Recensie —

Het rijtjeshuis

Tijs van den Boomen

In zijn boek Kleine filosofie van het rijtjeshuis legt Pieter Hoexum de alledaagse werkelijkheid van het wonen onder de loep. Hij breekt een verrassende lans voor saaiheid en middelmatigheid.

Hoofddorp. Foto Theo Baart
Hoofddorp. Foto Theo Baart

Van elke tien Nederlanders wonen er zes in een rijtjeshuis, in totaal staan er in ons land maar liefst vier miljoen exemplaren. Het rijtjeshuis bepaalt dus mede onze volksaard, het behoort tot ons DNA. Maar juist wat zo voor de hand ligt, ontsnapt makkelijk aan de aandacht; het rijtjeshuis wordt vaak afgedaan als fantasieloos, kleinburgerlijk en anti-stedelijk. Er waren dan ook vreemde ogen nodig om de kwaliteiten van dit fenomeen te ontdekken: het boek Das niederländische Reihenhaus; Serie und Vielfalt bejubelde al in 2000 de schoonheid en moderniteit van het rijtjeshuis, dat ‘gezelligheid, normaliteit en harmonie’ op efficiënte wijze weet te combineren.

Dit jaar kwam architectuurcriticus Bernard Hulsman met het Nederlandse antwoord. Het rijtjeshuis is een fraaie studie naar het verschijnsel dat net zo bij ons land hoort als de dijk, het water en de polder – rijtjeshuizen zijn volgens Hulsman ‘Mondriaans voor de massa’. Hij laat zien dat het grote succes van het rijtjeshuis – de eerste Nederlandse exemplaren zijn aan het einde van de veertiende eeuw gebouwd – niet zoals je zou denken begon tijdens de wederopbouw, maar in de jaren zeventig, toen protesterende burgers de stedenbouwers en planologen dwongen afscheid te nemen van de hoogbouw. Dat betekende overigens ook dat de uniforme naoorlogse doorzonwoningen met pannendak, die veelal in open haken werden gebouwd, onder druk kwamen te staan. Het woonerf met verspringende huizen met keukens aan de voorkant deed zijn intrede, en daarna de Vinex-wijk, met nieuwe modes als thematische buurten en traditionalistische architectuur.

Hoofddorp. Foto Theo Baart
Hoofddorp. Foto Theo Baart

Hoewel Hulsman zelf in een rijtjeshuis opgroeide – er staat zelfs een foto in van zijn ouderlijk huis in Weesp – vernemen we nauwelijks iets over wat het nu eigenlijk betekent om te wonen in een doorsnee rijtjeshuis in een doorsnee woonwijk. Niet vreemd, want het boek bekijkt dit woningtype vooral architectonisch en bovendien woont Hulsman sinds jaar en dag gewoon op een etage in Amsterdam.
Voor de blik van binnenuit is er het boek van Pieter Hoexum die zich allereerst als huisman afficheert en vervolgens pas als filosoof en schrijver. Hij heeft, met een onderbreking van een paar maanden aan de Amsterdamse Herengracht, altijd in een buitenwijk gewoond en wel tot volle tevredenheid. Daarmee behoort hij tot een minderheid: niet omdat bewoners van rijtjeshuizen ontevreden zouden zijn, integendeel juist, maar omdat de ontwerpende en schrijvende goegemeente niet suburbaan woont, en als dat wel het geval is, daarover besmuikt zwijgt.
Zo niet Hoexum, die zonder een spoor van ironie de lof van de middelmaat bezingt. Met enige wellust schrijft hij aan het slot van zijn boek zelfs: ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ En dat cliché is volledig op zijn plaats, want in de bijna tweehonderd pagina’s die daaraan voorafgaan heeft hij laten zien hoe opmerkelijk het wonen in een rijtjeshuis eigenlijk is.

Hoexum betoont zich een onvermoeibaar observator die al schrijvend laat zien welke werelden er schuilgaan achter ogenschijnlijk banale details, zoals bijvoorbeeld het tuinhekje. In zijn straat in Purmerend constateert hij dat zeventien van de twintig bewoners een hekje met een luchtige open structuur hebben neergezet en dat de poortjes bijna altijd openstaan. En daaruit concludeert hij in een van de 23 korte essays waaruit het boek is opgebouwd, dat het hekje, anders dan Rousseau beweerde, helemaal niet het begin van de afbakening van bezit is en daarmee de oorzaak van de oorlog, maar juist een gebaar van verwelkoming en daarmee van civilisatie. Instemmend citeert hij dan ook antropoloog Mattijs van de Port, die hekjes ‘de lingerie van de architectuur’ noemt.

Hoofddorp. Foto Theo Baart
Hoofddorp. Foto Theo Baart

Hoexum weet zijn observaties in betekenisvolle beelden te vatten. ‘De rijtjeshuizen staan schouder aan schouder weer en wind te verduren, rij na rij, en net als die lange rijen palen op het Noordzeestrand bieden ze het stuifzand de juiste hoeveelheid en op de juiste manier houvast’. Het rijtjeshuis weerspiegelt onze samenleving volgens Hoexum niet alleen, het is ook de vormende kracht achter de manier waarop wij samenleven. Hier woon je samen én alleen, het is de gulden middenweg tussen gelijkheid en vrijheid, tussen vrijstaande villa en flat, tussen autonomie en gemeenschap. Buren zijn niet per se aangenaam, maar je tot hen verhouden is een wezenlijke opgave.
Flats, waarin hij zelf ook lange tijd heeft gewoond, hebben een heel ander effect op mensen: dat zijn disciplinerende machines die de individualiteit van de bewoners onderdrukken. Logisch dat hij dus niet veel moet hebben van Le Corbusier en van diens voorlopers als de Franse filosoof en utopisch socialist Charles Fourier, die al aan het begin van de negentiende eeuw arbeiderspaleizen bedacht, de zogenaamde phalanstères.

Toch heeft Hoexum ook met het andere uiterste – thematische wijken, culturele planologie, genius loci – niet veel op. Hij beschouwt dat als gekunstelde pogingen om een wijk – en daarmee de bewoners – een identiteit te verschaffen. Maar zo’n vastomlijnde identiteit is iets voor ‘zware, hechte gemeenschappen’ en die bestaan tegenwoordig nauwelijks meer.
U raadt het al, hij pleit voor een gematigde gelijkheid en zo komt hij uit bij Hippodamus van Milete, de Griek die in de vijfde eeuw voor Christus het grid bedacht, een wezenlijk democratische structuur die de vrijheid van de bewoners ruimte geeft. Zet rijtjeshuizen langs deze straten en laat mensen hun gang gaan, dan zullen er geleidelijk kleine verschillen ontstaan, in hekjes, voortuinen, voordeuren, dakkapellen, kozijnen. Minieme verschillen, want in een rijtjeshuis houd je rekening met je buren en anders wel met de verkoopwaarde van je huis.

Hoofddorp. Foto Theo Baart
Hoofddorp. Foto Theo Baart

Het mooiste huis ter wereld is volgens architectuurcriticus Witold Rybczyński ‘het huis dat je bouwt voor jezelf’. Maar na lezing van Rybczyński’s boek, waarin die beschrijft hoe zijn plan om een bootshuis neer te zetten langzaam uitgroeit tot de bouw van een echt huis, nuanceert Hoexum: het mooiste huis is juist het huis dat je voor jezelf vérbouwt. Verbouwen levert namelijk ‘huiselijkere huizen’ op.
Het verbaast dan  ook niet dat Hoexum zich, voor zijn doen, fel keert tegen design dat  wordt verpakt als dienstbaarheid aan ‘de woonconsument’ en dat belooft van ‘een huis een thuis te maken’. Hij slaat de Des Bouvrie’s van deze wereld om de oren met de ‘grand old man van de Nederlandse architectuurtheorie’, John Habraken, die de ontwerper ruim een halve eeuw geleden al vergeleek met koning Midas: alles wat hij aanraakt verandert in architectuur. Ontwerpers creëren decors die de bewoners reduceren tot logés. En hoe meer ze hun best doen, hoe erger het wordt. De ontwerper moet juist niet onder het mom van dienstbaarheid zijn ideeën en normen opdringen, maar zich beperken tot intelligent ontworpen dragers die bewoners ruimte laten.

Af en toe dwaalt hij wat erg ver af van het rijtjeshuis en de woonwijk – bijvoorbeeld in terzijdes over vriendschap en heimwee –, maar ook dan blijven zijn waarschuwingen tegen de hovaardij van ontwerpers leerzaam. Hij debiteert de ‘wet van behoud van ellende’, die duidelijk maakt dat het gevaarlijk is als stedenbouwers en architecten naar volmaaktheid streven. Voor alle duidelijkheid: Hoexums pleidooi is niet gericht tegen het ontwerpen an sich – stedenbouwers zijn verantwoordelijk voor zorgvuldig opgebouwde wijken en architecten voor goede woningen en dat alles kun je volgens hem zeker niet overlaten aan bottom-up initiatieven – maar wel tegen de mallen waarin ze ons te vaak willen persen.

Hoofddorp. Foto Theo Baart
Hoofddorp. Foto Theo Baart

Het aanstekelijkste van Hoexums boek is dat hij weigert een boze man aan de zijlijn te worden die de wereld nog eenmaal waarschuwt. Uiteindelijk vindt het gewone leven zijn loop, het alledaagse ontstaat altijd, zelfs als architecten en stedenbouwers zich te buiten gaan aan malle fratsen. Hoexum roept dan ook op om je te blijven verwonderen over het alledaagse en over de vitaliteit van mensen, want ‘wonen gaat misschien wel het beste tegen de klippen op.’

Als aansporing om niets als te saai of monotoon terzijde te schuiven, zet hij in het laatste hoofdstuk de tips uit een suffe gids tegen heimwee op zijn kop. De ‘thuistoerist’ moet – of hij nu in een buitenwijk woont of midden in de stad – juist proberen om heimwee en vervreemding op te wekken om zijn eigen omgeving met nieuwe ogen op te nemen. Bijvoorbeeld door zonder boodschappenlijstje naar de supermarkt te gaan en te kijken wat al die mensen eigenlijk in hun karretjes laden. Of door eens te gaan eten bij het restaurant pal om de hoek, die Chinees of friettent die je altijd zonder een blik waardig te keuren voorbij loopt. Doen!