Recensie —

Architectuurbiënnale Venetië: Vakmannen aan het front

Gideon Boie

Het Belgisch paviljoen in de architectuurbiënnale van Venetië toont een eigenzinnige verzameling mock-up’s en collages. Onder de naam ‘Bravoure’ worden een 13-tal architecturale details geïsoleerd van de context en op ware grootte gereconstrueerd in de Giardini.

Belgisch paviljoen architectuurbiënnale Venetië – foto ©Filip Dujardin

Bravoure is een alter-ego voor de curatoren: architecten De Vylder Vinck Tailleu, Doorzon Interieurarchitecten en architectuurfotograaf Filip Dujardin. Bravoure is tegelijk ook een term die de inhoud van het werk dekt.
Het statement van Bravoure is op het eerste gezicht eenvoudig: in tijden van schaarste lijkt architectuur geen kans te maken – zover architectuur graag uitpakt met luxe, overdaad en gadgets. Bravoure wijst op een andersoortige schoonheid, die van de deurpost, een technisch kanaal, een scheidingsmuur, een brievenbus, een schakelstuk, een akoestisch paneel en wat nog allemaal meer.

Aanleiding voor de tentoonstelling is de vraag van het Vlaams Architectuurinstituut (VAi)  om het vakmanschap, in de oproep gebracht als ‘Craft(wo)manschip’, te thematiseren en zo onder de aandacht te brengen van het internationaal publiek. Architectuur als ambacht is in Vlaanderen een heel gebruikelijke manier om onderscheid te maken tussen de hoge ‘sublieme’ architectuur en het gewone ‘ongedachte’ bouwen, waarbij ambacht verwijst naar het sublieme.

Op ludieke wijze ondermijnt de selectie van de curatoren het klassieke onderscheid tussen architectuur en bouwen – enkele decennia terug geïntroduceerd door Geert Bekaert – met de stelling: alles is architectuur en de bricolage van alledag nog wel het meest. Architectuur van de gekende namen in de Vlaamse architectuur worden zonder onderscheid getoond met weinig gepubliceerde of zelfs miskende architectuur. In de verrassende reeks van projecten is het werk van de usual suspects – Robbrecht & Daem, Stéphane Beel en Office KGDVS – nog wel de minst interessante keuze.

IGLO kinderdagverblijf ‘De Strandloper’, Antwerpen / De Smet Vermeulen architecten – foto ©Filip Dujardin

De aandacht gaat vooral naar een anonieme modulaire containerschool door architectenbureau Bart Dehaene, een achterbouw voor mindervalide persoon door Wim Goes Architectuur, een bakstenen brievenbus bij landelijke woning van Jo Van Den Berge, een deurpost in passief kinderdagverblijf van Buro II & ARCH I+I, een inkomhal van Eagles of Architecture, een PVC-regengoot van architecten Els Claessens en Tania Vandenbussche, een geperforeerde tuinmuur van Laura Muyldermans en Atelier Starzak Strebicki, een schakelstuk voor een als tijdelijke brug gebruikte bouwkraan van Gijs Van Vaerenberg, en akoestische panelen in een intergenerationeel project van De Smet Vermeulen Architecten.

Eerder dan een stijl te presenteren, maakt de tentoonstelling school. Het sublimeren van de alledaagse bricolage wordt gepresenteerd als de ontwerpattitude die heel diverse ontwerppraktijken in Vlaanderen verbindt. De attitude past wonderwel in de beleidsomslag die de liberale minister van Cultuur Sven Gatz heeft ingezet. Bravoure toont architectuur als de meest ondernemende der kunsten. Architectuur wordt niet gekoesterd als een veel te dure en ongenaakbare aanstellerij, maar als iets wat artistieke ambities waarmaakt in kleine, profane opdrachten. Het resultaat zijn even bizarre als welgemeende ontwerpoplossingen.
De mock-ups en fotocollages tonen het detail als on-identificeerbare objecten. Hiermee wordt de architectuur bevrijd van de signatuur van de architect. Het herkenbare totaalbeeld is slechts een foto op de achtergrond van de bevreemdende installaties; handgeschreven met potlood staat op de muur de Naam-van-de-architect, als een confidentiële memo. In de catalogus zijn de credits goed verstopt in de marge van tekstpagina’s. Vreemd genoeg heeft alleen de fotograaf-curator voor zichzelf een uitzondering gemaakt.

De quasi-naamloze tentoonstelling vestigt de aandacht op het culturele aspect van de architectuur in Vlaanderen, eerder dan het ondernemende aspect, en dat is een verademing. Architectuurbiënnales functioneren gebruikelijk voor de schaamteloze promotie van één of ander architectenbureau die ofwel haar oeuvre tentoon stelt ofwel de interventie op het paviljoen reduceert tot een nummertje in het eigen oeuvre.

Belgisch paviljoen architectuurbiënnale Venetië – foto ©Filip Dujardin

De problematiek van Bravoure zit eerder in de kniptechniek als zodanig. De details laten niet alleen het herkenbare beeld en naam-van-de-architect verdwijnen, maar ook de sociale en politieke context waarbinnen het werk tot stand kwam. De suggestie wordt gewekt dat de Vlaamse architectuur een vette kluif heeft aan de kleine zorgen van de Vlaamse bouwheer: een tuinmuur als grens met braakland, een isolatiekanaal verbinden met een deur, een akoestisch probleem van jengelende snotneuzen, een kanaal als fysieke barrière in de stad, …

Hiermee biedt Bravoure in het kader van het geheel van de Biënnale een bijzonder optimistisch rapport van de Vlaams-Belgische frontlinie. Het spreekt voor zich dat Venetië net iets te vroeg kwam voor posttraumatische reflecties over de terreuraanslagen. En, de witte vlag op het dak van het Paviljoen staat symbool voor de huidige communautaire vrede in België, de tentoonstelling doet uitdrukkelijk geen uitspraken over de architectuurproductie aan de andere kant van de taalgrens.

Wel lijkt Bravoure te vergeten dat dezelfde selectie van 13 details evenzoveel reflecties teweeg brengt die het hart van ruimtelijke ordening in België raken. Een kleine perspectiefverschuiving kan een esthetiserende techniek doen omslaan in een politiserende techniek. Met een beetje interpretatie is Bravoure een tentoonstelling over de ecologische voetafdruk van een vrije kavelwoning, de impact van technologische eisen in de zorgarchitectuur, de functie van tijdelijke architectuur in stadsontwikkeling en gentrificatie, etc. Niet alleen vakmanschap, maar ook politiek zit in de architecturale details.

Maarschalk Gerardstraat 5, Antwerpen / Eagles of Architecture – foto ©Filip Dujardin