Column —

Prevelement over designkritiek

Ed van Hinte

Maandag jongstleden werd de Pierre Bayleprijs voor designkritiek uitgereikt aan Ed van Hinte voor diens geschreven oeuvre. De jury roemde Van Hinte’s taalgebruik (‘even soepel als precies’), en noemde hem onder meer een geëngageerd criticus, onafhankelijk denker en bevlogen theoreticus. De laureaat was gevraagd vijf aanbevelingen te doen voor de (re)vitalisering van de designkritiek, hieronder volgt zijn prevelement.

Het bekritiseren van design is een tweeslachtige bezigheid. Het begrip ‘design’ heeft een reputatie als stijlkenmerk die afleidt van design als activiteit. Design staat nu algemeen bekend als geijkte geliktheid van auto’s, en dient als ‘brand’ voor de ideeën achter Geinige Onpraktische Gadgets met een grote G. Ik kan daarvoor nauwelijks belangstelling opbrengen.
In de werkelijkheid daarachter is design het verwezenlijken van voorstellen voor de eindeloze vervolmaking van het leven. Ik heb affiniteit met het proces van ontwerpen en voorkeur voor uitkomsten die ongeschreven conventies overtreden. Verder houd ik bij hoe het ontwerpwezen leeft. Het is een eigenaardig organisme waarvan de verschillende organen vrijwel compleet langs elkaar heen werken. En ik wil graag weten hoe de ontworpen wereld evolueert en wat de effecten daarvan zijn: de worsteling rond maakbaarheid.
Ik heb een hekel aan dingen. De kracht die mij drijft is dat ik geen last wil hebben van wat ontwerpers uitspoken. Ik ben op zoek naar verrassing en vernuft en prikkeling van mijn fantasie. Mijn verhouding met ontwerpen is er een van liefde voor het vermogen uit het niets bruikbare dingen en rituelen te laten voortkomen en weerzin tegen de conventies waarbinnen dat gebeurt. Als ontwerper heb ik vermoedens over toekomstige ontwikkelingen. Als criticus ben ik gecharmeerd van ontwerpers waarin ik mijn drift herken.

Designkritiek is er in overvloed. Ik heb er nooit onderzoek naar gedaan, maar ik vermoed dat de grootste portie, afkomstig van ontwerpers zelf, bestaat uit onvrede met de maatschappij en de hoop dat design overconsumptie, stress en vervuiling kan helpen genezen. Verder is er een schaarsere beschouwende kritiek, waarin design op onderdelen wordt geanalyseerd, ingedeeld en beoordeeld. Etiketten als ‘conceptueel’, ’social’ of ‘autonoom’ lijken hierbij belangrijker dan de kwestie of iets zorgvuldig ontworpen is. Tenslotte is er een mespuntje beschouwing over afzonderlijke ontwerpen en ontwerpers.
Al die kritiek is tegelijk niet makkelijk te vinden. En werkt ook niet goed. Er wordt weinig over en weer gereageerd. Het valt mij op dat facetten van kwaliteit nauwelijks met nuance worden verwoord of beargumenteerd en dat dialectiek en reflectie bijna ontbreken. Iets is al gauw goed, want recycleerbaar of fout, want niet. Of het is mooi, of lelijk. En dan gaat het er alleen om of het past binnen de conventies van in mijn ogen meestal esoterische esthetische opvattingen, misschien wel met wortels in de beeldenstorm van 1566: protestants hedonisme. Maar ik dwaal af.
Terug naar de aanbevelingen.

1    De eerste betreft de informatieparadox. Het produceren en delen van gigabytes wordt steeds makkelijker en gebeurt op ongekende en exponentieel toenemende schaal. Ik was prettig verrast toen er voor de Simon Mari Pruijsprijs voor designkritiek 70 inzendingen waren. Ik wist van niks. Niet dat ik er actief naar heb gezocht, maar toch. Dat komt doordat Internet buiten het beeldscherm niet bestaat. Bij wat het web aan fantastische mogelijkheden biedt is het ook een datadraaikolk die op grote schaal gegevens voor altijd verzwelgt. [Wat op zich ook weer zijn voordelen heeft, want wat moet je ermee.] Er zijn sociale netwerken die elkaar voor een deel overlappen, maar er is weinig zicht op het totaal.
Een prijsvraag is dan een goed aanknopingspunt om te kijken hoe je kritiek kunt organiseren. De prijsuitreiking is een moment waarop designkritiek doordringt tot de werkelijkheid. Het zou een idee kunnen zijn om het principe van de organisatie van zo’n prijsvraag in tijd en bereik fors op te rekken en de frequentie van presentatie op te voeren. Dat betekent dat bijvoorbeeld een speciaal agentschap met een sleepnet kritiek vergaart uit kritiek-rijke gebieden in binnen- en buitenland. Dat agentschap noemen we het KritiekBureau.
Op gezette tijden vinden her en der bijeenkomsten plaats, waar de vangst wordt doorgenomen, eventueel getoond, en ter verspreiding geordend, geredigeerd en bekritiseerd. Heel praktisch: zo’n agentschap hoeft denk ik niet duur te zijn. Je kunt denken aan een pot die bestaat uit budget voor gastdocentschappen van alle opleidingen. Zoiets.
1a    Een aardige tegentip: er zijn bijeenkomsten over designkritiek, zoals CriticsLab. Prima. Ik heb er nog niet bij kunnen zijn, maar het programma verraadt dat het tot nu toe meer over designkritiek is gegaan, dan over ontwerpen zelf. Ik vind dat je niet teveel tijd moet besteden aan praten over kritiek als probleem, zoals mij via de term (re)vitalisatie van designkritiek gevraagd is nu te doen. Kwaliteit en expressie van kritiek op design zijn belangrijker. Organisatie moet je zeker wel bespreken, maar vooral in gang zetten. En verkeerd doen. En verbeteren.

2    De tweede raadgeving betreft de zogenoemde kritiek-rijke gebieden. Het lijkt me dat ontwerp-opleidingen dat al bijna zijn. Een deel van de studenten is idealistisch en veel docenten kennen de praktijk en hebben contacten met mensen in het bedrijfsleven en bij andere opleidingen, hier en in het buitenland. Alleen: kritiek vindt nu onvoldoende uitdrukking. Dit is vreemd, want het is een onderdeel van ontwerpen. Design laat zich omschrijven als een verzameling gevechten tussen voorstellen en tegenwerpingen. Er is ruimte voor meer structuur in kritiek die daarnaast meer uitgesproken is. Bovendien mis ik in de cultuur van opleidingen zelfreflectie en kritiek op het vak. Er is een tekort aan twijfel. Daar moeten we iets aan doen.

3    Drie gaat over samenwerking. Design is bedoeld voor anderen. Dan is het logisch dat anderen er ook aan kunnen bijdragen. Omdat kritiek een onderdeel is van design kan iedereen ook hierbij worden betrokken. Bij bedrijven is de opvatting van wat ‘de gebruiker’ wordt genoemd, of ‘de consument’ geformaliseerd in enquete-protocollen en panels. Dat schiet niet op. Designopleidingen halen weinig mensen zonder verstand van ontwerpen in huis. Dat is de oorzaak van het conventionalisme.
Het kan zoveel aardiger, door met leken en studenten en professionals uit totaal andere vakgebieden besprekingen te organiseren. Geologen, accountants, urologen, piloten, vroedvrouwen, acteurs, aannemers, helderzienden, bierbrouwers, kappers, pretparkexploitanten, beeldhouwers, majoors, evolutionair biologen, koks, en desnoods stedenbouwkundigen: zij kijken met andere ogen naar wat designers doen. Dat is leerzaam, over en weer.
Ik weet dat het niet makkelijk is. De structuur van ontwerp-opleidingen remt zelfs interne samenwerking tussen verschillende afdelingen. Voor betrokkenheid van mensen ‘van buiten’ is het waarschijnlijk handig gebaande paden te mijden. Contact zoeken met vreemden voelt ook een beetje gênant. Daar moet je doorheen.

4    En dan de taal van kritiek, te beginnen met tekst. Te veel worden uitdrukkingen en beweringen klakkeloos overgenomen, zonder de vraag of ze iets duidelijks betekenen. Dat kunnen volkomen gangbare begrippen zijn. De laatste tijd begin ik me te verbazen over ‘toegevoegde waarde’. Wat is die ‘waarde’. En kun je daarvan naar behoefte een dosis toevoegen aan iets anders, als suiker in de koffie. Waarde is toch meer een onderbuikgevoel, waarover te onderhandelen valt.
Kritiek vereist klare taal. Er is slijpwerk nodig, met als slijpsteen de vraag: is dit wel zo?
En taal reikt verder dan woorden. Het gemak waarmee je nu geluid, video en beeld kunt inzetten maakt dat kritiek niet beperkt hoeft te blijven tot tekst. Jaren geleden kreeg ik een keer een melige video van Frank Tjepkema, waarin twee acteurs in designertaal over een voorwerp zitten te neuzelen. Persifleren kan ook. Verder komt het regelmatig voor dat jonge ontwerpers hun kritiek in een product of een werkmentaliteit onderbrengen. Die nu nog aarzelend geuite vormen verdienen meer expliciete aandacht als onderdeel van kritiek.

5    Bij wijze van vijfde raadgeving heb ik besloten mijn eigen schrijversneurose prijs te geven, waarvan ik hoop dat hij besmettelijk is.
Er zal vast wel ergens een corrupte sociaal psycholoog zijn die de benaming weet.
Als ik namelijk “tenenkrommend” tegenkom, of “hilarisch”, of “bevragen” of “zoektocht” dan stop ik meteen met lezen. Dat beschouw ik als straf voor de schrijver, die daar niets van merkt.
Vermijdt afgelebberd jargon, ook voor vakpubliek. Dat dwingt je om precies aan te geven waar je het over hebt. Zelfs “mooi” en “lelijk” gebruik ik hooguit om uit te leggen dat ik ze niet gebruik. Het woord “concept” heb ik uitgebannen. Het is een excuus geworden voor onaf. Van mij hoeft ook niemand mee te helpen met het verschuiven van paradigma’s. Daarmee trek je het gordijn dicht voor het toneel waarop concrete veranderingen zich afspelen. Eet insecten, neem de fiets, woon in een huis van schuim en verbrandt niets. Dan schuift het paradigma vanzelf mee.
Jargon dient om te categoriseren en te verhullen. Waar een ontwerp onder valt, in stijl, of mentaliteit, of stadium, of inzet, doet er wat mij betreft niet toe. Etiketten gaan mensen zich maar naar voegen. Laat het gaan over kwaliteit, evolutie en vrijheid.
Gebruik geen citaten. De Amerikaanse cultuurfilosoof en grondlegger van het individualisme, Ray Waldo Emerson zei: “I hate quotations. Tell me what you know
Pas goed op je woorden. Anders gaan ze ervandoor.