Recensie —

Les tours de Bastin – Bouwmeester in Oorlogstijd

Martin van Schaik

Budgetten gekort, medewerkers op straat, statuten op de schop of functie geschrapt: voor bouwmeesters in België zijn het bange dagen. Na de feitelijke streep door het Vlaamse Bouwmeesterschap en het botte ontslag van Kristiaan Borret in Antwerpen is er nu nog welgeteld één over: in Brussel, waar Olivier Bastin – de eerste ‘Bouwmeester-Maître Architecte’ van het hoofdstedelijk gewest – dezer dagen afscheid neemt en zijn opvolger (m/v?) in de startblokken staat. Bastin blikte terug op zijn vijf jaar in het ambt met een gewaagde expositie in een spectaculaire setting.

bMa – Man of Thoughts in BNP.

Op het zebrapad tussen Ravensteingalerij en Paleis voor Schone Kunsten, met de blik gericht op het monumentale bankgebouw van BNP Paribas Fortis, is het duidelijk: hier gebeurt het. Aan één zijde, in de galerij, huist – hoe lang nog? – de Vlaamse Bouwmeester; in het Paleis trekken jaar in jaar uit de groten van de architectonische aarde in afgeladen zalen voorbij; en voor zijn afscheidsfeestje heeft bMa Olivier Bastin (de afkorting: een hommage aan stamvader bOb?) het voormalige hoofdkwartier van de wijlen Generale Bank uitverkoren. De plaats van de expo is, zoals de internetsite van de bouwmeester graag beklemtoont, symbolisch en betekenisvol: het enorme gebouw uit de vroege jaren ’70 wordt kort na sluiting van de expositie van asbest ontdaan en in etappes gesloopt om plaats te maken voor een nieuwbouw – de vrucht van een wedstrijd die, op uitnodiging van de bank, begin 2013 door de bMa werd opgezet en begeleid.

De titel van de tentoonstelling die de Bouwmeester en zijn team hebben samengesteld ligt wat zwaar op de maag: bMa, man of thoughts. De expo zelf, daarentegen, is van een opmerkelijke luchtigheid, een soort pop-up: amper twee weken was zij te bezien, het kastje is inmiddels dicht en de bouwwerf begonnen. Voor wie het gemist heeft biedt de tentoonstellingscatalogus een beetje soelaas. De setting voor de expo is letterlijk het hart van het gebouw: de centrale bankhal met loketten met aanpalend de voormalige ‘kofferzaal’ – de ruimte met kluizen –, beide ingericht door de legendarische meubelmaker Jules Wabbes. De tentoonstelling van de bMa bood zo ook een aanleiding om deze twee schitterende, al lange tijd niet meer toegankelijke ruimtes aan het grote publiek te tonen.

Wunderzimmer in Bozar

Voor een beter begrip moeten we twee jaar terug, naar eind 2012, het moment dat het Paleis voor Schone Kunsten (BOZAR) een overzichtstentoonstelling van het werk van Wabbes (zie o.m. ArchiNed-recensie van 17.12.2012) op poten zet; de grote publieke belangstelling en media-aandacht voor het werk van de ontwerper, in het kielzog van deze show, brengt een opmerkelijke wending teweeg in het denken van BNP Paribas met betrekking tot hun Wabbes-ruimtes. De bank – tot op dat moment strak op koers om haar waardevolle interieurs samen met de hoofdzetel met de grond gelijk te maken – komt tot plotse inkeer; al snel wordt overgegaan tot een indrukwekkend plan van aanpak. De bMa wordt geëngageerd om een besloten wedstrijd te organiseren waarbij het behoud van Wabbes ‘kofferzaal’ in het nieuwe hoofdkantoor voorop staat; een inventaris van de waardevolle binneninrichting wordt opgemaakt door het collectief Rotor, dat ook mag optreden als materialenboer om de niet te hergebruiken onderdelen van het gebouw aan een nieuwe bestemming elders te helpen.

Zo kleurt de hele expo – door de setting alleen al – een beetje Wabbes: een vrolijke dialoog die, op het eerste gezicht, getuigt van grote euforie over wat er allemaal uit de spreekwoordelijke brand is gesleept. Met trots richten de tentoonstellingsontwerpers (Joeri de Bruyn en Ward Verbakel) een ‘Wabbeskamer’ in, waarbij ze zich creatief bedienen van nederig, dik bordkarton, zoals ook voor alle overige scheidingswanden, tentoonstellingspanelen, zitjes en sokkels. De oude bankloketten in edel tropisch hardhout worden omgetoverd tot kijkkastjes (biechtstoelen?) vol geprojecteerde interviews met beleidsmakers, opdrachtgevers, architecten, Vlaams collega-Bouwmeester Peter Swinnen en andere fellow travellers, die elk op hun eigen wijze een antwoord lijken te formuleren op de vraag: vijf jaar bMa, is de balans positief?

bMa – Man of Thoughts in BNP.

Het grappigste en tegelijk meest intieme moment vormt het ‘Wunderzimmer’, het rariteitenkabinet van de Brusselse bouwmeester. De tentoongestelde objecten vertellen een persoonlijk, haast sentimenteel verhaal van de vijf jaar die de bMa met zijn kleine en dappere team doorleefde: van Bastins vouwfiets, de ‘gouden’ toegangsbadges die de medewerkers voor zichzelf fabriceerden om zich, met een dikke knipoog, te onderscheiden van de andere medewerkers in de kantoorkolossen van de Brusselse administratie tot aan een melige 1-aprilgrap in briefvorm. De plechtige vormgeving van de kartonnen ruimte is een kostelijke omkering van de poenerige sacraliteit van Wabbes’ kofferzaal om de hoek en vat de stijl van Bastin volmaakt samen: charmant, guitig, spontaan. Het lijkt dan alsof de rest er bijna niet toe doet: een grote berg maquettes van projecten die door de bMa werden begeleid (zo vermoed je; naar de naam van de ontwerpers blijft het bij gebrek aan toelichting gissen) is haast nonchalant in de ruimte gedumpt; een fraaie maar nogal gratuïete portrettenserie hangt verspreid; een projectie in een hoek toont een dwarsdoorsnede van de ca. 200 projecten die onder Bastins hoede een impuls kregen: wedstrijden, studies, masterplannen, enzomeer. Allicht ten overvloede: elk onderdeel van het bijna ondraaglijk lichte allegaartje kan – geheel in character – braaf gerecycled of verhuisd worden. Het Wunderzimmer is, naar verluidt, intussen al weer opgedoken bij de buren in BOZAR.

Tot zover het evidente. Meer nog dan om wat zij toont is de tentoonstelling interessant om wat ze verhult. Ook de vraag naar het waarom is intrigerend. Welnu: de elephant in the room is het ontwerp voor de BNP-bank zelf.

Maquette wedstrijdontwerp hoofdzetel BNP Paribas Fortis, Baumschlager-Eberle, 2013-2014.

In de tentoonstelling staat een lange tafel – wederom uit bordkarton – waarop een ‘timeline’ is geplakt. Langs deze vector, beginnende in 2008, liggen diverse voorstudies, haalbaarheidsonderzoeken en programmaformuleringen uitgestald en – ergens tegen eind 2012, direct naast een postertje van de Wabbes-tentoonstelling in BOZAR – de eerste tekenen van de betrokkenheid van de Bouwmeester bij het planproces. Zo leren we dat de door hem opgezette wedstrijd tussen zeven kandidaten ging, met twee kanshebbers in een tweede ronde. Maar dan wordt de informatie plots bijzonder schaars. Van de verschillende wedstrijdontwerpen is niets te zien – opmerkelijk, gezien dit toch de crux van de ‘interventie’ (sic) van de bouwmeester is; er prijkt enkel een bundel van de winnaars Baumschlager-Eberle en een kleine, gelikte maquette van hun gebouw onder een plexiglazen stolp. Is iemand soms vergeten iets neer te leggen?

Het blijkt van niet. Bij de bMa houden ze de lippen stijf op elkaar en verwijzen naar de bank; deze wederom “wenst niet in te gaan op de vraag naar meer info over de verschillende wedstrijdprojecten. Van belang, en ook uitvoerig in de expo aan bod gekomen, is dat er onder begeleiding van de bouwmeester O. Bastin een degelijke wedstrijdprocedure is uitgerold, welke een kwaliteitsvol laureaatsproject heeft voortgebracht”. Een wat bevreemdende reactie, want voor impressies – zelfs hele presentaties – van de prijsvraagontwerpen volstaat een zoekmachine: zo zijn zonder al te veel problemen de ontwerpen van o.m. Art & Build, Philippe Samyn, ELD / Schmidt Hammer Lassen, SCAU Architectes en Sauerbruch Hutton te bekijken. Het ontwerp van Dominique Perrault daarentegen – dat samen met dat van Baumschlager de finaleronde haalde – wordt angstvallig buiten de schijnwerpers gehouden. Op het bureau van de architect in Parijs wordt de telefoon nogal zenuwachtig beantwoord en wordt er evenmin over de uitslag gecommuniceerd; wel was men bereid over de uitgangspunten van het eigen wedstrijdontwerp een en ander te bevestigen.

Blik in de wonderkamer: radio uit 1958, naar verluidt naar een ontwerp van Le Corbusier.

Het (nog) bestaande gebouw uit 1971 is een ontwerp van Hugo van Kuyck, een rasmodernist die in Brussel o.m. het Administratief Centrum ontwierp (deels verminkt) en in Antwerpen de Luchtbaltorens (elke Nederlander bekend van op de snelweg): geen grootmeester, wel een goede ontwerper. Eerste reflex is om het gebouw af te doen als een gemene bunker: het complex bestaat uit twee, pseudo-Miesiaanse, zwarte stalen volumes op een zware, plastische betonnen sokkel. Met deze volumetrie bemiddelt het op redelijk vanzelfsprekende wijze tussen de boven-en benedenstad van Brussel, door met zijn plint het maaiveld van het Warandepark naast het koninklijk Paleis te verlengen. Hierin volgt het de opzet (ooit opgelegd om het uitzicht van de vorst te vrijwaren) van het Paleis voor Schone Kunsten (van Victor Horta – ook geen prutser).

Over het winnende ontwerp van Baumschlager-Eberle is op andere plekken al veel geschreven. Het vervangt het topologisch gelaagde ontwerp van Van Kuyck door een groot, hoogverdicht stadsblok: een rooilijnextrusie met nogal smalle, diepe patio’s en buitengevels met verticale ribben in wit geprefabriceerd beton. Het gebouw is een enorme gestreepte kolos, die zich aan de zijde van Horta’s Bozar enkele frivoliteiten permitteert maar verder weinig doet om zijn enorme schaal te cacheren.
Het ontwerp van Perrault gaat daarentegen uit van een verregaand behoud van het gebouw van Van Kuyck en verbetert het waar het het meest wringt. De massieve sokkel wordt verbouwd en komt tot leven; tussen de twee zwarte torens wordt, onder het niveau van de straat en verweven met de herboren sokkel, één enkele monumentale, lichte patio gebouwd, waarmee in de nodige extra gevellengte voor de kantoren kan voorzien worden. Over de architectonische uitwerking van dit idee valt met het vigerende Bilderverbot niet zoveel te melden, maar ik moet bekennen dat ik begin te watertanden bij de gedachte aan wat een architect als Perrault met een gebouw als de oude Generale Bank zou hebben willen aanvangen.

Tijdlijn in BNP

De houding van BNP Paribas in dezen is begrijpelijk: als sloop het uitgangspunt was – en blijkens het ‘voortraject’ op de ‘tijdslijn’ was dat het geval – zet het ontwerp van de Parijzenaar alles op de helling. Er is vernomen dat de bank zijn medewerkers niet “in een put” wilde onderbrengen, en dat het ontwerp van Perrault niet “het meest praktische” was. En laten we niet vergeten: het betreft een private opdracht. De bouwheer bepaalt. Maar gaandeweg wordt daarmee ook de positie van Bastin steeds bevreemdender. Mooi, ook, dat de interieurs van de bank worden ‘gerecycled’, maar is dit niet een geval van operatie geslaagd, patiënt overleden?

Brussel heeft, zoals bekend, een opmerkelijke staat van dienst als het gaat om het achteloos om zeep helpen van uniek architecturaal erfgoed. Het Volkshuis (een van de vele Horta’s die verdwenen zijn), Centre Rogier (Tour Martini), Lottotoren, het verminkte Berlaymont van de Europese Commissie, de Zuidtoren, de Madou, binnenkort de Astro-toren: de lijst slachtoffers van geld, kortetermijndenken en willekeur is bijzonder lang. Waarom zwijgt Bastin, zelf een geëngageerd ‘modernist’ en lange tijd nauw betrokken bij initiatieven die opkwamen voor het behoud van zo kwetsbare naoorlogse Brusselse parels?

Gebouw van de voormalige Generale Bank, nu BNP Paribas Fortis.

De naoorlogse torens van Brussel zijn emblematisch voor de gestoorde verhouding van de stad met zichzelf: de transformatie van het gebouw van de BNP – in plaats van afbraak – zou een keerpunt hebben betekend in de omgang met dit weerbarstige maar unieke erfgoed. Aan de torens van de BNP heeft Bastin allicht zijn vingers lelijk verbrand; veel zekerder nog is dat Brussel een volstrekt unieke kans heeft gemist. Jammer.

Zo verandert ook de blik op de tentoonstelling. Het perspectief kantelt. Wat een spannende kleine guerrilla leek die was neergestreken in het hart van de bank –occupy! – toont een ander gezicht. De luchtige, schijnbaar geïmproviseerde architectuurkaravaan blijkt een strak georkestreerde grote goed-nieuws-show met doofpot en rookgordijnen. Alles onder controle – circulez, y’a rien à voir! Een expo als een grote vlucht naar voren.

Ook de keuze van de tentoongestelde projecten op de expositie en in de catalogus verbaast plots. De grijze middelmaat overheerst, en van de weinige echt overtuigende wedstrijden wordt haast niets getoond (BNP repeated). Over Bastins eerder geventileerde frustraties en nederlagen (de onbevredigende uitkomst van de wedstrijd voor de Wetstraat, het gestrande herontwerp van het Schumanplein door Xaveer de Geyter) hoor je, eveneens, volstrekt niets.

Impressie wedstrijdontwerp hoofdzetel BNP Paribas Fortis, Baumschlager-Eberle, 2013-2014.

De show in de bank is, inderdaad, zeer symbolisch: een onthullende metafoor, een verslag van een feitelijke nederlaag. Een bouwmeester bouwt niet, zo weten we al van bOb van Reeth – hij wordt gedoogd. De hofnar mag aan tafel aanschuiven, de luis in de pels houdt de hond niet uit zijn slaap.

Bastin schetst een ontluisterend zelfportret van een strijdvaardige, welwillende maar kwetsbare bouwmeester in oorlogstijd: machteloos laverend, rekkend en erbij blijvend, pappend en vertwijfeld nathoudend. Een gijzelaar van zijn goede intenties. De bouwmeester is erin geslaagd de schijnwerpers te richten op zijn schier onmogelijke taak: in Brussel lukt eigenlijk nog steeds zeer weinig. Het is wachten op de vrede. En op Bastins opvolger.