Recensie —

Brugge als megapolis (1)

Paoletta Holst

Met het fictieve scenario ‘Brugge als megapolis’ stelt de Kunst en Architectuur Triënnale van Brugge vragen over het wonen en leven in een grotendeels vercommercialiseerde en door toeristen overspoelde stad. De buitententoonstelling.

6-Triënnale-Brugge
Undercurrent – HeHe
foto’s de auteur

Wie deze zomer vanaf het Brugse treinstation de binnenstad inloopt, wordt direct geconfronteerd met de welkome en tevens verontrustende woorden: “To become a new citizen of Bruges”. Wat betekent dit? De zin staat in grote witte letters op een knalrode container geschreven die in het midden van het stationsplein gesitueerd is. The passage room van de Brugse kunstenaar Daniël Dewaele heeft een grote aantrekkingskracht op groepen scholieren en toeristen die de container als achtergronddecor gebruiken voor hun selfies. Je kunt door de container lopen en er ondertussen een soort enquête invullen die vragen stelt aan de eventuele toekomstige inwoners van Brugge. De enquête is laagdrempelig en vraagt niet veel tijd. Al honderden mensen gingen mij voor en beantwoordden in verschillende talen hoe zij eventueel in Brugge zouden willen wonen, in welke taal zij zouden willen worden aangesproken en welke religie zij zouden willen belijden. De ingevulde A-4tjes worden in de container opgehangen en geven een beeld van de veelheid aan nationaliteiten die Brugge bezoeken: Brugge is een wereldstad!

Jaarlijks bezoeken meer dan vijf miljoen toeristen het historische Brugge. Het toenemende toerisme zorgt voor een groeiende frictie tussen het statische beeld van Brugge als een beschermde middeleeuwse stad, die vooral vanaf de 19de eeuw werd gerestaureerd en geconserveerd, en de dynamiek van 21ste-eeuwse stad met haar diversiteit aan mensen en culturen. Triënnale Curatoren Till-Holger Borchert en Michel Dewilde trekken de lijnen van deze geconstateerde frictie door tot de fictieve vraagstelling: wat als de miljoenen toeristen in Brugge zouden blijven wonen? Wat als een beschermde historische stad als Brugge plots zou uitgroeien tot een megapolis? Achttien internationale kunstenaars creëerden nieuw werk dat op verschillende locaties in de binnenstad te bezichtigen is. De werken richten zich in het algemeen tot de problematiek van de megapolis en meer specifiek tot de toekomst en het creatieve potentieel van Brugge, de verstedelijking, het burgerschap, het wonen en samenleven, de commercie en economie.

7-Triënnale-Brugge
Canal Swimmer’s Club – Atelier Bow-Wow

De looproute van het station naar de binnenstad gaat vrijwel vanzelf, maar eenmaal in de stad begint de speurtocht. Er zijn overal bordjes te vinden, maar geen die een route aangeven voor de Triënnale. Op het station had ik wel bij het toeristeninformatiepunt een folder van de Triënnale met stadsplattegrond gehaald, maar dat kaartje blijkt bijzonder moeilijk te interpreteren. Niet alle straten staan erop aangegeven en de straatnamen ontbreken. Na enig zoeken vind ik dan toch het werk van de Japanse kunstenaar Tadashi Kawamata, Tree Huts in Bruges. De titel is niet suggestief. Kawamata bouwde daadwerkelijk een tiental boomhutten in de hoge populieren van het Begijnhof. Kawamata doet met zijn werk vaak ingrepen in de openbare ruimte, vooral in transitiezones, plekken van opbouw of afbraak. Met hout, gevonden en gerecycleerde materialen bouwt hij structuren die ons de omgeving anders laten beleven. Ook het werk Wu Wei er Wei van de Chinese kunstenaar Song Dong is opgebouwd uit gerecyclede materialen. Naast de Sint-Salvatorskathedraal installeerde hij een rotstuin, waar vooral kinderen zich toe aangetrokken voelen. Het miniatuurlandschap werd opgebouwd met ramen uit gesloopte Chinese woningen waarmee Song Dong verwijst naar de groeiende discrepantie tussen de al maar uitdijende megapolissen en de omgang met erfgoed en natuur.

Ik vervolg mijn route langs het water, dat blijkt een goede leidraad. Langs en in het water staan verschillende werken opgesteld: de omgevallen elektriciteitsmast van het Brits-Duitse kunstcollectief HeHe, the Bridge by the Canal van het Indische architectenbureau Studio Mumbai, the Canal Swimmer’s Club van het Japanse architectencollectief Atelier Bow-Wow, het werk Cataract Gorge van de Israëlische/Amerikaanse kunstenaar Romy Achituv en de woordsculptuur Gold Guides Me van Anne K. Senstad. Een van de meest in het oog springende werken is the Canal Swimmer’s Club. Atelier Bow-Wow kent de problematiek van grootsteden en beperkte woon- en recreatieruimte. In hun werk onderzoeken zij functionele relaties tussen gedrag en elementen die de omgeving bepalen. Zo ontwierp Bow-Wow voor Brugge een drijvende loungeruimte op het waterkruispunt Spinolarei-Potterierei en Sint-Annarei. Met name de Bruggenaren zelf zijn niet weg te slaan van deze plek. Ze kunnen er laag aan het water verpozen en zelf evenementen organiseren. De stiekeme wens van veel omwonenden om in de grachten te kunnen zwemmen is nu uitgekomen. Volgens de jonge badmeester is dit werk “echt de max!” Zelfs op een wat koudere regenachtige dag als deze zie ik kinderen enthousiast het water inspringen.

12-Triënnale-Brugge
Vertically Integrated Socialism, (model micro-appartement ondergronds niveau) – Nicolas Grenier

Een werk dat mij aangenaam verrast is Vertically Integrated Socialism van de Canadese kunstenaar Nicolas Grenier. Grenier, die geïnteresseerd is in ongelijkheid binnen politieke, economische, culturele en sociale systemen en principes, ontwierp een experimenteel huisvestingsconcept dat de sociale piramide in één enkel gebouw integreert. In een appartementsblok wonen mensen gratis in het ondergrondse niveau. Op de verdiepingen erboven wonen telkens sociaal betere klassen die de huur van de klasse onder zich betalen. Dit architecturale model, dat de sociale en economische tegenstellingen in de hedendaagse neoliberale metropolis verbeeldt, impliceert een volledige sociale integratie, gericht op concurrentie tussen mensen die zich hogerop willen werken. Het werk is zo scherp gedacht en uitgevoerd, dat ik mij afvroeg of Grenier hier een oprecht plan voorstelde of juist een sterke kritiek formuleerde. Deze dubbelzinnigheid is in het algemeen van toepassing op alle tentoongestelde werken. Kijken we naar een plezierig, esthetisch of grappig werk dat met een knipoog de problematiek van de megapolis tot onderwerp heeft, of geven de werken daadwerkelijk een scherpe kritiek op vercommercialisering van de publieke ruimte en groeiende kloof tussen de stad en haar bewoners?