Feature —

Uit het droomhuis geholpen

Pieter Hoexum

Wat maakt van een huis een thuis…
Wat is het geheime ingrediënt, aan welke voorwaarden moet een huis voldoen om een thuis te zijn? Architect en schrijver Edward Hollis schreef How to make a Home.

foto’s uit het ArchiNed familiealbum

Hoe ziet een thuis eruit? Het lijkt zo eenvoudig, ieder kind kan een thuis uittekenen: een vrijstaand huis met een puntdak met een schoorsteen waar rook uit kringelt, met een deur en een paar raampjes met daarin een vaasje bloemen uit de voortuin, zo’n voortuin waar een hekje omheen staat. Zo’n huis is een echt thuis, een plek waar je je veilig kan voelen, waar je jezelf kan zijn en tot jezelf kan komen, waar je tot rust kan komen en je geborgen kan weten.
‘Normale’ boeken over woninginrichting, over (binnenhuis)architectuur, zouden hierop voort bordurend, met een soort programma komen voor het verwezenlijking van zo’n ’droomthuis’. Edward Hollis, architect, docent en schrijver, pakt het echter in zijn pas verschenen boek(je) How to make a Home, radicaal anders aan. Hollis helpt ons uit de droom, uit het ‘droomthuis’.

Er is al veel gefilosofeerd over het ideale huis, het oerhuis, de beste woningindeling en –inrichting, en de volmaakte huishouding en veel van die ideeën en idealen komen ook wel – zij het kort – aan bod in dit boek, maar al op pagina 3 van dit boek komt de aap uit de mouw: “There are, [i] will argue, no definitive laws we can use to create beauty or domestic harmony.”

In zes hoofdstukken komen zes belangrijke, breed aanvaarde veronderstellingen over het perfecte huis, en dus over thuis, aan de orde, die vervolgens vakkundig door Hollis ontkracht worden. Ten eerste is daar het meer algemene idee dat er ideale huizen bestaan en dat je die zou moeten bezitten. Vervolgens is daar het idee dat een perfect huis op orde is, dat er een harmonieuze sfeer heerst; ten derde is er het moderne, door Adolf Loos verkondigde vooroordeel dat ornamenten misdadig zijn; ten vierde is er het klassieke idee dat de smaak volgens welke we ons huis inrichten, te verantwoorden en rechtvaardigen is; dat thuis de plek is om te ontspannen is het vijfde vooroordeel en ten slotte bestaat het idee dat thuis de plek is om alleen te zijn, dat thuis de plek bij uitstek is waar je je niet alleen geborgen kan weten maar waar je je ook kan verbergen.

Die dromen zijn misleidend, ze benemen je het zicht op de realiteit. En kwalijker nog, de realiteit wordt vaak in naam van die dromen en idealen verketterd. Hollis behandelt bijvoorbeeld de Franse filosoof Gaston Bachelard, die prachtig en poetisch-invoelend schreef over zijn geboortehuis als een poëtische ruimte – om vervolgens heel Parijs ter zijde te schuiven en te verwerpen, omdat daar geen echte huizen zouden staan, daar ‘wonen’ (eigenlijk zou je het zo niet mogen noemen) mensen in dozen. Hollis’ benadering is een andere, hij denkt niet diep na over wat een thuis idealiter zou moeten zijn, maar over de vraag hoe mensen zich een thuis maken, hoe het ze ondanks alles toch lukt om bijvoorbeeld in zo’n ‘doos’ thuis te voelen.

We zien ons graag als nestenbouwers, zoals de merel, maar Hollis wijst erop dat we meer op de koekoek lijken. We menen dat wonen zou moeten beginnen met bouwen of laten bouwen. In werkelijkheid bezetten we meestal reeds bestaande gebouwen. Wonen is in beslag nemen, je een plek toe-eigenen.
Vanuit in deze lijn geredeneerd,  vergelijk Hollis in het tweede hoofdstuk wonen met kamperen: we kamperen eigenlijk in onze huizen. Terwijl architecten diep nadenken over de perfecte indeling en inrichting van het huis, weten de meeste bewoners dat wat ze ook doen, het altijd weer tijdelijk en voorlopig is. De inrichting wordt steeds aangepast aan continu veranderende omstandigheden en eisen. Je kan dat onrustig en wanordelijk noemen, maar ook, zoals Hollis, speels en inventief.

In het derde hoofdstuk geeft Hollis een prachtig minicollege geschiedenis van de esthetica, van het denken over smaak. Hij laat zien hoe in de loop van de geschiedenis de autoriteiten en hun smaakvoorschriften één voor één van hun voetstuk vielen: noch God, noch de koning, noch de academie, noch de modernistische architecten kunnen ons voorschrijven hoe we ons huis moeten inrichten en onderhouden. Postmoderne burgers moeten het tegenwoordig zelf uitzoeken. We zijn bevrijd van de autoriteiten, maar zijn nu overgeleverd aan de vrije markt, waar onze behoeftes genadeloos uitgebuit worden. Hollis ziet dat gevaar en kan er weinig tegenin brengen, behalve dan te waarschuwen je niet tot ‘woonconsument’ te laten reduceren en vooral te wijzen op een positieve kant: we hebben nu de vrijheid te experimenteren. Trek je niet al te veel aan van wat ‘deskundigen’ op tv, in ‘de bladen’ of handboeken zeggen, wil Hollis eigenlijk bemoedigend zeggen, maar ga rustig verder met het decoreren en versieren van je huis. En als je het morgen anders wil, moet je dat vooral doen.

Hoofdstuk vier is gewijd aan een kwestie waar iedere bewoner uiteindelijk mee geconfronteerd wordt: opruimen of niet opruimen. Iedere opruimgoeroe zal zeggen: gij zult opruimen, of zoals de momenteel populaire Marie Kondo pleegt te zeggen: “loslaten”. Opruimen zou ideaal gesproken gelijk staan aan ruimte maken. Het ideale huis zou een echte microkosmos zijn, waarbij het belangrijk is te bedenken dat het woord kosmos komt van de Oude Grieken en orde betekent: binnenshuis zou dezelfde goddelijke orde moeten heersen als die buitenshuis heerst.
Het zal inmiddels duidelijk zijn dat Hollis hier recht tegenin gaat en niet kiest voor loslaten maar voor vasthouden. Het huis als microkosmos is namelijk een misleidend beeld en zou vervangen moeten worden door een ander beeld: de Wunderkammer. Onze huizen zijn rariteitenkabinetten. Een thuis is een verzameling spullen, waarvan de waarde meestal alleen door de eigenaar wordt ingezien. Meestal gaat het trouwens niet eens zozeer om de spullen zelf, als wel om het uitstallen ervan. Want ook dat is ruimtelijk ordening: het uitstallen van je snuisterijen. Je bent je zooi.

Het vooroordeel over thuis dat Hollis in hoofdstuk vijf ontkracht is dat thuis de plek is om te ontspannen. We dromen heel nostalgisch over personeel dat de huishouding regelt of heel utopisch over automaten die dat voor ons doen. Maar dat is tegen beter weten in. Huishoudelijk werk is eindeloos. Hoe het huis van de toekomst ook zal zijn, we weten zeker dat het ook de plek zal zijn die we moeten onderhouden en waar we moeten redderen. Er zit gewoon niets anders op dan te stoppen met dromen en op te houden met zeuren en aan de slag te gaan met dweilen en stofzuigers, of wat er ook allemaal uitgevonden wordt. Sterker nog, we moeten het huiselijk werk omarmen, want precies door ergens huishoudelijk werk te verrichten, máák je het tot je thuis.

Nadat een thuis al onstabiel, wanordelijk, smakeloos, rommelig en een echte werkplaats bleek te kunnen zijn, lijkt het thuis tenslotte in hoofdstuk zes helemaal in rook op te gaan. Als er tegenwoordig nog één heilig huisje is, dan is het privacy – en ook die stoot Hollis omver. Hoewel, zó bont maakt Hollis het toch niet; ook hij vindt privacy wel degelijk belangrijk en onmisbaar zelfs, maar niet altijd en bovendien is het niet plaatsgebonden. Privacy is, zoals iedereen weet maar niemand lijkt te willen erkennen, niet eeuwig en niet absoluut. Privacy, en daarmee thuis, is een vermogen, een strategie om tijdelijk met de omgeving en met anderen om te gaan, namelijk door je er vanaf te sluiten en even in jezelf en je bezigheden op te gaan.

Hollis voornaamste verdienste met How to make a home is dat hij een misleidende vraag vervangt door een heldere vraag en die bovendien overtuigend beantwoordt. De hamvraag was: “Wat maakt van een huis een thuis?” Dat lijkt een heel diepzinnige vraag, maar blijkt een tamelijk onzinnige vraag. De juiste vraag luidt: “Wie maakt van een huis een thuis?” En het antwoord op die vraag luidt eenvoudigweg: “De bewoner”. Dat lijkt misschien slechts nieuws voor ontwerpers, maar dat hoeft het zeker niet te zijn: een architect kan zich helemaal op het huis werpen en het thuis aan de bewoners overlaten.