Feature —

La Residencia de Estudiantes in Madrid – 1

Sergio Martín Blas

De Residencia is een met populieren bezaaide acropolis waar de heer en mevrouw Jiménez een studiecentrum, een school vol solidariteit, ondernemingslust en werkelijke deugdzaamheid hebben geschapen. Het is net een klooster – vreedzaam en voldaan – wat een geluk voor de studenten. (Le Corbusier, 1928). Deel 1 over deze bijzondere studentenhuisvesting in Madrid en haar roemruchte bewoners.

Residencia de Estudiantes circa 1920. Bron Archivo Espasa Calpe, Madrid.
Residencia de Estudiantes circa 1920. Bron Archivo Espasa Calpe, Madrid.

Het is niet zo vreemd dat Corbu nadrukkelijk de kloosterlijke kwaliteiten prijst, die worden toegeschreven aan het welbekende Engelse college-model, van het tussen 1913 en 1918 in Madrid gebouwde studentenverblijf Residencia de Estudiantes. Het was niet voor niets dat de bevlogen eerste directeur van de Residencia, Alberto Jiménez Fraud zich in Engeland had opgehouden om daar tussen 1907 en 1909 het onderwijsmodel te bestuderen en dat één van de docenten, Alfonso Reyes, het nieuwe complex later ‘Oxford en Cambridge in Madrid’ zou noemen.(1) Maar in dit geval kunnen schijn, en ook uitspraken, bedrieglijk zijn. Hoewel de Residencia de Estudiantes, naar een idee van architect Antonio Flórez Urdapilleta en later voltooid door Francisco Javier Luque, overeenkomsten vertoont met de Engelse colleges, belichaamt de instelling ook een groot aantal eigenschappen, dat daar radicaal van afwijkt.(2)

Om te beginnen is de pedagogische benadering anders. Bij de Institución Libre de Enseñanza (3) (ILE, Onafhankelijk Onderwijsinstituut ) die het project had geïnitieerd, werd directe en persoonlijke levenservaring als de belangrijkste bron van kennis beschouwd, en ‘architectonische insluiting’ als een tijdelijke, minder belangrijke fase in het leerproces. In een tekst over het programma van de ILE werden er geen doekjes om gewonden en werd gesteld dat de pedagogische functie van gesloten kamers ‘analoog is aan (die van) de studeerkamer van de astronoom, de ingenieur, de archeoloog, de historicus, de politicus of de architect: de meeste gegevens worden niet dáár verzameld, maar buiten, in het museum, staand voor een monument, in de maatschappij, in de archieven … Kortom, midden in de open, gevarieerde en onuitputtelijke werkelijkheid … Het leven is ieders eerste school en elke instelling die zo’n verheven naam draagt, moet binnen haar beperkingen zo dicht mogelijk bij het leven staan’.(4)

Flórez’ ontwerp voor de Residencia de Estudiantes kan in verband worden gebracht met deze ‘realistische’ benadering. In feite was ze met haar open lay-out met afzonderlijke paviljoens en haar prominente ligging op een heuvel ten noordoosten van het stadscentrum meer een soort uitkijkpost en thuisbasis voor werkelijkheidsvorsing dan een omsloten acropolis of klooster. Bovendien combineerde Flórez vroegmoderne, aan het rationalisme en het hygiënisme gerelateerde principes met de feitelijke technische en materiële mogelijkheden van zijn plaats en tijd, en meer specifiek met de levende traditie van de populaire baksteen- en houtarchitectuur.(5)

Salvador Dalí, Moreno Villa, Luis Buñuel, García Lorca en Jose Antonio Rubio Sacristán, Madrid, 1926
Salvador Dalí, Moreno Villa, Luis Buñuel, García Lorca en Jose Antonio Rubio Sacristán, Madrid, 1926

Het realisme van de Residencia en, meer in het algemeen, het feit dat Flórez afstand nam van het utopisch avant-gardisme dat de jaren daarna in de architectuurwereld doordrong, vormt een gedeeltelijke verklaring voor de dubbelzinnige en vaak vergeten plaats die het werk van Flórez inneemt in de Spaanse architectuurgeschiedenis. Zowel Flórez – die aanvankelijk werd beschouwd als een pionier van het modernisme, maar later door orthodoxe modernisten in de ban werd gedaan vanwege het gebruik van een traditionele beeldtaal en materialen (6) – als de Residencia wordt tegenwoordig gewaardeerd als een onderdeel van wat Manuel de Solà-Morales ‘een andere moderne traditie’ heeft genoemd.(7) In Madrid wordt dit verbonden met het rationele begrip en het doorlopend opnieuw bewerken van traditionele typologieën, bouwtechnieken en materialen, zoals baksteenmetselwerk. In deze zin loopt Flórez' invloed door tot op heden: via toonaangevende ontwerpers als Zuazo of Francisco Cabrero, tot de Madrileense woningbouwarchitectuur in baksteen uit de jaren 1980 of het werk van Rafael Moneo aan de Paseo de la Castellana.

Maar ondanks deze opmerkelijke positie zou een historische bezinning op de Residencia als studentenhuisvestingsarchitectuur zinloos zijn, zonder daarbij rekening te houden met de mythische status van het gebouw, die zijn architectonische status ver overstijgt. Hier vonden gedurende de jaren 1910 en 1920 de belangrijkste bijeenkomsten over de internationale avant-gardistische tendensen in de wetenschappen en de kunsten plaats: Einstein, Marie Curie, Keynes, Stravinsky, Le Corbusier, Van Doesburg en vele anderen gaven lezingen in haar auditorium. Hier ontwikkelden drie Spaanse Nobelprijswinnaars – Ramón y Cajal, Juan Ramón Jiménez en Severo Ochoa – hun werk, hier zetten filosofen als Ortega y Gasset en Unamuno hun theorieën uiteen en hier vonden vele latere beroemdheden uit de wetenschap, de kunsten, de politiek, enz. onderdak tijdens hun vorming en opleiding.

Onder de vele, aan de geschiedenis van de Residencia verbonden mythische gebeurtenissen en prestaties is de meeste roem en media-aandacht ongetwijfeld gegaan naar de katalyserende ontmoeting van drie universele genieën van de contemporaine kunst, vooral met betrekking tot de complexe ontwikkeling van het surrealisme: Luis Buñuel, Federico García Lorca en Salvador Dalí.(8) Zij woonden en studeerden tussen 1917 en 1926 in de Residencia. Met elkaar en op die plek ontstond een perfect klankbord voor de basis voor hun opstand tegen de rationele objectiviteit en het realisme, kwesties die Flórez’ eigen architectuur op een dubbelzinnige manier vertegenwoordigde. Deze mythische ontmoeting heeft niet alleen de veel bredere culturele betekenis van de Residencia overschaduwd, maar heeft er ook toe bijgedragen dat de rol van het gebouw in de architectuurgeschiedenis zo obscuur bleef.

Locatie en lay-out circa 1930, Bron Gerencia Municipal de Urbanismo, Ayuntamiento de Madrid
Locatie en lay-out circa 1930, Bron Gerencia Municipal de Urbanismo, Ayuntamiento de Madrid

Dit essay is een poging om de kloof te overbruggen tussen de mythe en de plaats van de Madrileense Residencia de Estudiantes: tussen de buitengewone ontmoeting van Buñuel, Lorca en Dalí, en de architectuur van hun gemeenschappelijke studentenverblijf. Het belangrijkste doel van dit essay is niet zozeer de historische rehabilitatie van Flórez of zijn Residencia, maar eerder om op grond van dit bijzondere en mythische geval te komen tot een meer algemeen begrip van zowel de implicaties van de architectuur van studentenhuisvesting, als van de hedendaagse betekenis ervan.

Voorafgaand aan de bouw van de Residencia de Estudiantes werden studenten die door de Madrileense academies en scholen waren aangetrokken en uit heel Spanje naar de stad kwamen, ondergebracht in casas de huespedes of pensiones: stadspensions die vaak niet méér waren dan oppervlakkig aangepaste speculatieve woningtypen. Tegen het einde van de negentiende eeuw had dit type studentenhuisvesting een onweerlegbaar slechte reputatie verworven. Krappe, donkere kamers, uitkomend op minuscule binnenplaatsjes die een extreem dicht stadsweefsel doorboorden, smerige voorzieningen, slecht en schaars voedsel verschaft door hebzuchtige verhuurders, te veel afleiding en ongewenste ontmoetingen – uit deze elementen kwam een druilerig beeld naar voren dat hardnekkig bleef opduiken in de Spaanse literatuur, van zestiende-eeuwse schelmenromans (9) tot het succesvolle La casa de la Troya uit 1915, waarin een weliswaar vriendelijker, maar niet minder zorgwekkend portret werd geschetst.(10)

De conceptie en geboorte van de Residencia de Estudiantes in Madrid moet worden begrepen als een reactie op deze situatie. De initiërende partij, de eerder genoemde ILE, was een pedagogische organisatie die wortels had in het negentiende-eeuwse liberalisme, secularisatie voorstond en de hygiënistische ideeën van de vroege tuinstadbeweging had geassimileerd  ̶  Madrid beschikte over een van de meest opmerkelijke en baanbrekende voorbeelden van een tuinstad, namelijk de lineaire stad van Arturo Soria. In overeenstemming met deze achtergrond eiste het instituut een gebouw op een plek waar de studenten in nauw contact konden staan met de natuur en haar fundamentele gaven (lucht, licht, groen), ver van de drukte van het stadscentrum. Op enige afstand van de beginnende metropool waarin Madrid in rap tempo aan het veranderen was, vond men een geschikt, tijdelijk onderkomen in een bestaand herenhuis dicht bij de Paseo de la Castellana, in de Calle de Fortuny: een grote vrijstaande villa in een tuin. Deze eerste Residencia de Estudiantes opende haar deuren in 1910 en zoals de oprichters toegaven werd voor het woord residencia gekozen om associaties met de historische term colegio en de bijbehorende kloosterlijke precedenten te vermijden. De villa bleek al snel te klein voor de toenemende vraag en binnen enkele jaren lagen er plannen voor een nieuwe en ambitieuzere Residencia, deze keer als onderdeel van een zuiver stedenbouwkundig en architectonisch project.

http://youtu.be/371P8O3hf_8

Un chien andalou (1929), Luis Buñuel
De door Buñuel en Dali gemaakte film Un chien Andalou (1929) is grotendeels geïnspireerd op de Madrileense periode van de beide kunstenaars. Opvallend is de verschijning van de twee monniken (twee piano’s en dode apen), de ‘snijdende windveer’ in de openingsscène en de verscheidene surrealistische nevenschikkingen in de film. Later loochende Buñuel Unamuno’s idee dat de volkstraditie een bron van vooruitgang zou kunnen zijn in Las Hurdes (1933), en gebruikte hij het concept van de  kloosterlijke retraite in films als Simón del Desierto (1965).