Recensie —

Architectuur in Nederland Jaarboek 2015-2016: Op zoek naar een ‘nieuwe generatie’

Roel van der Zeeuw

Het Jaarboek Architectuur samenstellen is, als we de redactie mogen geloven, geen sinecure. Zoals Edwin Oostmeijer aangaf tijdens de presentatie van de laatste editie in het Waterliniemuseum van Anne Holtrop, kun je het “als redactie nooit goed doen”.

01
spread uit besproken boek
(Monadnock / Job Floris afgestudeerd in 2004, Sandor Naus afgestudeerd in 2001)

 

Het is de taak van de Jaarboekredactie, voor deze editie bestaande uit Tom Avermaete, Kirsten Hannema, Hans van der Heijden, Edwin Oostmeijer om de bijna vierhonderd projecten die per jaar worden ingediend te reduceren tot de dertig die jaarlijks in het boek worden opgenomen. Een bijkomende complicatie is dat er niet zoals ten tijde van Superdutch een dominante stroming lijkt te zijn. Het architectuurveld wordt, zoals in het redactioneel wordt geschreven, “op zeer uiteenlopende manieren bespeeld”, waarbij architecten ook nog eens wisselende rollen innemen: van de ‘ouderwetse’ rol van ontwerper tot een meer faciliterende rol die de vele actoren in het bouwproces samenbrengt en begeleidt. Nieuwe kaders dienen volgens de redactie gevonden te worden om het huidige landschap te kunnen duiden en beoordelen. Vorig jaar ontbrak het dezelfde redactie nog aan “de gepaste woorden om het karakter en de eigenheid van de nieuwe initiatieven goed te duiden”. Zou het in dit Jaarboek nu wel lukken?

Waar de redactie in de inleiding van de editie 2014-2015 al schreef dat ‘gevestigde reputaties’ niet meer dominant aanwezig waren in het Jaarboek, is er nu, zo sprak Edwin Oostmeijer tijdens de presentatie “een nieuwe generatie die aan de deur klopt”. Het aanwijzen van een ‘nieuwe generatie’ lijkt genoeg reden voor enthousiasme en zodoende kwam deze combinatie van woorden dan ook veelvuldig terug tijdens de presentatie én in het Jaarboek zelf. Wie tot die generatie behoort en of er ook iets is dat die generatie, behalve hun leeftijd, bindt maakte Oostmeijer tijdens zijn praatje niet duidelijk.

 

02
spread uit besproken boek
(Felix Claus afgestudeerd in 1987, Dick van Wageningen afgestudeerd in 1999)

 

Wellicht konden de architecten zelf meer duidelijkheid bieden. Martijn Blom (Hollands Licht) en Ninke Happel (HappelCornelisseVerhoeven) – beide opgeleid rond de eeuwwisseling en blijkbaar beide onderdeel van de bewuste ‘nieuwe generatie’ – werd tijdens de presentatie de vraag gesteld hoe zij ‘hun’ generatie zouden benoemen. In de vraag om een label en de woordkeuze – ‘jullie generatie’ – lijkt impliciet zowel de suggestie te zitten dat er iets is dat deze generatie bindt, als dat zij beide tot deze groep behoren. Klopt dat? Happel kan binnen de eerder genoemde rolverdeling onder de klassieke rol van de architect geschaard worden, terwijl Blom, als een van de initiatiefnemers achter de Kleiburgflat (de honingraatklusflat in de Amsterdamse Bijlmermeer), de architect vertegenwoordigd die op de achtergrond handelt en vanuit een faciliterende rol bewoners zelf een deel van de regie over hun woning laat overnemen. In hun benadering hebben ze dus weinig gemeen en kan hier alleen in leeftijd over een generatie worden gesproken.

Misschien biedt het Jaarboek zelf meer duidelijkheid. Van de dertig projecten die dit jaar de selectie hebben gehaald, zijn inderdaad enkele gebouwen te vinden van architecten die tot de generatie van Happel en Blom behoren. Het merendeel behoort echter nog steeds tot de portfolio van de oude(re) generatie. Op zich is dat niet verwonderlijk, maar een klein deel van het actieve werkveld wordt ingenomen door jonge architecten, en het blijft voor jonge bureaus, vooral in deze tijd, nog steeds moeilijk om daadwerkelijk ‘te bouwen’. Toch  blijft de oogst jonge architecten, vooral in het licht van de nadruk die de redactie op hen gelegd, nogal magertjes en lijkt er nog niet sprake van een noemenswaardige verschuiving.

 

04
Happel Cornelisse Verhoeven, paardenpension Lentevreugde – spread uit besproken boek
(Ninke Happel en Floris Cornelisse beide afgestudeerd in 2003, Paul Verhoeven afgestudeerd in 2009)

 

Naast de dertig projecten die in tekst en beeld zijn gedocumenteerd, is het Jaarboek ook dit jaar weer aangevuld met essays van de redacteuren. Mogelijk kunnen die meer duiding geven. Kirsten Hannema heeft het in haar bijdrage over een groep ‘jonge architecten’, die ze in een breder historisch perspectief plaatst door over de schaduwcanon te spreken die altijd al naast het Modernisme heeft bestaan. Hannema schetst op sprekende wijze de ogenschijnlijke banaliteit van de onderwerpen van deze jonge architecten – baksteen, kopgevel, obscure architecten uit de vorige eeuw – en de nederigheid waarmee de jongeren zich presenteren. Deze steekt schril af bij het spektakel waar de architecten van Superdutch zich vaak van bedienden. Zij roept de ‘jonge generatie’ dan ook op mondiger hun plek op het podium te claimen.

Het essay roept echter naast actie ook veel vragen op, niet in de laatste plaats wie nu precies onder de noemer ‘jonge generatie’ vallen en wat hun geluid daadwerkelijk zo anders maakt. Zo noemt Hannema in haar stuk verschillende architecten, maar lijkt de term ‘jonge generatie’ soms meer als een afbakening van een gedachtengoed dan leeftijd te worden gebruikt – Winhov behoort bijvoorbeeld niet tot dezelfde generatie als Monadnock. Door hen af te zetten tegenover Superdutch lijkt deze groep met een ander geluid het podium te betreden, maar gelijktijdig passen ze in een lange traditie. En dat is niet alleen de schaduwcanon waar Hannema over spreekt, er zijn ook lijnen te trekken naar architecten als Rapp+Rapp, Claus Van Wageningen en biq.

 

03
spread uit besproken boek
(Studio Prototype / Jeroen Steenvoorden en Jeroen Spee beide afgestudeerd in 2006)

 

De essays van Hannema, Oostmeijer en Avermaete reppen niet alleen over de ‘nieuwe generatie’, maar in alle essays ligt de focus sterk op dezelfde set gebouwen: Kleiburgflat, de Landmark en museum Fort Vechten. (De bijdrage van Hans van der Heijden is een interview met Koen van Velsen.) De bijdrage van Hannema gaat daarnaast zelfs grotendeels over interesses, publicaties en initiatieven van een groep architecten die deels überhaupt nog niet bouwt. Hoe nobel het ook is om deze groep in het licht te zetten en hoe interessant het ook is om de essays te lezen, kan je je afvragen of de redactie niet juist zou moeten schrijven over het werk dat het afgelopen jaar wél gebouwd is. Nu blijft het grootste deel van de selectie in het Jaarboek onderbelicht en is er een grote discrepantie tussen de dertig projecten die de redactie kiest als ‘best practice’ en waar zij kiest om over te schrijven.

Dit alles resulteert erin dat het Jaarboek als een gespleten document overkomt. Want hoewel dit jaar de focus lijkt te liggen op wat de redactie graag aanduidt als een ‘nieuwe generatie’ en een ‘nieuwe definitie van het architectuurproject’, voldoet slechts een handjevol projecten aan deze ‘criteria’. Aangezien dit ook de meest interessante en eigenzinnige projecten zijn die dit jaar zijn opgeleverd, begrijp ik de keuze van de redactie om hierover te willen schrijven. Tegelijk lijkt het daarmee alsof de andere projecten als een verplichting zijn opgenomen en dat hierover misschien ook eigenlijk niet zoveel te melden valt. Het zijn, zoals Dirk Somers (Bovenbouw) treffend sprak tijdens de presentatie, gebouwen die stuk voor stuk door bekwame architecten zijn ontworpen, maar die uiteindelijk niets meer zijn dan “a job well done”. Als je door het boek bladert komt dan ook af en toe de gedachte op dat de moeilijkheid voor de redactie niet lag in het reduceren van het aanbod tot dertig projecten, maar in het vinden van genoeg interessante projecten. Bij voorkeur nog projecten die op enige wijze konden aansluiten bij het metanarratief dat zij graag lijkt te willen vertellen, ondanks de verzekering in het redactioneel dat het Jaarboek een forum is waar alle ‘architectonisch intelligentie’ een eerlijke kans krijgt.

 

05
spread uit besproken boek
(Studio Maks / Marieke Kums afgestudeerd in 2005)

 

Het zal echt niet meevallen om Jaarboekredactie te zijn. Ze is nu eenmaal gebonden aan werk dat in een betreffend jaar is opgeleverd en dat werk is daarnaast nog, vanwege de traagheid inherent aan architectuurprojecten, soms lange tijd geleden geïnitieerd. Zou het Jaarboek echter ondanks de afhankelijkheid van gebouwde projecten niet ook iets kunnen betekenen voor de generatie die, om in de woorden van Hannema te blijven, nog in de coulissen wacht? Zoals Somers ook opmerkte tijdens de presentatie, komen architecten als Anne Holtrop en Monadnock niet uit het niets. Ze hebben stevige posities ingenomen bij onderwijsinstellingen en zijn al meerdere jaren actief, deels op papier en in maquettes, maar soms ook in gebouwd werk. Zou er ruimte te maken zijn in het Jaarboek voor onderzoek, experiment of vernieuwing in de architectuur die zich (nog) niet manifesteert in gebouwde projecten?

Wellicht dat hier dan ook een opening ligt om van het Jaarboek een interessanter en coherenter document te maken dan wat nu enerzijds een ambitieuze poging is om in essays een periode te duiden en anderzijds voelt als een verplichte lijst van dertig projecten.