Recensie —

Hout – een amuse

Mechthild Stuhlmacher

Een amuse is een gerecht dat je niet hoeft te bestellen. De chef kan ermee naar eigen inzicht vrij experimenteren. Een amuse is klein, smaakt naar meer en ziet er leuk uit. Op een elegante manier worden gasten nieuwsgierig gemaakt naar de gangen die er gaan komen. Wie echter na de amuse opstapt, verlaat het restaurant met lege maag.

Zwitsers paviljoen op de wereldexpo in Hannover (2000), Peter Zumthor. Afbeelding TUE
Zwitsers paviljoen op de wereldexpo in Hannover (2000), Peter Zumthor. Afbeelding TUE

De tentoonstelling Hout, de cyclische natuur van materialen, plekken en ideeën, die nu te zien is in Het Nieuwe Instituut is zo’n amuse. Op een fraaie, kleinschalige manier is het een lichtvoetige introductie op het grote thema hout. Net als een échte amuse agendeert noch documenteert de tentoonstelling. Ze prikkelt een beetje, hooguit, maar vult geen leemte, als die er al bestaat, want het onderwerp ‘hout’ is dusdanig bekend dat zo’n lege plek wel eerst gevonden en leeg geruimd zou moeten worden om hem vervolgens op betekenisvolle wijze in te kunnen nemen.

Met een rondgang langs voorwerpen, kleine maquettes, videobeelden en zelfs enkele kunstwerken krijgt de bezoeker op de tweede verdieping van Het Nieuwe Instituut een vluchtige impressie van wat hout voor ons betekent. We komen enkele details te weten over bosbouw en zijn landschappelijke en economische betekenis, en kunnen uit foto’s en maquettes opmaken dat kunstenaars, vormgevers en architecten enthousiast kunnen worden over het materiaal. De tentoonstelling probeert ook het fenomeen ‘bos’ te duiden en doet dat onder meer met een meer dan levensgrote foto van Vladimir Poetin tussen donkere boomstammen, een zeer schattig anoniem houtsnijwerk dat gemaakt is rond 1500 en een even fraai reclamefilmpje voor een nieuwe met hout beklede telefoon waarop een houten balletje op een eindeloos xylofoon annex knikkerbaan Bach speelt.

Austin Granger. Trees, Oregon, 2012. Plantage van genetisch gemodificeerde populieren.
Austin Granger. Trees, Oregon, 2012. Plantage van genetisch gemodificeerde populieren.

De vormgeving van de tentoonstelling is elegant, oogt enigszins tijdelijk en is daarmee een heel klein beetje schatplichtig aan een van de weinige architectuurprojecten die in de tentoonstelling voorkomen. Zumthors paviljoen voor de wereldtentoonstelling in Hannover is te zien op een commentaarloze portretfoto. Het alom bekende gebouw was toentertijd met de ambitie ontworpen dat het toegepaste materiaal zonder verlies weer uit elkaar zou kunnen worden gehaald en hergebruikt.
De losjes tegen elkaar geleunde platen underlayment waarop de meeste tentoonstellingsvoorwerpen zijn bevestigd hebben een vergelijkbare uitstraling en je hoopt dat ze weer dienst gaan doen bij een volgende editie. Deze opzet werkt ruimtelijk goed, maar is niet heel dienstbaar aan de bezoeker. De verschillende video’s zijn akoestisch nauwelijks van elkaar afgeschermd, men kan nergens zitten en de teksten zijn erg summier, en soms slecht lees- of vindbaar. Je vraagt je af of Het Nieuwe Instituut niet meer mogelijkheden had gehad. Goedkope materialen zoals underlayment en hergebruikte palets worden in Nederland met grote regelmaat gebruikt om tentoonstellingen te bouwen, Hout was een goede kans geweest om het vaak al te schrale, overbekende repertoire hier en daar iets te verruimen.

De meeste van de tentoongestelde video’s zijn ook op Youtube te vinden, zelfs de geestige tiendelige ‘Power of the Market’ van Milton Friedman uit 1980. Toch is het leuk de filmpjes als verzameling te zien en even de tijd te nemen ze te bekijken. Misschien was het goed geweest de curator via het introductiefilmpje op de website zelf ook aan het woord te laten – zijn overwegingen zouden de bezoeker helpen om aandachtiger te kijken. En ze maken ook duidelijk dat het deze jonge curator helemaal niet om de Nederlandse actualiteit of relevantie te doen is.
De urgentie van de toepassing van hout als hedendaags bouwmateriaal wordt alleen duidelijk in een eveneens op Youtube gepubliceerde vlammende speech van de Canadese architect Michael Green die met Amerikaanse retoriek het belang van hout voor hemzelf als architect en voor de toekomst van onze planeet uitlegt. We horen hoe superieur hout is vergeleken met alle andere bouwmaterialen. We ervaren hoeveel bouwmateriaal per minuut in onze bossen groeit en dat we het beste af zijn als we van al dat steeds maar bijgroeiende hout dingen en gebouwen maken van blijvende waarde. Anders vergaat of verbrandt het en hebben we niets aan de zo unieke CO2 opslag die hout van alle andere (bouw)materialen onderscheidt. Green gaat vervolgens in op de veelbelovende maar vooralsnog onontgonnen mogelijkheden die hout ook voor hoogbouw biedt en noemt daarbij innovatieve houttoepassingen zoals CLT (Cross Laminated Timber). Dergelijke systemen worden in Nederland nog maar mondjesmaat toegepast en de ontwikkeling van hoogbouw in hout staat hier niet eens in de kinderschoenen.

Transport van boomstammen, 1950. Collectie AKG-images. Boomstammen worden over Lake Superior naar een zagerij bij Fort William, Canada gesleept.
Transport van boomstammen, 1950. Collectie AKG-images. Boomstammen worden over Lake Superior naar een zagerij bij Fort William, Canada gesleept.

Naast de kwantitatieve overtuigingsarbeid door deze welbespraakte architect vol indrukwekkende maar desalniettemin bekende feiten had ik graag kwalitatieve voorbeelden gezien, van hem of anderen. Hier had een serieuze kans gelegen om de tentoonstelling een agenderende draai te geven. Ieder jaar worden op verschillende plaatsen in Nederland en daarbuiten tentoonstellingen aan hout gewijd. Dat zijn kunst- en vormgevingstentoonstellingen zoals het jaarlijkse evenement op Fort bij Vechten, of de grote retrospectieve over houtarchitectuur die in 2012 is gehouden in München, als samenwerkingsproject tussen het plaatselijke architectuurmuseum en de Technische Universiteit, helemaal compleet met actuele voorbeelden én culturele achtergronden en een lijvige hardcover catalogus. Deze evenementen hebben gemeen dat ze bestaande kennis samenvatten en documenteren en er nieuwe aspecten aan toevoegen. Helaas doet de lopende tentoonstelling noch het één en noch het ander; de tentoonstelling staat teveel op zichzelf. Het Nieuwe Instituut en zijn curator schieten op dat vlak helaas ernstig tekort, oftewel laten ze erg veel ruimte voor een serieus meergangenmenu waarvan ik hoop dat het gaat komen.

Als hoofdgerecht verwacht ik een agenderend betoog dat geen genoegen neemt met gelegenheidssnoepjes van SeArch en Onix, maar écht ingaat op de ruimtelijke, constructieve én culturele mogelijkheden en kansen van hout in architectuur en design. Ik verwacht van een Nieuw Instituut dat het de vele internationale kunst- en designprojecten die in de laatste jaren zijn ontstaan niet ontkent en zijn eigen positie bepaalt ten opzichte van de ambitieuze en letterlijk torenhoge houtprojecten die in de landen om ons heen aan het ontstaan zijn. Ik zou vervolgens een kritische reflectie op de tropische bosbouw en bijbehorende wereldwijde houthandel verwachten die in Nederland nog steeds de (bouw)cultuur bepaalt, alle duurzaamheidsoverwegingen en recente belangstelling voor het lokale en inheemse ten spijt.  En als dan bevlogen ontwerpers eens écht een podium zouden krijgen voor werken zoals de Wood Ring van Chris Kabel of de Sahara kruk van Chris Ruhe dan zou ook het vakgebied ‘design’ tot zijn recht kunnen komen. Maar goed, een amuse bekritiseer je niet. Ze is van het huis. Het gaat om de dingen die er komen.

Wil het Nieuwe Instituut een plek zijn waar vormgeving en architectuur samenkomen, elkaar dus versterken in plaats van te nivelleren dan biedt het meerjarige onderzoeksproject dat het Nieuwe Instituut opzet rondom de programmalijn De Dingen en de Materialen, en waarvan Hout een onderdeel vormt, zeker een grote kans. Echter tentoonstellingen te wijden aan de ‘culturele, maatschappelijke en economische’ betekenis van een materiaal kan geen excuus zijn om noch op architectuur noch op design serieus in te gaan. Dat voor de tentoonstelling relatief weinig budget beschikbaar was is te zien, en het eventuele gemis aan grootsheid of verzorgdheid is niet erg. Wat wél erg zou zijn is dat zelfs deze beperkte inspanning voor niets zou zijn geweest, en dat de gasten onderweg naar huis nog langs de snackbar moeten.