Feature —

De unieke architectuurkritiek van Jonathan Meades

George Vermij

De Britse criticus Jonathan Meades maakt al vanaf de jaren negentig verrassende, grappige en kritische tv-essays over architectuur en stedenbouw. Kunsthistoricus George Vermij bekeek zijn oeuvre op youtube en maakte een selectie van zijn opvallendste films.

Een eerste confrontatie met Jonathan Meades vergeet je niet snel. Hij is een corpulent en goedgekleed man. Hij draagt altijd een zonnebril en spreekt in gevat en precies Engels. Mijn kennismaking met zijn eigenzinnige manier van tv-maken was zijn grappige en doortastende essay over België. Een land dat hij fascinerend vindt omdat het herkenbaar en toch vreemd is. In een scène loopt hij langs het bombastische en intimiderende Paleis van Justitie in Brussel, waarna hij concludeert dat voor zo’n klein land, het kolossale bouwwerk te vergelijken is met een penisvergroting bij een dwerg.

Meades (1947) is een erudiet en kritisch autodidact met een bijtend gevoel voor humor. Een essayist in woord en beeld, maar zonder een academische achtergrond in kunstgeschiedenis of de bouwkunsten. Hij studeerde aan het prestigieuze RADA (The Royal Academy of Dramatic Art), alhoewel er van acteren weinig terecht is gekomen. Vervolgens maakt hij carrière als restaurantcriticus voor The Times wat zijn zwaarlijvigheid enigszins verklaart. Een vreemde eend in de bijt dus, maar ook iemand die met gepaste afstand kan kijken naar hetgene dat hij bekritiseert.

Wat maakt hem ondanks zijn buitenstaanderpositie interessant als architectuurcriticus? Meades weet nieuwsgierigheid en kritiek tot een spannend geheel te smeden. Ook gebruikt hij het genre van het essay op een nieuwe visuele manier, zonder het oorspronkelijke doel uit het oog te verliezen. Een essay probeert uit, experimenteert en tast af. Door dat proces ontstaan vragen, inzichten en kennis.

Die aanpak is nog het meest speels, surrealistisch en brutaal in zijn vroege tv-programma’s voor de BBC uit de jaren negentig, waar een aflevering niet langer duurt dan een half uur. Binnen dat format neemt Meades excentrieke onderwerpen als basis voor zijn overpeinzingen. Dat kan de architectuur en planning zijn van vrij onbekende Engelse steden. In Nag nag nag dwaalt hij door Newmarket, een plaatsje dat draait op de hippische sport en het fokken van de beste renpaarden. De architectuur van pubs en bierbrouwerijen analyseert hij in Where the other half lives. En in Remember the future vraagt hij zich sardonisch af wat er toch is gebeurd met de dromen van vooruitgang die in de jaren zestig resulteerden in big-tech architectuur en wat hij determinisme in steen noemt: het geloof dat gebouwen invloed kunnen uitoefenen op het gedrag van mensen.

Deze unieke en originele tv-programma’s hebben een vreemde spanning die voortkomt uit de serieuze onderwerpen die hij aankaart, maar ook zijn soms spottende en gevatte kritische commentaar. Meades heeft een messcherpe tong die helder en polemisch op je inspeelt in monologen. Dan is er zijn grote figuur. In pak en met een zonnebril op loopt hij langs mensen die worden geïnterviewd of gebouwen, als een karikaturale éminence grise. Soms interrumpeert hij met commentaar dat direct aan de kijker is gericht. Hij neemt zichzelf ook vaak op de hak in sketches die vooral werken door zijn opvallende voorkomen.

Zijn aanpak valt stilistisch op door de botsing tussen muziek en beeld: een kitscherig popliedje begeleidt bijvoorbeeld shots van statige architectuur. Je zou bepaalde elementen op het eerste gezicht kunnen ervaren als flauw of afleidend.  Ze vormen echter een deel van zijn kritische betoog en zijn arsenaal aan effecten om je aan het denken zetten.

Een van Meades’ stokpaardjes is het kunstmatige verschil in aanzien tussen puur functionele en utilitaire architectuur en architectuur die de status heeft van kunst. Een tegenstelling die volgens hem nog eens extra benadrukt wordt in Engeland, waar het klassensysteem onderbewust zijn stempel van goed- of afkeuring op bepaalde gebouwen drukt.

Deze complexiteiten komen perfect tot uitingen in zijn langere tv-essay Gragside House over het imposante buitenverblijf van de Victoriaanse industrieel William Armstrong. Meades verbaast daarbij met zijn brede kennis. Het ene moment heeft hij het over de invloed van schilderkunst op architectuur in de 19de eeuw en de creatie van een geïdealiseerd beeld van Engeland. Vervolgens gaat het over de tegenstrijdigheden in de persoon Armstrong. Een Victoriaanse filantroop maar ook een ingenieur en wapenhandelaar. Perfecte stof voor Meades die aan de hand van Gragside Manor, Armstrong, maar ook Victoriaanse waarden scherp ontleedt.

Het immense gebouw, ontworpen in een stijl die verwijst naar historie, afkomst en traditie, lijk organisch op te gaan in het Engelse landschap. Meades merkt terecht op dat de neostijl een veilige illusie voorschotelt en dat Armstrong het liet ontwerpen met verborgen technische foefjes om zijn gasten te imponeren. Ook het aangrenzende landschap dat zo natuurlijk oogt was Armstongs creatie en was mogelijk door het gebruik van goedkope arbeidskrachten en nieuwe industriële middelen.

Meades is ook sterk in zijn analyses van architectuur die niet opvalt of onderbelicht is. In Brick and Mortars en Portsmouth Dockyard stort hij zich op Britse militaire architectuur die naar buiten toe ceremonieel, symbolisch en patriottisch is, maar in de praktijk functioneel, efficiënt en tijdelijk moet zijn. De waarden van het Britse leger lijken ingekapseld in de stenen van militaire academies en barakken, maar dat is een façade voor de gewelddadige veranderlijkheid van oorlogsvoering.

Meades kan op zijn venijnigst zijn als het gaat om religie en nationalisme. Hij houdt ervan om heilige huisje in te trappen en doet dat bijna letterlijk in Absentee Landlord dat gaat over de vreemde periode van kerkbouw in het Engeland van na de Tweede Wereldoorlog. Een periode die zich volgens Meades kenmerkt door de carte blanche die aan architecten werd gegeven door de kerk die zich wou voordoen als modern. Dit resulteerde in vreemde gebouwen die afwijken van het traditionele gebouwtype.

In Edinburgh Castle zijn nationalisme en daaruit voortkomende architectuurstijlen het doelwit van Meades gevatte tirades. Door middel van het eeuwenoude kasteel toont hij de ongemakkelijke relatie tussen Schotland en Engeland. Voor de Schotten is het kasteel een symbool voor hun natie, maar het is ook een gebouw dat een garnizoen van Engelse troepen onderbracht. Daarmee is het fort eveneens het symbool van de bezetter. Een dubbele functie en geschiedenis die in de architectuur is terug te zien.

Meades’ kritiek richt zijn niet alleen op het verleden. Een van de leukste delen uit zijn oeuvre is On the brandwagon waarin hij de luchtkastelen aanvalt die onder het mom van urban renewal en regeneration worden verkocht als oplossingen voor verarmde of achtergestelde steden. Meades neemt Liverpool als uitgangspunt voor een stad met een imagoprobleem en bekritiseert de mislukte pogingen om dat te veranderen. Ondertussen maakt hij een uitstapje naar Bilbao om Frank Gehry’s Guggenheim museum onder handen te nemen. Hier is Meades op zijn meest sarcastisch, terwijl hij sceptisch is over het hele idee van stadsvernieuwing als tovermiddel.

Meades heeft veel te bieden en de bovenstaande voorbeelden zijn maar een fractie van zijn gevarieerde output. Er zijn de tv-essays die hij heeft gemaakt over de totalitaire architectuur van het Derde Rijk en de Sovjet-Unie. Twee van zijn documentaires gaan in op de Duits-Joodse architectuurhistoricus Nikolaus Pevsner en zijn invloed op architectuurkritiek in Engeland. Dan zijn er nog de series die hij heeft gemaakt over de cultuur en architectuur van Frankrijk, Schotland en Noord-Europa. Ze zijn allemaal te zien op MeadesShrine de YouTube– en Vimeokanalen die zijn gewijd aan zijn tv-werk.

En daar is ook Meades meest persoonlijke tv-essay te zien die een heel andere kant toont van deze man. Father to the man is een prachtige autobiografische film over hoe Meades opgroeide in het Engeland van net na de Tweede Wereldoorlog. Het is helemaal in zijn stijl, maar ook persoonlijk, intiem en nostalgisch zonder valse sentimentaliteit. Het is vooral een portret van de relatie met zijn vader en hoe hij als kind gefascineerd raakte door architectuur en het Engelse landschap. Daarmee werd de basis gelegd voor een kritische passie die hij nog steeds wil delen met een breed publiek.