Opinie —

De blinde vlek van Bakema

Thomas Wensing

Terwijl politieke leiders de afgelopen decennia het Europese sociale model in daad en woord ten grave hebben gedragen, is een retrospectie op Bakema’s visie voor architectuur en samenleving een ode aan een weg die niet verder is ingeslagen. Een open samenleving waarin inkomensverschillen zouden afnemen, meer vrije tijd beschikbaar zou zijn en de democratische participatie zou toenemen. Constateren dat er in de afgelopen decennia weinig vooruitgang is geboekt in de richting van een open samenleving, is echter niet hetzelfde als het opgeven van het geloof in de vooruitgang. Het artikel besluit met een lofzang aan de directe actie van de straat, een plaats waar democratische veranderingen meestal beginnen.

Pagina uit het manuscript Van Stoel tot Stad, een verhaal over mensen en ruimte,  Jaap Bakema, 1963, collectie Het Nieuwe Instituut BAKE d276
Pagina uit het manuscript Van Stoel tot Stad, een verhaal over mensen en ruimte, Jaap Bakema, 1963, collectie Het Nieuwe Instituut BAKE d276

In het begin van de jaren zeventig publiceerden Jaap Bakema en architectuurtheoreticus Jürgen Joedicke een retrospectief met de titel Architektur – Urbanismus, Architecture – Urbanism, Architecture – Urbanisme. Het boek bestaat uit beschrijvingen van projecten van de Architectengemeenschap Van den Broek en Bakema. In de kantlijn zet Jaap Bakema, toen begin zestig, nogmaals zijn visie op de architectuur, stedenbouw en samenleving uiteen.

Bakema leidt de publicatie in met de aankondiging dat een tweede (industriële) revolutie aan de gang is, gekenmerkt door ‘automation, total urbanization, and democratization of the social decision-making processes.’1 Hij herinterpreteert hiermee Reyner Banhams concept van de Second Machine Age 2 en plaatst zichzelf in een Marxistische context, waarbij het nu de studenten, en niet de proletariërs, zijn die het vuur van de revolutie dragen. Bakema ziet een gemechaniseerde toekomst waarin grotere efficiëntie van de industrie wordt aangewend voor een verhoging van de levenskwaliteit van de burger 3, en uit tegelijk zijn zorgen over het milieu 4, en over het 19e eeuwse model van ongebreidelde exploitatie en expansie waarop de Industriële Revolutie was gebaseerd.5

Bakema’s tekst is met grote stelligheid geschreven. Hij profileert zich gelijktijdig als een activist en als een bestuurder die het beste met het volk voorheeft. Zijn ideeën over de ‘open samenleving’ blijven vaak in generalisaties hangen en hij heeft de neiging om complexe politieke, sociale en morele kwesties tot ontwerpproblemen te reduceren. Het idee dat de moderne architectuur aan de ene kant een wetenschappelijk en aan de andere kant een idealistisch, liberaal project is, dat een ‘allesomvattende hoop’ uitdrukt voor de mensheid, werd destijds in wijde kring gedragen en geaccepteerd.

Het grootschalige architectonisch urbanisme van Van den Broek en Bakema vindt uiteindelijk zijn apotheose in het onuitgevoerde plan voor Pampus, Amsterdam (1965). Pampus werd voorgesteld als een visie op de totale urbanisatie van Nederland. Dit project bestaat uit kernwandgebouwen, megastructuren die zich langs een infrastructurele ‘ruggengraat’ door het landschap slingeren, en die worden afgewisseld met kleinere wooneenheden en flatgebouwen. Nu is het natuurlijk niet zo dat een open, democratische samenleving formeel in modernistische megastructuren dient te worden vertaald 6, of andersom, dat Bakema’s architectuur van de zorgvuldig vormgegeven ‘threshold’ of ‘transitional elements’ nu automatisch tot een democratische, open en egalitaire samenleving zal leiden.

Bakema’s romantische visie is alleen te begrijpen als resultaat van het modernistisch vooruitgangsgeloof, tegen de achtergrond van de Koude Oorlog en binnen de context van de verzorgingsstaat. De wederopbouwperiode wordt gekenmerkt door een optimisme dat werd ingegeven door sterke economische groei en de verkleining van de inkomensongelijkheid. Deze trends waren het gevolg van de opeenvolgende economische schokken van de beurskrach en de Tweede Wereldoorlog, gevolgd door Keynesiaans economisch beleid, maar werden in de jaren vijftig ten onrechte gezien als de natuurlijke loop van het kapitalisme in de late fase van haar ontwikkeling.
In 1955 werd door de econoom Simon Kuznets zelfs gepostuleerd dat inkomensongelijkheid een bell curve volgt; in de eerste fase van de industriële ontwikkeling groeit de ongelijkheid maar dit wordt later automatisch gecorrigeerd als een groter percentage van de bevolking in de welvaartsgroei deelt. Het frappante is dat Kuznets niet denkt dat daar sociale schokken of revoluties voor nodig zijn – zoals met name Marx dat deed – maar dat deze eerlijker verdeling door de interne werking van de markt, dus zonder interventie van buitenaf, zal geschieden.7

Uitbreidingsplan “Pampus” voor Amsterdam, 1964,  collectie Het Nieuwe Instituut,  BROX 1411t5-2, Van den Broek en Bakema Architecten
Uitbreidingsplan “Pampus” voor Amsterdam, 1964, collectie Het Nieuwe Instituut, BROX 1411t5-2, Van den Broek en Bakema Architecten

Tegen deze achtergrond is Bakema’s vertrouwen in het ongemakkelijke huwelijk tussen de sociaal-democratie en het kapitalisme goed te begrijpen, een vertrouwen dat zo sterk was dat er in Architektur-Urbanismus nauwelijks oog was voor het feit dat de basis van de architectuur behalve sociaal-maatschappelijk ook economisch is. De Italiaanse architectuurtheoretici Manfredo Tafuri en Francesco Dal Co merkten deze blinde vlek al op:
“The directional systems and new proposals, even in their most thorough variants such as the projects of Bakema for Tel Aviv-Jaffa and for the over-water expansion of Amsterdam, remain on paper. There is a reason for this bankruptcy. […] It fails to take into account the necessity for a direct linkage between hypotheses of new modes of production and institutional reforms. In other words, despite themselves the utopian-futuristic architects of the last decade have simply gone along with a more-than-traditional division of labor; their vaunted individuality is a last ditch where they dig in their heels to safeguard an autonomy that is, at best, unproductive.”8

Volgens deze interpretatie kunnen ingrijpende sociale veranderingen alleen worden bereikt als de kapitalistische basis van de maatschappij wordt ondervraagd en de huidige machts- en eigendomsverhoudingen worden herzien. Het verschil tussen Bakema en Tafuri en Dal Co is dat de eerste, ondanks het gebruik van opzwepende retoriek, vooral geleidelijke verandering binnen het systeem voorstond, terwijl Tafuri en Dal Co het al in de jaren zeventig betreurden dat de sociale onrust van het voorgaande decennium niet tot diepgaande veranderingen in de traditionele arbeids- en machtsverhoudingen had geleid. Ook zij konden niet voorzien dat de roep om meer individuele vrijheid, inspraak en gelijke rechten, zou leiden tot de reactionaire contra-revolutie van het neo-liberalisme en de welhaast complete afbraak van de verzorgingsstaat.9 De economische schokken van de oliecrisissen in de jaren zeventig luidden, zoals we nu weten, het begin in van de Hayekiaanse transformatie van de economie, waarbij de fiscale crisis van liberale democratieën werd ‘opgelost’ door hogere staatsschulden, door globalisering en deregulering van financiële markten, gecombineerd met een verregaande privatisering van staatseigendom en diensten.10 Deze transformatie komt volgens socioloog Wolfgang Streeck neer op een machtsverschuiving van de democratie naar een internationale financiële en multinationale elite die geen democratische rekenschap hoeft af te leggen.11
Regeringen zijn in toenemende mate bezorgd over het behouden van het ‘vertrouwen van de markt’, zelfs als dit tot gevolg heeft dat de zwakkeren in de samenleving verder worden gemarginaliseerd, sociale verworvenheden worden afgebroken en aan democratische legitimiteit wordt ingeboet. Het conflict tussen democratie en kapitalisme is met de crisis van 2008, de redding van de banken en het bezuinigingbeleid geïntensiveerd, maar deze erosie is in feite een proces dat al decennialang aan de gang is.

Verandering
Als we terugblikken op het model voor de open samenleving dat Bakema voorstond, een model dat was gebaseerd op grotere democratische inspraak, geautomatiseerde productie en totale urbanisatie, dan moeten we onderkennen dat de vooruitgang in alle drie sectoren een dikke onvoldoende heeft gescoord.
De democratische participatie en het geloof in de politiek is afgenomen, de automatisering is aangewend om de lonen wereldwijd onder druk te zetten – met uitbuiting en groeiende inkomensongelijkheid tot gevolg – en de urbanisatie van Nederland is aan de markt, geprivatiseerde woningbouwverenigingen en onroerend goed speculatie overgelaten, met alle dramatische gevolgen van dien. De zorgen over het milieu zijn met het gegroeide inzicht in klimaatsverandering alleen maar toegenomen. Bij het beschouwen van de deze macro-economische tendensen en recente politieke ontwikkelingen dient de vraag zich aan wat men als individu kan doen om dit deprimerende tij te keren. Het is opmerkelijk dat de enige keer dat Bakema in het boek Architektur-Urbanismus de term ‘open samenleving’ gebruikt, dit wordt gedaan in een oproep voor meer democratie en dat hij dit direct koppelt aan de vraag wat dit voor de beroepsgroep betekent: “Society must become more open, more democratic. What exactly does this mean for our profession?” 12

Woningbouwplan Lekkumerend in Leeuwarden, 1962, collectie Het Nieuwe Instituut,  BROX_1337t339-1, Van den Broek en Bakema Architecten
Woningbouwplan Lekkumerend in Leeuwarden, 1962, collectie Het Nieuwe Instituut, BROX_1337t339-1, Van den Broek en Bakema Architecten

Het antwoord is volgens Bakema zowel architectonisch als bestuurlijk. Hij roept op tot een humanisering van de architectuur door de nadruk te leggen op de menselijke maat en het uitdrukken van sociale relaties, en hij benadrukt dat er gedegen stedenbouwkundig beleid moet worden nagestreeft door zoneringsplannen. Bakema zoekt hier een balans tussen het individueel en collectief belang en is van mening dat de inspraak en verantwoordelijkheid van de burger dient te worden vergroot om een optimum te bereiken.
Het neo-liberalisme heeft het concept van de individuele vrijheid succesvol gecoöpteerd om grotere sociale verbanden in de samenleving te verzwakken en voor een kleinere rol van de overheid te pleiten.13 Deze vergroting van het individualisme, gecombineerd met de constante nadruk op consumptie, heeft tot een versplintering van de samenleving geleid die onder meer zijn weerslag vindt in een kleinere participatie in verenigingen, vakbonden of politieke partijen. Het idee dat je er als individu alleen voor staat – dit ondanks nieuwe communicatiemiddelen – is een groot obstakel dat verandering in de weg staat.

Bill Mc Kibben, prominent klimaatsactivist en journalist, kwam tot het besef dat het schrijven van boeken over klimaatsverandering om daarmee een bewustwordingsproces bij mensen op gang te brengen, niet genoeg is:
“It took me a long time to realize that the scientists had won the argument but were going to lose the fight, because it isn’t about data and science, it’s about power. The most powerful industry is fossil fuel, because it is the richest. At a certain point, it became clear that our only hope of matching that money was with the currencies of movement: passion, spirit, creativity—and warm bodies.”14
Zo liepen mijn vrouw en ik op 21 september mee in de People’s Climate March in New York, deel uitmakend van een dansende en zingende massa lichamen uit Amerika en alle delen van de wereld. Op televisie wordt meestal de indruk gewekt dat de maatschappij compleet gepolariseerd is, terwijl hier boeren uit Nebraska, Native Americans, Hare Krishna’s, veganisten en slachtoffers van de orkaan Sandy zij aan zij liepen. We waren niet langer alleen, geïsoleerd achter onze computer, maar deel van een grote vreedzame beweging. Natuurlijk waren mensen zich er van bewust dat het niet genoeg is om een keer te protesteren, om één keer een signaal af te geven, om het klimaatsprobleem los te zien van de heersende sociale en economische ongelijkheid. Politieke en sociale veranderingen dienen te worden bevochten, via de paden van de directe actie, de stembus en alles ertussenin, en toch was het gevoel van collectiviteit een transformerende ervaring. Er is in ieder geval een begin gemaakt.

Voor architecten denk ik dat het tweeledige antwoord dat Bakema gaf nog steeds opgeld doet. Het is voor ons inderdaad een politiek en een fysiek probleem, of om met Tafuri te spreken, een kwestie van herverdeling van de productiemiddelen en institutionele hervorming. Architecten zijn in een goede positie om kennis tot zich te nemen, zich te organiseren en om een alternatieve visie te formuleren en visualiseren, én dit met een groter publiek te communiceren. We kunnen niet verwachten dat de Nederlandse politiek ooit weer een progressieve visie op volkhuisvesting, planning en stedenbouw ondersteunt zonder dat er druk wordt uitgeoefend, of zonder dat mensen zich bewust zijn van de alternatieven voor de terreur van ‘de markt’. Ik weet niet hoeveel lichamen er nodig zijn om de ‘democratie’ aan de macht van bedrijven en Wall Street te onttrekken, hoe luid onze stemmen dienen te zijn om de politieke impasses te doorbreken, maar wat ik wel weet is dat de open samenleving eerder een werkwoord is dan een feit.

People's Climate March. Foto Stephen Melkisethian
People’s Climate March. Foto Stephen Melkisethian