Column —

Beoordelen zakt

Ed van Hinte

Het nieuwe academische jaar is begonnen. Ed van Hinte over de kunst van het beoordelen.

beoordelingsmatrix TU Delft Bouwkunde. Bron: http://homepage.tudelft.nl/6w3a0/BKO-frontaal.htm

De tijd is nu wel rijp. Ik heb een reeks studenten helpen beoordelen, op verschillende ontwerpopleidingen van academies en universiteiten. Zelfs heb ik een cursus van een dag over ‘assessment’ (dat bij navraag gewoon ‘beoordeling’ betekent) mogen meemaken. Hoewel ik hierdoor zeker geen expert ben in de intriges die hebben geleid tot het beoordelingssysteem van nu – ambitie om dat te worden is mij vreemd -, heb ik er zeker genoeg ervaring mee opgedaan om er iets van te vinden. Zoals het nu is deugt het niet. Er zijn wel kleine lichtpuntjes.

Inschatten hoe (goed) iemand heeft gewerkt is goed te doen, maar door de verzameling opgelegde criteria, waarin heus wel goede bedoelingen te herkennen zijn, onnodig gecompliceerd en tijdrovend. Dat geldt voor docenten en ook voor studenten. Zelfs mevrouw Bussemaker zei onlangs dat het wel lijkt of de evaluatie van de opleidingen belangrijker geworden is dan beoordeling van studenten. Dat heeft ze gehoord en hier wil ze iets aan doen. Goed! Dat gaan we dan op zijn vroegst over drie jaar merken (ongeveer de termijn voor invoering van maatregelen). Dan zal er ook een nieuwe bewindspersoon zijn die er weer heel anders over denkt.
Oorzaak van het gehannes: de veel te krampachtige ingrepen om het systeem ‘objectief’ te maken. Mededocenten kijken niet vreemd op als ik dit aan ze voorleg. Het wringt. Met systematiseren maak je verbanden stuk. Dat wordt nogal eens over het hoofd gezien. Keer op keer moeten nu redeneringen worden verzonnen om te zorgen dat de gedachtegang achter de waardering past in het aangereikte stramien van maatstaven. Deze constructie berust namelijk op politiek gemotiveerde overwegingen en aannames over beroepsuitoefening die niet (meer) kloppen en te concreet zijn geformuleerd om soepel te kunnen meeveranderen met de werkelijkheid. Door de invoering van de Beroepservaringsperiode als uitvloeisel van de Wet op de Architectentitel is het alleen maar erger geworden. En wat ontwerpers in de praktijk doen verandert snel, ook onder invloed van pas afgestudeerden. Zij bepalen mede de richting waarin creatieve beroepen zich ontwikkelen. De voorgekookte vaardigheden waarover ze volgens de regels zouden moet beschikken houden daar geen rekening mee.

beoordelingsmatrix TU Delft IO

Laat ik een voorbeeld geven met een citaat uit de officiële lijst van wat grafisch vormgevers in huis moeten hebben: “Organiserend vermogen: De student kan een inspirerende en functionele werksituatie voor zichzelf opzetten en in stand houden”. Hoe meet je “inspirerend” en wat moet je met “functioneel”. De ene vormgever heeft een keurig kantoor nodig: koffiedrinken, stofzuigen en soms klanten ontvangen. De ander maakt bij voorkeur haar afspraken in de trein. Zulke werkvormen hebben toch geen enkel belang? En dat noem je toch ook geen “organiserend vermogen”? Als je maar goed werk aflevert. Je kunt best zo’n ideale werksituatie hebben verworven en vervolgens geen steek uitvoeren. Toch weegt dit criterium even zwaar als alle andere, waarvan “creërend vermogen” mij verreweg het belangrijkste lijkt.

Bij bouwkunst is die vaardigheid omschreven als: “Architectonisch Ontwerpen: Vervaardigt zelfstandig en op professionele en methodische wijze duurzame en beargumenteerde architectonische concepten en ontwerpen die voldoen aan esthetische, technische en functionele eisen.” Dat klinkt te veel als een invulling die niet hoeft te kloppen met wat architecten nu doen. Er zit ongemak in. Het kan zo zijn dat een architectencollectief een opera organiseert in een Berlijnse metro zonder dat er iets materieels wordt ontworpen. Professioneel en methodisch is bovendien misschien wel het tegenovergestelde van wat je wilt van een proces dat een bruikbare verrassing oplevert. Het begrip “duurzaam” drukt een verlangen uit dat op zijn best politiek correct is en niet altijd zijn weerslag vindt in te stellen eisen. “Esthetisch” doet een bepaalde stijlopvatting vermoeden. Kortom, bij elkaar vormen de definiërende begrippen een bevestiging van de bestaande standaardopvattingen. Terwijl het kenmerk van een creatief vak juist zou moeten zijn dat opvattingen, uitgangspunten en aannames altijd ter discussie staan. “Het vermogen tot kritische reflectie” is gelukkig ook een vereiste.

Het lastigste criterium dat ik ben tegengekomen is, bij product design, “technische en artistieke vaardigheid”. Bij een aanzienlijk deel van de beoordelingen is dat een regelrechte contradictio in terminis. Iemand kan iets technisch perfect voor elkaar hebben, maar met de kunstzinnigheid van een staatssecretaris. Of omgekeerd: een student heeft bijvoorbeeld een knullig model gemaakt en niets werkt, maar het ontwerp is desondanks ijzersterk. In een commissie zul je dan een smoes moeten formuleren om het oordeel op zijn pootjes terecht te laten komen.

beoordelingsmatrix Rotterdamse Academie van Bouwkunst

Tot nu toe gaat het telkens over de details van het meten van zogenoemde competenties. De term ‘competentiegericht onderwijs’ is naar mijn bescheiden mening volkomen ten onrechte voor de poorten van de hel weggesleept. Dat zeg ik natuurlijk niet omdat creatieven incompetent mogen zijn, maar wel vanwege de halfgare oordeeltaart die rond competenties is gebakken.
Dat begint al met het principe dat je ze – de competenties – bij het laatste examen allemaal moet hebben. Mist er eentje dan ben je gezakt. Hoe goed je ergens in bent is niet aan de orde. Het illustreert ongeveer de zesjescultuur waar de heer Balkenende (voormalig zesjespremier) zo op tegen was, want het beschikken over een set vaardigheden betekent alleen maar dat je niet incompetent bent. Je kunt competent zijn en toch flauw werk afleveren, of omgekeerd iets bijzonders ontwikkelen, maar zakken omdat nota bene je werksituatie niet op orde is.
Ter verfijning van het nationale competentiesysteem mag elke opleiding naar eigen inzicht “gedragsindicatoren” formuleren. Een voorbeeld uit de kersverse Master Design van de Willem de Kooning Academie: “De ontwerper ziet kansen en vertaalt deze naar ontwerp voor een passende gebruiker”. Zulke kenmerken loop je ook na, maar ze zijn vaak lastig te gebruiken, omdat ze rechtstreeks van de competenties afstammen. Op de minicursus begreep ik dat het afvinken van die ‘gedragsindicatoren’ dan ook naar de geest dient te gebeuren. Dat mag zo zijn, maar dat is dan weer lastig voor beoordelaars die ze liever letterlijk nemen, omdat ze houvast verlangen. Het systeem wordt er niet beter van.

Volgens de regels dienen competenties en werk afzonderlijk te worden beoordeeld. Dat is typisch zo’n achter een bureau geconstrueerd principe dat in werkelijkheid niet goed werkt. De pleister op die snee is een zogeheten ‘sleutelwerk’ van het slachtoffer in kwestie, aan de hand waarvan een aantal competenties worden ingeschat. Ook weer zoiets. Ik kan me een student voorstellen die in groepsverband uitstekende ideeën heeft en als projectmotor fungeert, zonder dat er een zelfs maar een ‘sleutelwerk’ is.
Daarom is de scheiding tussen vaardigheden en resultaten ook niet duidelijk. Het komt voor dat een vakdocent, die vanuit een bepaalde expertise de ontwikkeling van het werk van studenten moet begeleiden en beoordelen, toch de vraag krijgt op competenties te letten, omdat het hoofd van de afdeling waar hij of zij werkt denkt dat het zo hoort.
Die term competentie is blijkbaar zo groot en sterk geworden dat hij de essentie verdoezelt. Veel docenten merken dat rechtstreeks bij het begeleiden. Het is niet ongewoon dat studenten zes weken uitsluitend aan hun competenties schaven omdat ze weten dat ze daarop binnenkort worden beoordeeld. Al die tijd laten ze hun projecten liggen, want het gaat er nu even om te laten zien wat ze kunnen, ten koste van wat ze eigenlijk zouden moeten.

beoordelingsmatrix TU Delft Bouwkunde

In het begin zei ik het al. Achter het beoordelingssysteem zitten goede bedoelingen. Op onderdelen is het niet verkeerd. Dat studenten met meerdere beoordelaars te maken hebben en dat minstens één daarvan van buiten de opleiding moeten komen is prima, want daarmee verhoog je de kans op een balans tussen het perspectief van begeleiders en dat van buitenstaanders. Daarbij is het weer scheef dat die verfoeilijke competenties ook van buitenaf moeten worden bezien. Voor zoiets is een gesprek toch teveel een momentopname. Laat de buitenstaander en de kenner van binnen samen een oordeel vellen over het werk in het licht van de actualiteit. Van individuele ontwikkeling tijdens de studie weten eigen docenten veel meer.

Het grote voordeel van het systeem is het idee van het uitgebreide overzicht van kenmerken waarop je kunt letten. Ik zou zeggen hou het daarbij, maar formuleer de inhoud op zo’n manier dat zij een tijd meekan en dat ze niet voor alle studenten identiek hoeft te zijn. Het belangrijkste kenmerk van de verzameling zou moeten zijn dat ze de vorming van een oordeel ondersteunt. En dan kun je best kijken naar gedragsindicatoren, waarvan ik overigens behoorlijk essentiële niet ben tegengekomen, zoals doorzettingsvermogen, procesinzicht, betrokkenheid, concentratievermogen en onbevangenheid.
Competentie gaan we niet meer naar kijken, want die lees je af aan de kwaliteit van het werk. In het beschouwen van de mate waarin het resultaat van een studieproject deugt of niet, is nog een wereld te winnen. Ik heb gemerkt dat de taal waarin dat nu gebeurt nog te beperkt is. “Mooi” en “lelijk” kom je onder docenten nog altijd tegen, maar schieten schromelijk te kort. En van een begrip als “smaak” word ik een beetje misselijk, omdat er een esoterisch universum achter schuil gaat. Er zijn echt wel kenmerken te bedenken die met nuance de kwaliteit van geleverd werk kunnen aangeven. Ik noem er een paar: inzichtelijkheid is de mate waarin het behandelde thema duidelijk is; karakter is de mate waarin het werk klopt met zijn pretentie; zintuiglijkheid is de kwaliteit waarmee het werk de zintuigen bespeelt (en dan niet alleen het visuele); redactie is de mate en kwaliteit van ordening; originaliteit is het nieuwe inzicht dat het werk biedt. En dan hoeven zulke kenmerken niet steeds in dezelfde mate aanwezig te zijn. Beoordelen is niet over één kam scheren.