Recensie —

Ander Jaarboek

JaapJan Berg en Marina van den Bergen

De redactie van het Jaarboek Architectuur in Nederland probeert met de jaargang 2014-2015 een nieuwe weg in te slaan. Het jaarboek verschilt daardoor zeker van voorafgaande edities. Het is op bepaalde punten veranderd, maar is het daarmee ook beter geworden? Via de email bespreken JaapJan Berg en Marina van den Bergen de poging van de huidige redactie om het instituut Jaarboek te vernieuwen.

cover2

Op 22 mei 2015, om 20:24 heeft ArchiNed Redactie het volgende geschreven:

Beste JaapJan,

Na het verschijnen van het Jaarboek Architectuur in Nederland 2013/2014 belegde de reactie een tweetal openbare bijeenkomsten om te discussiëren over de betekenis en impact van een jaarboek. Een van die bijeenkomsten was samen met de redactie van het veelgeprezen Vlaamse jaarboek architectuur georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomst vergeleek de Belgische architectuurcriticus Pieter ’t Jonck  beide jaarboeken met elkaar. Een van zijn punten van kritiek op het Nederlandse jaarboek betrof het ontbreken van kaders waarbinnen processen begrepen kunnen worden – gezien de internationale ambities van het jaarboek, geen overbodige luxe voor hen die niet op de hoogte zijn van de Nederlandse situatie. Een ander punt van kritiek ging over het ontbreken van omschreven selectiecriteria. Vlak voor het verschijnen van deze editie van het jaarboek gonsde het in de gangen dat het ditmaal anders zou zijn dan voorgaande edities. Jij hebt Jaarboek Architectuur in Nederland 2013/2014 gerecenseerd, is het Jaarboek 2014/2015 wezenlijk anders?

Vriendelijke groet
Marina

oma
Spread uit besproken boek

Op 23 mei 2015 11:30 schreef JaapJan Berg:

Beste Marina,

Goed dat je het vraagt. Op basis van mijn recensie ‘Wo ist der Bahnhof?’ van vorig jaar was ik natuurlijk in de eerste plaats benieuwd of Rotterdam Centraal de ballotage voor deze editie wel had overleeft. De officiële verklaring voor het niet selecteren van het project was destijds dat het formeel niet was opgeleverd op het ijkmoment, maar het project was wel degelijk ingezonden en dus niet geselecteerd. Het project dat sindsdien de prijzen aan elkaar rijgt is ditmaal inderdaad uitverkoren. Zij het met het nodige voorbehoud zoals blijkt uit het essay ‘Keurig en Kleurig’ van redactielid Hans van der Heijden. Er bekruipt mij een curieus gevoel wanneer ik lees hoe Van der Heijden zijn best doet het gebouw van zijn net verworven glans te ontdoen en het daarmee in diskrediet tracht te brengen. Daarbij gebruikt hij krachtige en negatieve typeringen: het gebouw zou in onderdelen uiteen vallen en relicten van het station van Van Ravesteyn zouden plichtmatig zijn terug geplaatst. Ook wrijft Van der Heijden de architecten min of meer de jarenlange hinder van de bouwput en de sloop van het busstation van OMA aan. Dat maakt het lezen natuurlijk amusant, maar de agitatie schiet te ver door. Zeker wanneer hij Team CS het, in zijn ogen slechte, ontwerp van de route van de metro naar de stationshal verwijt. Die kritiek moet namelijk geadresseerd worden aan Maarten Struijs architect bij Gemeentewerken Rotterdam die, voor zover ik weet, dat deel ontwierp. Ik hoop maar dat er geen al te persoonlijke emoties aan de filippica ten grondslag liggen. Waarschijnlijker is dat de inhoud van het essay en de gekozen toon het directe resultaat zijn van de nogal fors aangezette ambities van deze redactie.
Het gegons waar jij naar verwijst kondigde dat al aan. Men meent dieper te moeten ingaan op de ‘eigenheden van tendensen en projecten’ en de redactie vindt het zelf opvallend dat de teksten die daaruit voortvloeien ‘niet enkel de positieve kanten van nieuwe concepten en benaderingen in beeld brengen’. Ziedaar een voorname drijfveer van deze editie. Los van de vraag in welke mate dit nu echt ‘radicaal’ is, een woord dat tijdens de presentatie in elke tweede zin klonk, kun je je afvragen hoe relevant en constructief die nieuwe (oude) kaders nu zijn. De redactie zet in op de toegevoegde waarde en het vermogen van architectuurkritiek en constateert in een enkel zinnetje dat de crisis in vakinhoudelijk opzicht in de bouwpraktijk in ieder geval niet bestaat. Wij architectuurcritici zouden de koerswijziging met gejuich moeten ontvangen, maar ik bemerk zelf remmingen en reserves. Ervaar jij die ook?

Met hartelijke groet,
JaapJan

kempe-thill
Spread uit besproken boek

Op 27 mei 2015, om 00:01 heeft ArchiNed Redactie het volgende geschreven:

Dag JaapJan,

De ‘koerswisseling’ van deze redactie naar een kritischer jaarboek moet zeker worden toegejuicht. Kritiek maakt van een jaarboek meer dan een mooi plaatjesboek met een tijdelijke houdbaarheidsdatum. Het kan zo zelfs een boek worden dat je koopt om de essays. Denk aan de jaarboeken die gemaakt werden onder redactie van Anne Hoogewoning, Roemer van Toorn, Piet Vollaard en Arthur Wortmann. In hun essays verwoorden zij scherp en kritisch de tijdgeest. (De tekst ‘Verdwaald in het paradijs’ van Van Toorn (Jaarboek 2001/2002) heb ik jarenlang in mijn lessen gebruikt en is nog steeds een zeer lezenswaardig artikel.)
Het fenomeen jaarboek is de laatste jaren steeds problematischer geworden. De meeste projecten zijn al uitgebreid gepubliceerd in de (online) vakpers. Deze publicaties kenmerken zich veelal door de vele sexy beelden en een korte projectbeschrijving, beide vaak aangeleverd door de architect zelf, op een moment dat de bouwhekken (soms) nog maar net zijn verwijderd. Een minder hijgerige kritiek, positief of negatief, die het project beschouwd nadat de hype is overgewaaid, is meer dan gewenst en kan zo werkelijk een input leveren voor een vakinhoudelijk debat. De vraag is alleen of het jaarboek hiervoor het geschikte podium is. In dit jaarboek worden sommige projecten zeer kritisch besproken. Als het tijdschriftartikelen zouden zijn geweest, was de toon gepast. Maar in de context van het jaarboek is het problematisch. Tijdens het lezen vroeg ik mij meer dan eens af waarom deze projecten eigenlijk geselecteerd waren.

Een ideaal jaarboek voor mij duidt een jaar architectuurcultuur, beschrijft de tendensen op een niveau dat de individuele projecten ver overstijgt. En er is alle aanleiding voor zo een metabeschouwing. De redactie schrijft dat de architectuurcultuur springlevend is en zich “op een punt van herijking bevindt”. Een cultuur die zich kenmerkt “door een grote verscheidenheid aan insteken en benaderingen”. De redactie zit echter met een probleem: “het ontbreekt ons op dit ogenblik aan de gepaste woorden om het karakter en de eigenheid van de nieuwe initiatieven goed te duiden”. Ik vind dit te makkelijk. Welke andere woorden heb je nodig om fenomenen als de ontwikkelende architect, of de rol van architecten in CPO-projecten te analyseren en te beschrijven?
In het Jaarboek is men positief over het project De Ceuvel, hoewel de redactie moeite heeft om de architectonische kwaliteit van het project te duiden – “ze (de ontwerpers) beperkten de rol van architect tot het articuleren van een nieuwsoortig verkavelingsprincipe voor de voormalige scheepswerf”. De redactie is enthousiast over het financieringsmodel – “de gemeente Amsterdam financierde de helft en het andere deel werd door space&matter geleend bij de bank”. Sascha Glasl (space&matter) noemt in een interview, het project vanwege de financieringsvorm alles behalve duurzaam. “Kritisch bekeken is het budget niet reëel, een nieuw project kan niet voor het zelfde geld gerealiseerd worden.”
Tijdens de presentatie van het Jaarboek prees een bewoonster van de klushuizen in de Amsterdamse U.J. Klarenstraat, het engelengeduld van Vanschagen Architecten. Om de drie weken hadden ze een bijeenkomst met de architect en bijna evenzo vaak wijzigde de deelnemers van plan. De architect lachte verlegen bij deze lovende woorden. Het uiteindelijke resultaat mag er zijn, maar wie betaalde al deze overleguren, de opdrachtgever of de architect? Ik gok de architect. De redactie prijst deze nieuwe praktijken en architecten kannibaliseren zichzelf. Wie houdt wie nu voor de gek?
Er is nog een andere richting waarin het jaarboek zich zou kunnen bewegen. In het Jaarboek wordt geschreven dat de architectuurkritiek naar binnen is gekeerd. Zou een koerswisseling naar een meer gepopulariseerd jaarboek niet de uitdaging voor de redactie moeten zijn? Een jaarboek waarin voor een breed publiek in begrijpelijke taal de kracht – en nut en noodzaak – van de architectuurcultuur wordt bezongen?

In afwachting van je reactie,
groeten Marina

soeters
Spread uit besproken boek

Op 28 mei 2015 om 22:28 schreef JaapJan Berg:

Lieve Marina,

Je snijdt in je reactie behoorlijk wat punten aan die zich stuk voor stuk verhouden tot het spanningsveld dat het jaarboek als instituut is en tot de veranderingen die de laatste tijd aan het concept zijn gaan vreten. Het is altijd een vooral goed bekeken (let wel, niet gelezen!) publicatie geweest die jarenlang profiteerde van de hoogtijdagen die de Nederlandse architectuur beleefde en daar zelf ook een niet onbelangrijk visitekaartje van was. Dat, zo durf ik wel te stellen, ondanks de essays die tussen de geselecteerde projecten stonden. Een boek en een formule die, juist vanwege de ‘verdovende’ successen van het vak en zijn beoefenaars, eigenlijk nauwelijks ter discussie stonden. Ja, een enkele gefrustreerde, want niet geselecteerde architect, liep wel eens te hoop tegen het gebrek aan erkenning en kennis van zaken van de desbetreffende redactie. Maar meestal woei een dergelijk incident voorbij, druk als iedereen was met het ontwerpen en opleveren van weer een kansrijke inzending voor de volgende editie. Kort gesteld, voor veel architecten gold toch vooral de selectie en veel minder de reflectie. Daar had en nam niemand echt de tijd voor. Maar die tijd is er nu (vanwege de helaasheid der dingen) wel en de tijden zijn ontegenzeggelijk veranderd. Jij noemt al een aantal bewijzen daarvan en ook de redactie laat zich in dat opzicht ook niet onbetuigd. En ja, een jaarboek zou geen jaarboek zijn als het niet zou reageren of reflecteren op ingrijpende veranderingen in het vakgebied. De huidige redactie heeft daartoe gemeend de architectuurkritiek te moeten oppoetsen en hoopt daarin én daarmee nieuw elan te vinden. Maar ik blijf reserves houden ten aanzien van sommige details van deze koerswijziging.

Ten eerste kun je je afvragen waarom deze redactie pas bij haar derde boreling echt tot actie is overgegaan. De nieuwe situatie en veranderingen die zij zelf formuleert zijn toch al enige tijd merkbaar. En je kunt toch echt ook wel wat duiden en bekritiseren voordat het stof helemaal is neergedaald. Vermoedelijk speelt de redactie (zoals voor haar ook andere) de hardnekkigheid van het (succesvolle) concept parten. De geboekte pyrrusoverwinning van de twee covers bij de huidige editie spreekt boekdelen, vrees ik. Er rest het huidige viertal dus nog maar een Jaarboek om hun ingezette paleisrevolutie en andere ambities kracht bij te zetten en te consolideren.
Ten tweede, en dat raakt jouw laatste punt, betekent de keuze voor een architectuurkritisch in plaats van een architectuur jaarboek ook een mogelijke vernauwing van de reikwijdte ervan. Dit ondanks alle, prachtig geformuleerde volzinnen over ‘de architectuurkritiek van een experimentele, heterogene praktijk’. De diepgang en focus leiden, hoe goed en actueel redactieleden ook kunnen schrijven, tot een beperking en terugtrekking tot het eigen (nadrukkelijk intellectuele) domein. En dat terwijl ze, inderdaad, de kritiek verwijt dat ze naar binnen is gekeerd. Anders gesteld, de persoonlijke duiding door de redactieleden van dienst neemt het voortouw, hoe je het ook keert of went. Niet de architectuur, maar de (be-)duiding door de redactie wordt primair. Daarvan getuigen een aantal van de huidige acht essays in sterke mate. Zeer lezenswaardig en interessant, daar niet van. Maar het leidt tot een vorm van framing en stapeling van referenties die niet zelden verwijzen naar de kennis en het inzicht van de auteur zelf. Zie het refereren aan architectuurhistorische standaardwerken, citaten uit nog amper gelezen en vergeten publicaties, vergelijkingen met (vrij willekeurige) projecten uit binnen- en buitenland, persoonlijke stokpaardjes, enzovoort. Het leidt, bij elkaar opgeteld, allemaal tot wat te zwaar aangezette, geconstrueerde en didactische lessen van een overijverige onderwijzer. Lichtelijk opvoedend en belerend is de gezamenlijke noemer hier. En die lessen zijn, voor alle duidelijkheid, niet gericht aan dat brede publiek waar jij over mijmert.

Viel het jou trouwens ook op dat er helemaal niet meer verbouwingen dan nieuwbouwprojecten in het boek zijn opgenomen, zoals in de eerste zin van het redactioneel wordt gesteld?

Met herhaalde groet,
JaapJan

vanschagen
Spread uit besproken boek

Op 3 juni 2015, om 22:28 heeft ArchiNed Redactie het volgende geschreven:

Beste JaapJan,

Ik ben gaan turven en je hebt gelijk: 17 nieuwbouwprojecten tegenover 13 verbouwingen. Merkwaardig, is de wens hier de moeder van de gedachte? Een andere slordigheid die mij tijdens het lezen opviel betreft de projectteksten. Afgezien dat deze wisselend van toon en invalshoek zijn, zijn een aantal deels gecopy-pastet in de essay-teksten. Best storend. De vernieuwing van het instituut jaarboek is moedig, de weg die is ingezet onzeker. Of de paleisrevolutie, waar jij over sprak, geslaagd is en haar vruchten zal afwerpen, zal moeten blijken uit de volgende editie. Volgend jaar zetten we de discussie voort.

Groet,
Marina


Op 11 juni 2015, om 09:37 heeft Vanschagen architecen het volgende geschreven:

Beste Marina,

Zojuist las ik de bespreking van het jaarboek Architectuur op Archined. Die focust vooral op de inhoud en betekenis van het jaarboek zelf. Nuttig. Toch een kanttekening mbt uw alinea over een vermeend verlegen lachend architect (dat was ik) en de conclusies die daaraan worden verbonden.

Opvallend aan het project Klarenstraat voor mijzelf was de professionaliteit in het opdrachtgeverschap van de kopers. De opdracht was strak, maar alle overleguren waren daarin verdisconteerd en extra werk werd ook als extra werk gehonoreerd. Het welbekende ‘maak nog even dat tekeningetje’ uit reguliere projecten heb ik in deze CPO nooit gehoord. Daarnaast: juist de huidige BIM-tekentechniek maken een project als Klarenstraat relatief eenvoudig als er wijzigingen aan de orde zijn.
In onze uren werd het pas spannend na de contractvorming. Dat lag vooral aan een straffe inschrijfbegroting (what’s new), een door ons gelegde onhandige knip tussen casco en inbouw (leerpunt) en de moeite om procesmatig het verschil te zien tussen kopers en opdrachtgevers (toch echt meer dan semantiek).
Kortom: genoeg te evalueren maar absoluut geen reden om op het basis van dít project te hebben over de zich kannibaliserende architect. Wel over items als vrijheid en zeggenschap en de kansen en uitdagingen die dat biedt voor ons vak en de stad.

Tot zover, succes met Archined. ’t Is een mooi platform.
Met vriendelijke groet,
Arjan Gooijer