Feature —

Dutch Approach?

Gerwin de Vries

Naar aanleiding van haar 25 jarig bestaan organiseert H+N+S landschapsarchitecten drie middagen met lezingen rondom het thema The Dutch Approach, een Nederlandse benadering binnen de landschapsarchitectuur. De eerste bijeenkomst ging over de inhoud en achtergrond van de Dutch Approach. Hoe Dutch is deze Approach?

Plan Ooievaar – H+N+S (1986)

Onder leiding van Rijksadviseur voor Landschap en Water Eric Luiten gingen op vrijdagmiddag 18 september vier sprekers in op de Dutch Approach: bestaat de Dutch Approach wel? Wat zijn de kenmerken van de Dutch Approach? En wat is de historische en internationale context van de Dutch Approach? In hun lezing reageren de sprekers op een speciaal voor de gelegenheid geschreven essay door Noël van Dooren, Gardening the Delta. Volgens Van Dooren laat de Dutch Approach zich omschrijven als: ‘Scale is a matter of design’; ‘If it performs it is beautiful’; ‘Design is an invitation’; ‘Landscape is a process, a process is a landscape’.

De voor deze middag uitgenodigde sprekers hebben nadrukkelijk verschillende achtergronden en benaderen het thema op geheel eigen wijze, wat resulteert in een boeiende reflectie op de werkwijze van de Nederlandse landschapsarchitect.
Landschapsarchitect en medeoprichter van H+N+S, Dirk Sijmons beschrijft hoe het bureau is ontstaan en hoe Plan Ooievaar (1986) en het boek =Landschap (1998) onderdeel waren van grote veranderingen in het vak landschapsarchitectuur. De scope van de landschapsarchitect werd opgerekt. Landschap moest niet alleen de broccoli bij de maaltijd zijn, maar de gehele maaltijd. Ruimtelijkheid gaat in deze aanpak nadrukkelijk samen met techniek, en projecten worden gevormd door zowel onderzoek als ontwerp. Wat opvalt in het verhaal van Sijmons is de maatschappelijke betrokkenheid van HNS en de actieve houding waarin opgaven worden gedefinieerd voor en door de landschapsarchitect. Zo werden de versteviging van de dijken en de energietransitie eind jaren 80 (!) al benoemd als belangrijke ruimtelijke opgaven voor Nederland.

Historica Marinke Steenhuis ziet H+N+S als onderdeel van een lange geschiedenis van land maken en landschapsprojecten. Nico de Jonge tekende aan het landschapsplan van Walcheren (1968) en Alle Hosper aan de waterbekkens in de Biesbosch (1966), beide voorbeelden van een vernieuwende, ruimtelijke en integrale aanpak. Steenhuis laat ook internationale voorbeelden zien waarin eenzelfde soort aanpak wordt getoond, zoals het ontwerp voor de Green Belt van Londen (1935) en de theorievorming van landschapsarchitect Ian McHarg (Design with Nature, 1969). Steenhuis typeert de Nederlandse aanpak als een samengaan tussen functionaliteit en schoonheid, waarvan de Deltawerken volgens haar het beste voorbeeld zijn.

schets Veerse Meer, onderdeel van landschapsplan Walcheren – Nico de Jonge (1968)

Christophe Girot, professor in Zurich, maakt inzichtelijk hoe iemand uit een ander land of cultuur naar het Nederlandse landschap kijkt. Volgens Girot zit in water en de omgang met water een diepgewortelde Nederlandse trots. Door de platheid van ons land is het effect van een paar meter water stijging enorm. Het zijn elementen die we zelf misschien wel eens vergeten omdat ze zo vanzelfsprekend zijn, maar vanuit zijn Zwitserse perspectief zijn ze juist ongelooflijk Nederlands en daarmee misschien ook onderdeel van een Dutch Approach. Water, techniek en het inrichten van land zit in de genen en in de ziel van de Nederlanders, aldus Girot, maar een Nederlandse aanpak staat nooit op zichzelf en is altijd ontstaan in een grotere internationale context; de esthetische ontwerpaanpak kenmerkend voor het ontwerp van de Beemster (1658) hangt bijvoorbeeld direct samen met de opkomst van de optometrie in Europa.

Na het wegdromen bij de mooie projecten, tekeningen en schetsen van Nederlandse landschapsarchitecten zet Henk Ovink ons weer met beide benen op de grond. In zijn Rebuild by Design-programma werkt hij over de hele wereld aan het exporteren van de Nederlandse ontwerpaanpak. Water is een van de grote opgaves voor de komende decennia wereldwijd, benadrukt Ovink, de Nederlandse aanpak in projecten als Ruimte voor de Rivier kan hiervoor goed als voorbeeld worden gebruikt. De uniciteit van dergelijke projecten is volgens Ovink gelegen in het belang van de organisatorische en strategische kant in projecten. Een goed project vraagt naast een goed ontwerp om financiën, politieke contacten, goed beleid en draagvlak. Elementen die helaas vaak alleen samenkomen na een groot probleem, zoals een ramp of overstroming.

De Dutch Approach die Van Dooren beschrijft in zijn essay wordt grotendeels ondersteund door de voorbeelden van de sprekers, daarnaast geven Steenhuis, Girot en Ovink de Dutch Approach een historische-, internationale- en beleidsmatige context. Toch zijn er enkele vraagtekens te plaatsen en aanvullingen te maken.

Rebuild by Design, Long Island, New York – Interboro Team: Interboro / Apex / Bosch Slabbers / Deltares / H+N+S / Palmbout / IMG Rebel with Center for Urban Pedagogy, David Rusk, NJIT Infrastructure Planning Program, Project Projects, RFA Investments, TU Delft (2014)

Uit de lezingen blijkt dat de Nederlandse aanpak zich vooral ook te kenmerkt door een sterke maatschappelijke betrokkenheid en een proactieve houding in projecten en opgaven. Projecten beginnen vaak met een probleem, hebben een sterke urgentie en gaan daarmee verder dan alleen een esthetische ingreep. Andere kenmerken van de Dutch Approach zoals die uit de lezingen naar voren kwamen zijn een strategische aanpak, een open en onderzoekende ontwerphouding en een sterke drang tot innovatie.
Een vraag die je naar aanleiding van de lezingen kunt stellen is of de beschreven aanpak werkelijk Nederlands is. Uit de lezingen blijken veel internationale voorbeelden eenzelfde aanpak te hanteren. Ook Van Dooren noemt nadrukkelijk internationale voorbeelden in zijn essay. Daar komt bij dat de omschreven approach maar aan een klein deel van de Nederlandse bureaus is toe te schrijven, vooral aan bureaus met hun oorsprong in landschappelijke vraagstukken. Maar ook, betreft de omschreven benadering vooral projecten op een grotere schaal die gekenmerkt worden door het ontwerpen met landschappelijke systemen en processen? Aaron Betsky noemt in Flase Flat. Why Dutch Design is so good (2004) onder andere een conceptuele aanpak, een liefde voor complexiteit, ironie en een drang tot innovatie als belangrijke kenmerken van Dutch Design. Hoe verhoudt de landschapsarchitectuur zich tot de Dutch Approach in architectuur en design?

Een andere vraagstuk dat terugkeert binnen de lezingen is de exporteerbaarheid van de Nederlandse aanpak. Nederlandse landschapsarchitecten werken in het buitenland vooral aan stedelijke projecten als parken, openbare ruimtes en waterfronten. Zijn opgaven op een grotere landschappelijke schaal, kenmerkend voor de omschreven Dutch Approach, misschien minder vanzelfsprekend in het buitenland door hun sterke samenhang met de Nederlandse context? Girot noemt het naïef om te denken dat een ontwerp, specifiek gemaakt voor Nederland, te exporteren is naar een ander land en landschap.
Hoewel een ontwerp natuurlijk niet letterlijk te vertalen is naar een andere context, lijkt er toch een enorme potentie in de Nederlandse landschapsarchitectuur en de Nederlandse methode te zitten. Nederland kan als een laboratorium voor allerlei landschappelijke opgaven gaan fungeren, sterk gerelateerd aan verstedelijking en water. Dit vraagt om innovatieve ontwerpen, kennis van landschappelijke en stedelijke systemen en om een strategische en multidisciplinaire aanpak.

De lezingen vormen een mooie basis voor een discussie over de toekomstige opgaven en de internationale potentie van het vak: waar liggen de kansen binnen een context van globalisering, toenemende verstedelijking en klimaatsverandering? Er volgen twee middagen met lezingen op 25 september en 2 oktober, kom zeker luisteren!