Recensie —

Smart Cities: zegen of vloek?

Paul van den Bergh

Smart Cities, het klinkt zo mooi, fris, veelbelovend, zoiets als ‘het nieuwe werken’. Het is een feest, je kan er gewoon niet op tegen zijn. Maar donkere wolken hangen dreigend in de lucht. Paul van den Bergh las Smart Cities: Big data, civic hackers, and the quest for a new utopia van Anthony M. Townsend.

Afbeelding afkomstig van  The Agile Landscape
Afbeelding afkomstig van The Agile Landscape

“We thought the Internet was about transcending the globe, and then it took a hyperlocal turn and became about swapping reviews of restaurants and getting free coupons for the local shop. We thought it would isolate social groups, and then it connected us all into one big network. We thought it was about staying home and looking at physics papers or LOLcats, and then in just a few years it powered over a million meatspace meetups
 
Anthony Townsend, adviseur bij het in Silicon Valley gevestigde Institute for the Future, is verscheurd tussen het bottom-up en top-down. Zo ernstig zelfs dat hij niet kan kiezen en om uitstel pleit wanneer hij zijn visie voor de toekomst van de stad zou moeten geven. Niet een visie op reguliere stadsontwikkeling, maar op de ontwikkeling van Smart Cities.
Wat Smart Cities precies zijn, waar we heen zouden moeten of kunnen, weet de auteur in 323 pagina’s niet precies vatten. Hij schrijft dan ook: “what do you want a smart city to be?” Smart Cities: Big data, civic hackers, and the quest for a new utopia behandelt enkele onderwerpen ontzettend uitgebreid, maar laat cruciale smart-city ontwikkelingen buiten beschouwing.

Een precieze definitie voor Smart City zou ik zelf ook niet kunnen geven, maar er komen wel een aantal concepten en ideeën boven waaruit een Smart City uit zou moeten bestaan. Onder andere, maar niet exclusief: optimalisatie van de stromen van de stad; het openstellen (open-sourcen) van verschillende (overheids)instanties; het verbinden van bewoners met gelijkgestemden, bedrijven en instanties, maar zeker ook het ontwikkelen en uitbreiden van de mogelijkheden waarmee de burgers stad kunnen maken. Wie dit precies moet doen is voor Townsend een groot probleem. Overheden zijn vaak te log, bedrijven kunnen twijfelachtige beweegredenen hebben en individuen hebben vaak niet genoeg gewicht om hun innovaties en ideeën tot wasdom te brengen.

Afbeelding afkomstig van Tech&Security
Afbeelding afkomstig van Tech&Security

Townsend behandelt de deelonderwerpen van het boek Smart Cities met grote precisie en laat binnen de verschillende hoofdstukken niets onbehandeld. Hij start met een geschiedschrijving van grote innovaties met hun invloeden op de stad: Crystal Palace als één van de eerste Smart Buildings; het onbehaaglijke Smart City Songdo in Zuid-Korea ontworpen rondom RFID-chips; de auto in relatie tot urban sprawl; de telegraaf, het spoornetwerk, en de groeispurt van het transport.
De strijd tussen de ideeën van Jane Jacobs, Patrick Geddes en Ebenezer Howard wordt kort behandeld en beslecht in het voordeel van Geddes en Jacobs, waarna in volgende hoofdstukken bij veel huidige ontwikkelingen wordt gerefereerd naar de ideeën van Geddes: het natuurlijke groeimodel en de noodzaak van totale participatie. Vervolgens wordt de vraag gesteld of je ooit een gehele stad in een computer model kan stoppen, of je dat moet willen en of de theorie (het model) niet altijd achter realiteit aan zal lopen.

Het internet staat hierna model voor de manier waarop de Smart City zich zou kunnen ontwikkelen: totale participatie, gedemocratiseerd, bottom-up en vrij. Hieraan worden verschillende apps gekoppeld die voortkomen uit de komst van het internet en die de stad en zijn bewoners met elkaar verbindt. Daarna wordt het stadhuis opnieuw uitgevonden met apps en technologieën die stadsbesturen, ambtenaren en hun burgers kunnen helpen om de stad beter te maken. Tegenover de overheid die apps ontwikkelt staat de grassroots movement die zelfstandig de stad en de samenleving probeert te helpen met apps en platforms. Het boek vervolgt met de gevaren van de digitaliserende wereld met het hoofdstuk Buggy, Brittle and Bugged, met voorbeelden als Chernobyl, de aanslagen van elf september en het Stuxnet virus. Uiteindelijk schrijft Townsend een advies uit voor de ontwikkeling van Smart Cities. Niet over wat deze moeten worden, maar met welke bedenkingen deze moet worden ontwikkeld.

Townsend heeft zichzelf een grote beperking opgelegd door Smart Cities te zien vanuit bestaande, succesvolle en voor eenieder bekende social apps voor smartphones. Waar apps en smartphones volgens mij cruciaal zijn als schakelstuk tussen het digitale en de werkelijkheid, zijn er een aantal voorbeelden te noemen die perfect in het Smart City-denken passen maar die om onverklaarbare redenen in Townsends publicatie ontbreken. Ik noem een Wikihouse, Streetmix, WeBuildHomes, Crowdbuilding, Bitcoin, Global Village Construction Set, etc, maar ook de Snowden affaire had prima behandeld kunnen worden. Smart Cities blijft op het niveau van FourSquare, AirBNB, Meetup en OpenStreetMap. Deze apps zijn zeker interessante ontwikkelingen en hebben zich inmiddels bewezen, maar hebben vooral een sociaal karakter en zijn slechts enkele van vele disruptieve apps en ontwikkelingen van de laatste jaren. Wanneer een platform als Crowdbuilding of Wikihouse volwassen wordt en mensen inderdaad laagdrempelige gereedschappen krijgen om stad te maken, ontstaan er ongekende bewegingen waarvan we enkel kunnen gissen naar hun impact.

Townsend is pleitbezorger voor het actief betrokken houden van de burger uit alle lagen van de bevolking in de (slimme) stad en noemt de Smart City herhaaldelijk gevaarlijk – bepaalde groepen kunnen buiten de boot vallen. Het voorbeeld dat deze angst voedt is het Amerikaanse 311 service nummer van de overheid. Hier kunnen mensen melding maken van allerlei ongemakken: kapotte straatlantaarns, slecht wegdek, geluidsoverlast, etc. Nu blijkt dat bewoners van achterstandswijken veel minder gebruik maken van deze service, waardoor goede wijken beter blijven onderhouden en slechte wijken verder verslechten. Niemand weet waarom deze idiot proof service veel minder wordt gebruikt door de lagere klasse. Townsend pleit daarom dat we vooral voorzichtig moeten zijn met het implementeren van Smart City Hacks, als zelfs een 'smart' service hotline een te hoge drempel heeft voor de laagste klasse.

Afbeelding afkomstig van Fi-ware
Afbeelding afkomstig van Fi-ware

Het boek beschrijft vooral de tweestrijd waarin de schrijver zich bevindt. Wie zou de Smart City moeten ontwikkelen? Bottom-up of top-down? Civic-hackers of IBM? De angst van Townsend voor de grote multinationals vindt zijn oorsprong in de manier waarop zij zelf inzetten op Smart City-technologie. Zij verkopen efficiëntie, veiligheid en bezuiniging. Echter leidt efficiëntie vaak tot rebound consumption, veiligheid wordt bewerkstelligd door surveillance en big data (“Once havens of anonymity, big cities are fast becoming digital fishbowls.”) en bezuiniging gaat vaak gepaard met het wegnemen van het gezicht en menselijke karakter van een bedrijf of instantie. Bovendien leveren bedrijven als Cisco en IBM vooral gesloten systemen waardoor burgers invloed kunnen verliezen (“A far bigger risk is that public officials will accept the advice of these black boxes unquestioningly.”).

De Smart City overlaten aan de civic hackers (grassroots) is ook niet zonder valkuilen. Het gevaar bestaat dat er geen coherent systeem ontstaat, dat projecten worden verlaten en opgegeven nog voor zij een stabiele versie hebben kunnen uitbrengen, of dat er per stad voor hetzelfde probleem een aparte maar vergelijkbare oplossing wordt ontwikkeld. Townsend beargumenteert zijn keuze voor grassroots op Jacobs, Geddes, maar vooral het Internet. Het grootste collectieve project ooit door de mensheid gemaakt, volledig open, zonder dat het in handen is van één bedrijf of overheid. De veerkracht van het internet geroemd; TV en radio waren zwaar getroffen door de aanslagen op het WTC op 11 september, internet “hardly blinked”. Een Smart City die is opgebouwd op een gelijkwaardige manier moet eenzelfde veerkracht, openheid en collectief eigenaarschap hebben als het internet.

Afbeelding afkomstig van Fi-ware
Afbeelding afkomstig van Fi-ware

Townsend eindigt zijn boek met een reeks adviezen voor de toekomstige ontwikkeling van de Smart City. De mens moet centraal blijven staan in het ontwerp van de Smart City, waarbij eenieder wordt verbonden en zijn eigenaarschap vergroot wordt in de vorm van collectieve infrastructuren, data, software en hardware. De auteur pleit voor transparantie, lokaal ontwikkelde software met mondiale handel en interdisciplinair opgeleide ontwerpers. Andere adviezen zijn meer waarschuwend van aard. Smart technology moet een hulpmiddel blijven en nooit een doel, met elkaar verbonden via een web, in tegenstelling tot een alomvattend operating system. Zorg dat het onvermijdelijke crashen zacht gebeurt zonder dat het systeem onbestuurbaar wordt, denk op de lange termijn en doe grondig stedelijk onderzoek.

Smart Cities
is een degelijk boek voor hen die geïnteresseerd zijn in Smart Cities, maar daar nog weinig tot niets over weten. De publicatie biedt echter te weinig diepgang en nieuws om een iets gevorderde lezer echt te kunnen inspireren. Ondanks dat de teksten op de achterflap het boek verkopen als iets voor stedenbouwers en het bovendien wordt aangeboden op de stedenbouw-tafel van Nai-boekverkopers, lijkt het mij meer geschreven te zijn voor de Cisco’s, beleidsmakers en hard-core app-bouwers. Veel belangrijke technologieën en ontwikkelingen worden niet behandeld waardoor er geen correct beeld wordt gegeven van wat Smart Cities op dit moment te bieden hebben.