Recensie —

Waar is ‘De Straat’?

Arnold Reijndorp

Arnold Reijndorp geeft redenen waarom je voor een waardige opvolger van de tentoonstelling De Straat, vorm van samenleven (1972) toch in het Van Abbemuseum moet zijn.

detail uit Map of Total Art (2012), Qiu Zhijie – coll. Van Abbemuseum

‘Deze tentoonstelling voegt helemaal niets toe,’ las ik jaren geleden in het gastenboek van het museum van Oostende. Dat pinnige commentaar ging over de tentoonstelling van zeegezichten die ik daar net had bezocht. Door de beknopte, onderkoelde stijl stelde ik me de schrijver voor als een oudere, strenge heer in een gabardine jas. Maar ik was het helemaal met hem eens. Dat commentaar schoot me na jaren weer door het hoofd toen ik na de opening van de tentoonstelling Van wie is de Straat? in het Eindhovense Van Abbemuseum terugliep naar het station. Ook deze tentoonstelling voegde helemaal niets toe, dat was precies wat ik vond. Ben ik ook een oudere, strenge heer? Een gabardine jas heb ik in ieder geval niet.

Mijn ongenoegen betrof nog niet eens het tentoongestelde werk van de vier uitgenodigde, gerenommeerde collectieven en kunstenaars, Crimson, ZUS, Jan Rothuizen en !melk. Maar met vier afzonderlijke, schijnbaar autonome kunstwerken, hoe goed of slecht op zich, maak je nog geen tentoonstelling. Daar moet je een of ander overkoepelend idee voor hebben, een kwestie aan de orde stellen. Welke briefing hebben de uitgenodigde kunstenaars meegekregen? Wat was de bedoeling van de curator met deze tentoonstelling? Het persbericht refereert uitdrukkelijk aan de geruchtmakende tentoonstelling De straat, vorm van samenleven uit 1972. In de huidige tentoonstelling herinneren alleen enkele kleine foto’s aan de opstelling van toen. Blijkbaar alleen om te laten zien dat er toen ook al aandacht was voor protest, vluchtelingen, ontwerp en het inkrimpen van de openbare ruimte.

Stadsgezicht (1934), Carel Willink – coll. Van Abbemuseum

Nog peinzend hoe ik op een nette manier mijn kritiek zou verwoorden, las ik in De Groene van 10 maart een stuk van Pieter Hoexum, bekend als de filosoof van het rijtjeshuis, wiens werk ik zeer waardeer. Tot mijn verrassing schreef hij heel enthousiast over de tentoonstelling waarvan ik net teleurgesteld was teruggekomen. De vide, waarin de tentoonstelling is gesitueerd, die een trappenhuis lijkt maar dat niet is, maakt deze tot een soort straat, schrijft Hoexum, die in eerste instantie overzichtelijk lijkt maar bij nadere beschouwing juist wanordelijk en dus interessant is.
Mooi is ook zijn opmerking dat hoeveel ellende er ook te zien valt, het een hoopgevende tentoonstelling is. ‘Je kunt er zien dat wat er ook geprobeerd wordt, hoe slecht de omstandigheden ook zijn, er toch altijd weer ruimte ontstaat voor straatleven. Net als onkruid is het straatleven onuitroeibaar.’ Waar heeft hij het over, dacht ik. Hebben wij wel dezelfde tentoonstelling gezien? Wat had Hoexum gezien dat ik niet zag? Ik besloot nog een keer te gaan kijken, langer, beter en geconcentreerder dan op de met zangkoren aangeklede opening mogelijk was. Maar, helaas, ik zag het niet, niet de wanordelijkheid die interessant zou zijn en ook niet het tegen de klippen opbloeiende straatleven. Die laatste observatie gaat zeker wel op voor Refugee Republic van Jan Rothuizen, en misschien een beetje voor de door Crimson in beeld gebrachte protesten, maar geldt die ook voor die door ZUS minuscuul in beeld gebrachte implosie van de openbare ruimte? Of voor de domesticatie van de openbare ruimte van Las Vegas a la !melk? Ik zag wel iets anders.

Le bain des vagabonds (1936), Jean Brusselmans – coll. Van Abbemuseum

De vide die een trappenhuis lijkt, maar dat niet is, zoals Hoexum terecht schrijft, dwingt de bezoeker bijna weg van de tentoonstelling, weg van die ene straat en verder de stad in, naar de omringende zalen. Omdat de tentoonstelling ook bij tweede, consciëntieuze bestudering haar geheimen niet prijs gaf, begon ik te dwalen, iets wat ik sowieso het liefste doe in steden. Ook hier gold het motto van Walter Benjamin, dat het niet moeilijk is om in een stad de weg kwijt te raken, maar dat om in een stad te verdwalen scholing nodig is.
Ik viel van de ene verrassing in de andere. De straat bleek maar voor een heel klein deel in die vide te hangen. In de andere zalen was zij verborgen tussen andere werken die de straat niet als hun onderwerp hadden – en misschien juist daardoor die verstopte werken over de straat uitlichtten en van commentaar voorzagen. Ik stuitte op een wand met de tekst ‘OP EEN RUWE’ met daaronder ‘BINNEN DE CONTEXT VAN (EEN) PLAATS’; op de vloer een slingerend snoer van stenen. Er was een video, waarin een man een laken uitspreidde op de grond en erop ging liggen, foto’s van een landschap met havenkranen met in lucht in wolkenletters geschreven BOEZEM.

In een zaal met als thema ‘tegenculturen’ vond ik de tentoonstelling van 1972 zelf tentoongesteld, niet enkele met talloze foto’s, maar ook met notities voor de directie van een curator en een suppoost over de reacties van het publiek op de tentoonstelling en suggesties voor verbetering. Opmerkelijk: ‘Bij Nederlandse bezoekers komt grote lijn slecht over. Bij buitenlanders beter’. Dat geeft te denken. En: ‘Als onderwerp is de tentoonstelling zeer interessant, maar ik had me iets tastbaarders voorgesteld. Niet alleen foto’s, die alle mensen op de een of andere manier wel kennen, maar voorwerpen, environments. De link naar de eigen straat wordt niet gelegd.’ Daar hadden de vormgevers van de huidige tentoonstellingen iets van kunnen opsteken.

In diezelfde zaal ook ’t Karregat, het multifunctioneel wijkcentrum in Eindhoven, ontworpen door Frank van Klingeren volgens het principe dat hinder zorgt voor contact en uitwisseling. En affiches over speelruimte en het bannen van de auto: STOP DE KINDERMOORD. Verderop lagen in een vitrine twee brochures van Documenta 11, getiteld ‘Under Siege: Four African Cities – Freetown, Johannesburg, Kinshasa, Lagos’ en ‘Créolité and Creolization’. Ik had ze graag even doorgebladerd, om iets te leren over onze huidige situatie van wereldwijde migratiestromen die ook in onze steden neerslaat evenals de superdiversiteit die nieuwe bastaardtalen oproept.

Sixty Stones (1975), Richard Long – – coll. Van Abbemuseum

Ik werd overweldigd door de ‘Kaart van Totale Kunst’ van Qiu Zhijie, een kaart van een stad met straatnamen als ‘The Path of Life Long Project’, gebouwen als het ‘Stadium of Selfcultivation’ en ‘Research Center of Body Thoughts’ en buurten als ‘Rebirth of Society’ en ‘The Transformation from Family to Country’. Van dezelfde kunstenaar hangen er kaarten van Utopia en Zhongshan Park.  Snel terug om ze te vergelijken met de kaart van Jan Rothuizen. Maar onderweg verdwaald in een donker slop om verrast te worden door een video ‘Trap’ waarin Roemeense straatkinderen met zang en accordeon in Istanboel overleven met als decor een uitzinnige baroktrap. Gevolgd door een animatie over het transformatie van een dorp in een projectontwikkelaars-paradijs. ‘Everything is OK’ is schijnbaar een kinderfilmpje en juist daardoor onthullend: winst maken is kinderspel.

Er is nog veel meer, zoals het schilderij ‘Le bain des vagabonds’ (1936)’ van Jean Brusselmans, of ‘Danslokaal’ (1921) van Gust. De Smet en natuurlijk ‘Stadsgezicht’ (1934) van Carel Willink. Of de foto’s van Aydan Murtezaoglu van een vrouw zittend op een bank of zwaaiend met een antenne op een dak, beide met uitzicht op (alweer) Istanboel. En de enorme posters met daarop uitvergroot overbekende schilderijen als dat van Marianne die de Franse Revolutie aanvoert; nu voorzien van de vraag: What is on our mind?.

De grootste verrassing kwam voor mij aan het eind, maar eigenlijk is dat het begin: de Urgency Room van het museum, waarin de video ‘Museum Songspiel: The Netherlands 20XX’ draait. Het Russische kunstenaarscollectief  Chto Delat? bedacht  al in 2011 wat er zou gebeuren als er een groep vluchtelingen neerstrijkt in het Van Abbemuseum. ‘Een paar jaar geleden leek die situatie misschien nog ver gezocht,’ schrijft het museum in de toelichting, ‘maar op dit moment wordt druk gezocht naar allerlei ruimtes om vluchtelingen te kunnen huisvesten. Waarom zou een museum in zo’n noodsituatie niet die functie kunnen hebben.’ Ja waarom niet? Maar Van Abbe doet het niet, toch? Ga dat zien, het is om te lachen en je te schamen.

Dwalend door de zalen van het museum ontdekte ik een tentoonstelling over de straat als vorm van samenleven die een waardige vertegenwoordiger is van de tentoonstelling uit 1972. Sindsdien zit de straat kennelijk in de genen van het museum en stuurt de collectievorming. Van deze tentoonstelling bestaat catalogus noch kaart. Wie de straat, de openbare ruimte van de stad wil ontdekken en ervaren, moet leren verdwalen.  Op die manier eigent iedere bewoner en bezoeker zich zijn eigen stad toe. Dus op naar het museum en maak zo uw eigen tentoonstelling.

 

Lees ook de recensie over de tentoonstelling Van wie is de straat? door Paoletta Holst.