learning from Las Vegas stelt Davies “I am a monument is the new façadism.” Niet alleen door de architectuur van billboards en gevelreclames vertelt architectuur wat het is, de architectuur van Las Vegas vertelt ons ook wat te doen. Illustratief is Davies beschrijving van het interieur van zijn favoriete gokpaleis waar alles dan wel mechanisch dan wel visueel hem aan zijn slot machine gekluisterd houdt. Dit is wat je hier in het casino moet doen, lijkt alles te zeggen. Hij noemt de gevelarchitectuur ‘authentic Americana’, het doet precies wat het moet doen tegen de laagste kosten. De neon-gevel is in zijn ogen daarin het meest effectief, een dunne laag kristalglas gevuld met slechte ijle edelgassen: een efemere architectuur.

Snyderman House (1972-2002), Michael Graves

Het narratieve karakter van de gevel werkt Davies verder uit in zijn beschouwing van het werk van Michael Graves, waarin het Snyderman House en het Rockefeller House het meest relevant zijn. Davies omschrijft het Rockefeller House als een potpourri van Le Corbusiers oeuvre. Vijf Le Corbu villa’s plus La Tourette in één gebouw. “That is fuckin’ amazing”, concludeert Davies zelf. Interessant is te zien hoe het Graves niet gaat om de fenomenale werking van het licht, de ervaring van sacrale ruimte om de – Davies mimet er luchthaakjes om – ‘spirituele kwaliteiten’ van het detail, maar om het verhaal van tegenstrijdigheden dat de architectuur tot uitdrukking brengt. Davies merkt op “It is easier to mash-up Queen Ann and get away with it, than with [doing it to] Le Corbusier.” In het Snyderman House wordt het nog een stukje wilder. Dichter bij papieren architectuur komt het niet met zijn losgezongen façades die een eigen spel van constructie, gelaagdheid en betekenis spelen.
Het werk van Graves langslopend, laat Davies zien hoe in de kritieken een nieuwe spreektaal de gebouwen gaat duiden. ‘Sacrale ruimte’, ‘spirituele ervaring’ en ‘architectuur van de vertroosting’. Architectuur lijkt niet meer op haar expressieve vermogen beschouwd te worden, maar op fenomenologische kwaliteiten. Davies ziet in de omarming van de fenomenologie een verwarring met de betekenis van architectuur. Zoals hij uit de recensie van het Portland Building cynisch citeert: “The Portland Building has almost redeemed the city”. Architectuur als helende zalf voor de ziel. Het is duidelijk; Davies gelooft er niet in, “architecture doesn’t redeem us”.

Dunes Hotel, Las Vegas. Foto Steven Martin

En daarmee komt hij eigenlijk terug bij een van zijn eerste dia’s van de avond: de Sainte Marie de La Tourette. Ook daarbij betoogde hij hoe hij de beschouwing van de taligheid van het gebouw door Colin Rowe ons meer vertelt over architectuur en hoe haar te construeren, dan de pathos waarmee Le Corbusier de werking van licht en volumes – in zijn ogen – beschrijft. Het blijft onbenoemd tijdens de lezing maar hier ligt direct ook de relevantie van Davies’ lezing in letterlijke zin. In Groot Brittannië woedt de laatste jaren een verhit debat rond het behoud van het Brits brutalisme. In deze discussie om restauratie, behoud en reconstructie wordt vooral datzelfde pathos als argument in stelling gebracht. Er wordt gewezen op de uitwerking van het spel van licht over het textuur van beton, de interieurs die ervaren worden als de crypten van een kerk; een architectonisch heroïsme dat tegelijkertijd nostalgisch terug verlangt naar het industriële tijdperk en haar stadslandschap dat het reflecteert.  Wars van nostalgie, spiritualiteit of de ‘helende kracht’ van architectuur begrijpt Davies weinig van deze argumenten van The Brutalism Appreciation Society. Wanneer brutalistische gebouwen op een semiotische wijze worden beschouwd, geldt  het adagium dat Davies ons al eerder die avond van de hand deed: “It shows us how bad things are.” Architectuur gemystificeerd als bastions en citadellen vertellen ons hoe slecht de wereld buiten de muren is.