Column —

Tijdgewijze misverstanden

Ed van Hinte

Het zit me al lang dwars: vormgevers, architecten en niet te vergeten curatoren gaan uit van een directe samenhang tussen uiterlijk of stijl en hoe lang iets cultureel meegaat. De aannames daarachter zijn hoogstens gammel. Bij een discussie over het werk van Marcel Wanders in Het Stedelijk Museum kwam het begrip visuele duurzaamheid weer eens bovendrijven.

De badeend van Florentijn Hofman in Pittsburg (VS). Foto Clio1789
De badeend van Florentijn Hofman in Pittsburg (VS). Foto Clio1789

Handen bij de knoppen? Dan komt hier de quizvraag. Waar of niet waar: de reuzenbadeend van Florentijn Hofman is visueel duurzamer dan de Eiffeltoren. Hm. De kandidaten zijn het niet eens. Het was natuurlijk ook een strikvraag, want visuele duurzaamheid is een dwaalbegrip. Iedereen stelt zich er iets anders bij voor. Het is niet in staat iets zinnigs te betekenen.
De term visuele duurzaamheid steekt geregeld de kop op in discussies over de kwaliteit van het werk van deze of gene: ontwerper A is goed, want zijn objecten zijn goed verzorgd en beschikken daarnaast in ruime mate over visuele duurzaamheid. Daarvan raak ik in de war, want het is niet duidelijk wat dat dan is, en of er dan ook vuistregels bestaan die onmiskenbaar tot visuele duurzaamheid leiden als je ze toepast.

Ik heb wel een vermoeden van de betekenis. Twee mogelijke duidingen kan ik me voorstellen, allebei even ongrijpbaar. Ze komen in eerste instantie voort uit de dubbelzinnigheid van duurzaam, want dit betekent voor een product of gebouw: A onze kinderen zullen er niet onder lijden, of B het gaat lang mee. Interpretatie A, is herkenbaar aan haar duurzame uitstraling. Maar of iets al dan niet een last vormt voor het leven van komende generaties, kun je er stomweg niet direct aan zien, behalve dan misschien dat elk object als zodanig verdacht is. Want alles wat je produceert belast strikt genomen de toekomst. Toegegeven, er zijn wel tekenen. Zuinige LED lampen zien er anders uit dan gloeilampen, geven ander licht en gaan veel langer mee. Maar het effect hiervan op duurzaamheid is dan weer dubieus, vanwege het zogenoemde reboundeffect. Dat is het verschijnsel dat besparingen in geld ten gevolge van een technische verbetering – goedkoper licht in dit geval – direct worden omgezet in meer consumptie, meer lampen vaak zelfs, die het milieuvoordeel tenietdoen. Consumptiegroei is het meest weerbarstige klimaatprobleem.

De badeend van Florentijn Hofman in Hong Kong. Foto Jaume Escofet
De badeend van Florentijn Hofman in Hong Kong. Foto Jaume Escofet

Duurzaamheid is dan ook te ingewikkeld om direct herkenbaar te zijn. Die duurzame uitstraling is daarom altijd te herleiden tot zichtbare groene clichés: gebruik van verantwoord hout, de suggestie van degelijk ambacht, eventueel zichtbaar hergebruik en zonnepanelen: kortom de clichés van verantwoorde consumptie. Er is een Duits postorderbedrijf, Manufactum, dat zulke spullen verkoopt. Duurzame cadeaus zijn ook verkrijgbaar. Er zijn winkels die dat op de pui hebben staan. Duurzame uitstraling suggereert veel meer dan het zegt.
Waarschijnlijker lijkt me dat visuele duurzaamheid zou duiden op de expressie van onvergankelijkheid: het ontwerp zal visueel langdurig overeind blijven en daarom lang meegaan en daardoor het milieu ontzien. Daar dendert opnieuw die dubbelzinnigheid binnen, want een object waarvan het beeld lang op het netvlies blijft hangen hoeft helemaal niet naar een schone en leefbare toekomst voor de mensheid te verwijzen, denk maar aan het CCTV- icoon van Koolhaas, of een Hummer, of de Boeing 747, of de voetbal. Ze zijn, net als talloze andere objecten, als beeld overbekend, maar dat zegt niets over hun duurzaamheid of wat dan ook. Het is kortom niet mogelijk de kenmerken van beklijvende beelden netjes te isoleren en te groeperen om ze ter wereldverbetering te kunnen toepassen.

De waarschijnlijk bedoelde betekenis van visuele duurzaamheid bengelt tussen interpretatie A en interpretatie B in. Visueel duurzaam zou voor een object moeten betekenen dat de verschijningsvorm, volgens bepaalde aangenomen professionele criteria, niet kapot kan, dat het daarom lang meegaat (hopelijk ook van binnen), en dat dit dan weer de ecoschade beperkt.
Het begrip is dan verwant aan het aloude tijdloos, dat van oorsprong niets te maken heeft met milieubelasting, want die is nog niet zo lang geleden ontdekt. Dit woordje suggereert een onder ontwerpers geprefereerde belangrijke stilistische kwaliteit. Het is geboren uit overschatting van beeld en door scholing ingegeven conventionele opvattingen daarover. Of liever andersom het stoelt op verwaarlozing van het belang van andere zintuiglijke eigenschappen. Op zich is dat niet onbegrijpelijk, want wat je ziet dringt in al zijn oppervlakkigheid, het snelst door tot je bewustzijn, maar jammer is het wel dat in de ontwerpwereld kwaliteit zo nadrukkelijk op uiterlijke vorm wordt betrokken.
Natuurlijk trekt tijdloos, als professioneel door ontwerpers en architecten gebezigd bijvoeglijk naamwoord, op zeker moment de wijde wereld in. Het zwerft rond en belandt in andermans jargon. Daar krijgt het werk als een luxueuze versie van cool. Vooral horloges worden in glossy’s opvallend vaak aangeprezen om hun tijdloze design.

De badeend van Florentijn Hofman in Sidney. Foto Halans
De badeend van Florentijn Hofman in Sidney. Foto Halans

Tijdloos is een begrip, waarover ik me sinds jaar en dag verbaas. Het is van oorsprong een kwalificatie voor verantwoorde vormgeving die sober is en geometrisch en niet aan mode gebonden en die altijd mooi hoort te worden gevonden. Tijdloosheid kenmerkt de stijl waarvan beoefenaren en fans vinden dat hij stijl ontstijgt. Tijdloos is beter dan de rest. Wat de adepten tijdloos vinden, noemen anderen meestal gewoon modern.

Het eigenaardige van dit idee van een perfecte eeuwigdurende stijl is dat het aan alle kanten wordt ingehaald door radicaal verschillende tegenvoorbeelden van objecten die het allang heel goed doen, ondanks hun totale gebrek aan tijdloosheid. Fiat 500, Taj Mahal, Gouden Koets, Thonet stoel, Amsterdamse School, pollepel, Chinese Muur, Superman, Victorinox zakmes, de eerste Apple Macintosh: het zijn maar een paar voorbeelden om aan te geven dat voor het idee van tijdloosheid meer nodig is dan een bepaald vormidioom dat, om het ingewikkelder te maken, decennia lang als eigentijds wordt bestempeld.
Het lijkt mij dat alles wat zich in een zeker nu afspeelt in die periode per definitie eigentijds is. Houvast levert het woord tijdloos niet op. Het is geen algemeen bruikbaar criterium voor stijl en functioneert vooral als professionele conventie.

Onder architecten kom je soms nog verdergaande implicaties tegen van het idee van tijdloos, waarbij de geschiedenis bijkans opnieuw wordt gedefinieerd: stijlrevisionisme. Al jaren steekt geregeld de discussie de kop op over de architectonische kwaliteit van woonwijken die zijn opgetrokken met kenmerken van vroeger, tientallen jaren tot eeuwen geleden. “Dat is retro”, heet het dan laatdunkend, in tegenstelling tot wat tijdloos en derhalve modern en eigentijds zou zijn. En dan gaan we met visuele duurzaamheid natuurlijk helemaal de mist in. Als namelijk de zogeheten retrostijlen uit het vet worden gehaald ten koste van wat eigentijds zou zijn, dan betekent dit misschien wel dat ze het visueel beter kunnen bolwerken in de tijd, dan hun tijdloze duurzaamheidsconcurrenten. Het zijn verwarrende tijden.