Feature —

De dromen van Winy Maas

Patricia van Ulzen

Het is gelukt een gigantische trap te bouwen die van het stationsplein in Rotterdam naar het dak van het Groothandelsgebouw leidt. Maar voor de bedenker van De Trap, Winy Maas  (MVRDV), is één trap bij lange na niet genoeg. Hij wil héél Rotterdam van trappen voorzien, zo liet hij zien tijdens de openingsavond van de Rotterdamse Architectuur Maand in bioscoop Kriterion, bovenop het Groothandelsgebouw.

beeld MVRDV

Powerpointslides van Rotterdamse gebouwen waaraan trappen, roltrappen zelfs, zich als parasieten vastklampen, volgden elkaar in hoog tempo op: het Centraal Station, het Stadhuis, de Schouwburg, de Bijenkorf, Het Nieuwe Instituut, de Kunsthal, de Fenixloodsen. De allerlaatste dia toonde de gebouwen die je vanuit Kriterion kunt zien, zoals Central Post en de Delftse Poort plus nog wat extra erbij verzonnen hoogbouw, alle voorzien van roltrappen en verbindingsbruggen. Winy Maas had toen meer dan een uur gesproken, zonder zijn publiek ook maar een seconde te vervelen. Want behalve de running gag van het gebouw-met-roltrap kwamen er nog veel meer hilarische en visionaire beelden voorbij, in een amechtig makend tempo. Het droge commentaar van de architect daarbij maakte de zaal regelmatig aan het lachen. Het was puur entertainment, deze avond, die afgesloten werd door een interview met Maas door journalist Wilfried de Jong.

Tegen De Jong vertelde Maas dat zijn plannen zich bevinden op het spanningsveld tussen ‘branie en serieus’. Volgens hem past die spanning ook goed bij het karakter van Rotterdam. Daar heeft hij een punt, want is Rotterdam geen meester in het ironisch bagatelliseren van de eigen prestaties, vooral op architectonisch gebied? De Markthal bijvoorbeeld, een ontwerp van MVRDV, kreeg aanvankelijk de zeer complimenteuze bijnaam de Sixtijnse Kapel van Rotterdam. Maar al snel circuleerden op de sociale media namen als Caviatunnel en Vreetkeet. (1). AIR-directeur Patrick van der Klooster plaatste Maas in zijn aankondiging in de traditie van Van Traa. Maar terwijl logistieke en economische efficiëntie het voornaamste doel was van het Basisplan voor de Wederopbouw van Rotterdam (1944), lijkt Maas eerder een soort speeltuin voor ogen te hebben – Constant (New Babylon) is een nauwere geestverwant dan Cornelis van Traa.

trap bij de Rotterdamse Bijenkorf – beeld MVRDV

Dat Maas over een grote portie branie beschikt bleek overduidelijk tijdens zijn optreden in Kriterion, maar wat was nu de serieuze gedachte achter de roltrappen, het opgetilde Schielandshuis, de in de stad geïntegreerde Olympische stadions – ‘We hebben de regering toch helemaal niet nodig voor het organiseren van de Olympische Spelen?’ – de haven als Canal Grande temidden van een uit afval gebouwd berglandschap ‘dat Zwitserland verslaat in sculpturaliteit’, de Kralingse Berg als verbinding tussen Hillegersberg en Kralingen, het Brienenoordplaza ‘met het mooiste uitzicht van Rotterdam’ en het ultieme visioen, een stad waar auto’s (skycars) niet doorheen rijden maar vliegen?

Een rode draad in deze hemelbestormende beelden is de schaal. Maas denkt groot. Dat bleek niet alleen uit zijn plannen maar hij zei het ook letterlijk: er moet in Rotterdam groter worden gedacht en het moet afgelopen zijn met het gepraat over kleinschaligheid. Zijn eigen ontwerpen voor de Markthal en het nog te bouwen depotgebouw van Museum Boijmans Van Beuningen, De Pot met een spiegelende gevel, passeerden de revue als concrete voorbeelden van deze hang naar groot, groter, grootst.
Om groot te kunnen denken, zoomt hij uit. Tijdens zijn lezing bekeek hij Rotterdam vanaf een steeds verder en hoger gelegen standpunt. De trappen naar gebouwen zijn op zich al een vorm van uitzoomen, want ze doen net alsof de grootste en hoogste gebouwen slechts een verdieping hoog zijn. Het uitzoomen ging door tot Rotterdam nog slechts een klein onderdeel was van ‘het stadje Nederland’, waarin Delfland functioneerde als een Central Park met Manhattan-achtige hoogbouw eromheen.

Een andere rode draad is wat hij ‘de bovenstad’ noemt: het bouwen van gebouwen, tuinen en parken óp de daken van de bestaande stad. Maas pleit hiervoor omdat dit zorgt voor een noodzakelijke maar toch aangename verdichting van Rotterdam en, uiteindelijk, Nederland. ‘Verdichting hoeft niet claustrofobisch te zijn’ stelde hij in 2014 in een interview.(2) In Kriterion toonde Maas beelden van het helblauwe Didden Village (2006) in Rotterdam als bewijs hoe aantrekkelijk het wonen in de bovenstad kan zijn. Dat Maas deze weg naar verdichting liever bewandelt dan het alom bepleite benutten van leegstaande panden, bleek toen De Jong hem hierover ondervroeg. Maas antwoordde dat hij niet hield van het ‘proppen in een bestaand gebouw’. Hij gaat liever het dak op en dat maakt ook de betekenis duidelijk van zijn droom van een stad vol gebouwhoge trappen. Hij ondersteunde zijn pleidooi voor verdichting met een lijst van de dichtst bevolkte metropolen ter wereld. Als Nederland wordt vergeleken met steden als Caïro (bovenaan), Tokio (middencategorie) en New York (ongeveer vijf keer zo dichtbevolkt als Nederland) zijn de grenzen van de verdichting nog lang niet in zicht.

De Trap, Stationsplein Rotterdam / MVRDV – foto facemepls

De onvermijdelijke kritische vraag naar aanleiding van Maas’ visies op de stad kwam vanuit de zaal: zou het niet beter zijn als Maas eerst eens probeert de levendigheid beneden op straat te stimuleren, vóór hij aan de bovenstad begint? ‘Nee, nee, nee…. saai’ was het branie-achtige antwoord. Ook De Jong probeerde de architect terug op aarde te brengen: Rotterdam is een arme stad, wat hebben de sociaal zwakkeren aan iconen als de Markthal, De Trap en De Pot? Maas kwam er niet helemaal uit. Hij begon over het omvormen van het Oude Westen tot de Jordaan van Rotterdam om de middenklasse in de stad te houden, stelde dat industrie ook in de stad moet blijven – blijven? –, dat de relatieve armoede van Rotterdam moet worden omgevormd, dat er voldoende goedkope ruimte voor kunstenaars moet zijn, en dat we moeten voorkomen dat Rotterdam in de metropool Nederland een soort Parijse banlieu wordt. Kortom geen doordacht verhaal en geen woord over de sociale onderklasse die in Rotterdam steeds moeilijker aan betaalbare woonruimte komt. (3)

Als architect gelooft Maas in het positieve effect van architectuur en van groot en mooi, van ‘net ietsje verder gaan’, zodat plannen die onhaalbaar lijken, toch uitgevoerd kunnen worden. De Trap naar het Groothandelsgebouw is hiervan een voorbeeld. De Trap is verrezen in het kader van de viering van 75 jaar wederopbouw van Rotterdam en is tevens een opstap, wat Maas betreft ook letterlijk, naar wat de Tweederopbouw van Rotterdam wordt genoemd. De Trap is een populaire plek voor selfies met Rotterdam op de achtergrond, zo liet Maas zien en Rotterdammers uit alle lagen van de bevolking lijken het gevaarte te hebben omarmd als een uitdrukking van hun trots op de stad. Mensen staan in de rij om de 180 treden te kunnen beklimmen.

De Trap heeft zo in ieder geval tijdelijk voor stedelijke levendigheid op straatniveau gezorgd. Ook de andere plannen van Maas, zoals de Kralingse Berg en een Klein Zwitserland in de haven hebben een hoge pretfactor. Pret, dat klinkt niet als een duurzame bijdrage aan de stedelijke leefbaarheid, vooral niet voor mensen die te veel zorgen hebben om pret te maken. Maar aan de andere kant: een stad zonder grote en mooie dingen, daar wordt niemand gelukkig van. Als iemand er dan maar wel aan denkt om ook sociale huurwoningen in de bovenstad te bouwen.