Recensie —

Vakantie als ruimtelijk ordeningsinstrument

Petra Brouwer

Als het aan de regering had gelegen waren de regels voor kustbebouwing begin dit jaar aangepast en zou er meer ruimte komen voor (bouw)activiteiten. Een storm van protest brak los en minister Schultz van Haegen (Infrastructuur en Milieu) trok het voorstel in. Om een of andere reden bleek het geen effect te hebben. In verschillende dagbladen verschenen berichten over nieuw te bouwen vakantieparken in natuurgebieden. Hoe kon het zover komen? Petra Brouwer las Tussen tent en villa. Het vakantiepark in Nederland 1920-nu van Mieke Dings.

Vakantiepark Beltgraven, Oldebroek – ansichtkaart ArchiNed familiealbum

Sinds het vuistdikke Tussen tent en villa. Het vakantiepark in Nederland 1920-nu van Mieke Dings op mijn bureau ligt om te recenseren, hoor en zie ik overal vakantie. Op de radio verkoopt een zoetgevooisde dame ‘Gelderse streken’, de banners van vliegwinkel.nl en booking.com dringen zich dagelijks op en de kranten staan bol van de uit de hand gelopen verhuur door airbnb. Vakantie is een consumptieartikel geworden, dat onderdeel is van ons dagelijks bestaan.

Toen Tussen tent en villa vorig najaar verscheen, kreeg het uitzonderlijk veel publiciteit. De geschiedenis van het vakantiepark bleek enorm tot de verbeelding te spreken bij een groot publiek. Wie heeft er géén herinnering aan een familieweekend of een verregende herfstvakantie in een vakantiepark?
Ik tel bij mezelf meer dan tien vakanties (inclusief Duitsland en Belgische Ardennen), terwijl ik op voorhand dacht op hooguit drie uit te komen. De slingerende schelpenpaadjes, waar je om de paar meter je sandalen moest leegschudden; de kabouterachtige punthuisjes waar je kon stunten op de te nauwe spiltrap; de ansichtkaarten (‘Groeten uit…’) die het vakantieplezier in een paar mini-afbeeldingen samenvatten: mijn herinneringen voegen zich naadloos in het collectief geheugen zoals dat door Mieke Dings is opgetekend.

Ook de particuliere bungalowtjes die ik in de afgelopen jaren op de Waddeneilanden huurde, horen tot het vakantiepark. Ze staan weliswaar niet achter een slagboom en er zijn geen ‘centrumvoorzieningen’, ze zijn wel onderdeel van ‘een complex van minimaal vijf huisjes die voor vakantiedoeleinden zijn bestemd’ dat zich als duidelijke eenheid afscheidt van de omliggende bebouwing – Dings’ definitie van het vakantiepark. Vijf huisjes lijkt niets, maar tot aan de jaren zestig van de vorige eeuw, zo laat Dings zien, omvat het doorsnee vakantiepark hooguit een tiental huisjes. Met een vlotte pen analyseert ze de ontwikkeling van het vakantiepark in drie periodes: 1920-1960; 1960-1980 en 1980 tot nu. Deze periodisering maakt inzichtelijk hoe in een aantal fasen niet alleen het vakantielandschap, maar ook de ideeën over vakantie radicaal veranderden.

ansichtkaart ArchiNed familiealbum

In de eerste helft van de twintigste eeuw was vakantie vooral een alternatief voor het moderne stadsleven. Kamperen – tot dan toe alleen iets voor soldaten – werd een cultuurdaad van stedelingen die de natuur opzochten om weer zelfredzaam en sportief te worden, en te ervaren wat saamhorigheid is. Zo stichtte Philip Dirk baron van Pallandt in navolging van de Amerikaanse Woodcraft Indians-beweging, een Nederlandse variant van het kamp op landgoed Eerde in Ommen, dat hij in 1913 erfde. Geïnspireerd op het indianenleven zouden kinderen er leren trekken, zwemmen, kanoën, kamperen, en respect voor elkaar te ontwikkelen. Het plan bleek te duur, maar werd deels overgenomen door de Nederlandsche Padvinders Vereeniging. De rest van het landgoed werd bestemd tot eerste openbare kampeerterrein van Nederland, waar beginnelingen alle hulp kregen die nodig was.

Op de Veluwe, aan de kust en in bosrijke gebieden verrezen in de vroege twintigste eeuw talloze kampeerterreinen van uiteenlopende organisaties als de padvindersbeweging, ANWB, Nederlandsche Christen-Studenten en de socialistische Arbeiders Jeugd Centrale, die allemaal primitiviteit als het elixer voor de gedegenereerde stedeling beschouwden. Op deze kampeerterreinen verrezen naast wasplaatsen, toiletgebouwen en veldkeukens in de loop van de jaren ook eenvoudige huisjes. Ze maakten het natuurbestaan net iets aangenamer omdat je er niet meer op de grond hoefde te slapen. De geboorte van het vakantiepark was een feit.

Pas rond 1960 kwam deze door idealisten gedomineerde vakantieparkenwereld ten einde. Herperduin, in 1954 ontwikkeld door ondernemer Nillmij, zette de omslag in. Overheid- en recreatieorganisaties constateerden met een schok dat Herperduin niet meer het ‘sociaal toerisme’ diende, maar volledig gericht was op comfort en luxe. De huisjes hadden elektriciteit, stromend water, een toilet, douche en keuken. Het park bood voorzieningen als een ‘hypermoderne zelfbedieningswinkel’ en zwem- en speelbaden. In 1960 gaf de ANWB zijn verzet tegen ‘niet-opvoedkundige recreatie’ op en introduceerde een A, B, C, D-classificatie ter indicatie van het voorzieningenniveau van de vakantieparken. ‘Geleidelijk komt men tot de overtuiging dat niet iedereen zoekt naar rust’, aldus de Kampeerkampioen in 1963.

Familie camping Reservaat Diana Heide, Amen – ansichtkaart ArchiNed familiealbum

Met zijn commerciële en recreatievoorzieningen veranderde het vakantiepark in een ‘geconcentreerd stedelijk vermaakscentrum’ waarbij de natuur alleen nog als decor diende om het gevoel van ‘buiten’ zijn te suggereren. Nog geen tien jaar na Herperduin omarmde de Rijksoverheid deze ontwikkeling vanuit de pragmatische overweging dat moderne vakantieparken een relatief compacte vorm van recreatie boden. De vakantiegangers amuseerden zich voornamelijk op het park, waardoor de aantasting van het landelijk gebied beperkt bleef.

Vanaf de jaren zestig, zo maakt Dings inzichtelijk, is het vakantiepark onderdeel en motor van de grootscheepse ruimtelijke modernisering van Nederland. In Brabant verrijzen nieuwe vakantieparken aan de plassen die zijn ontstaan door zandwinning voor de (wegen)bouw. Door schaalvergroting in de landbouw, ingezet door het Plan Mansholt (1968) komt 5 miljoen hectare extra grond vrij die onder meer wordt herbestemd met natuur- en recreatiegebieden. Om de toenemende ruimtedruk op het Westen af te leiden subsidieert Economische Zaken vanaf 1958 particuliere plannen voor nieuwe recreatiegebieden en accomodaties in de gebieden met de hoogste werkloosheid: de drie noordelijke provincies, delen van Brabant, Limburg en Zeeland.

De explosieve groei van het vakantiepark tussen 1960 en 1980, zowel in aantal als in omvang, ging gepaard met een nieuwe ontwerpbenadering. Rabbit Hill in Nieuw Milligen dat in de jaren veertig en vijftig doorging voor hét voorbeeldige vakantiepark, telde 22 huisjes van 15 tot 25 vierkante meter. De begroeiing van het heuvelachtige terrein bleef zoveel mogelijk intact en de plaatsing van de huisjes aan slingerende paden garandeerde vrij uitzicht. Rieten daken en roederamen gaven de bebouwing een landelijke uitstraling.
Sporthuis Centrum park De Eemhof bij Zeewolde, dat in 1980 de deuren opende, bestond uit 550 uniforme huisjes van 75 vierkante meter die in lange schakelingen bijeen stonden. De moderne bungalows van grijs betonsteen hadden grote glazen puien die toegang boden tot een royaal terras. Van den Broek en Bakema, het vaste ontwerpbureau van het Sporthuis Centrum-imperium van Piet Derksen, creëerde een spectaculair artificieel eilandenlandschap met een ongekend voorzieningenaanbod. Primeur waren de congreszaal en het hypermoderne ‘subtropisch zwemparadijs’. Volgens Dings representeert De Eemhof het compact ontworpen generieke vakantiepark met veel groendecor en waterpartijen. Voor de sterke plaatsgebondenheid van de oude parken, die veelal in een nog ongerepte natuurlijke omgeving lagen, was in het steeds vollere welvaartslandschap geen plaats meer.

De Lommerbergen, een recreatiecentrum van Sporthuis Centrum, Reuver – ansichtkaart ArchiNed familiealbum

Het subtropisch zwemparadijs, dat na De Eemhof ook werd ingevoerd in de andere parken van Sporthuis Centrum (vanaf 1986 Center Parcs), bleek een gouden formule, omdat ze vakantiegangers ‘mooi weer’ garandeerde in het regenachtige Nederland. Buitenlandse vakanties wonnen vanaf de jaren tachtig in populariteit, waardoor de bezettingsgraad van de meeste parken dramatisch afnam. Schaalvergroting zette in en al spoedig werd de markt door een paar grote spelers bepaald: Center Parcs, Landal GreenParks, Gran Dorado – nu ook Center Parcs – en de Zeeuwse keten Roompot, met Martin Zeelenberg als huisarchitect.
Terwijl in de jaren negentig de markt vrijwel verzadigd was, verdriedubbelde in die tijd het aantal huisjes. Aangemoedigd door de (rijks)overheid moesten nieuwe, sterk gethematiseerde parken Nederland als vakantieland weer op de kaart zetten. Het leverde parken op als Noordzee Résidence De Banjaard (1997), dat geïnspireerd was op het New Urbanism-stadje Seaside in Florida. Een ander park van Roompot, Port Zélande, imiteerde de mediterrane badplaats Port Grimaud. Intussen keek Center Parcs de kunst van het thematiseren af bij Disney en kreeg elk park een nieuwe, spectaculaire attractie, als Jungle Dome, Discovery Bay en Montana Snowcenter. Zij boden gasten een ‘complete vrijetijdservaring’ waarin ze in korte tijd zoveel mogelijk konden beleven.

Met ruim 1500 parken heeft Nederland inmiddels een van de hoogste vakantieparkendichtheid ter wereld, waarbij nieuwe parken de oude verdringen. Pas in de conclusie laat Dings zich in felle bewoording uit over het rijksbeleid. Als instrument van economische planning waren de nieuwe vakantieparken succesvol in het aantrekkelijker maken van Nederland als ‘toeristisch product’, maar het enorme overschot aan parken ging ten kostte van het landschap, dat verrommelde en dichtgroeide. Door de planning en het ontwerp van het vakantiepark te onderzoeken als onderdeel van zowel de gemeentelijke, regionale, provinciale als nationale ruimtelijke ordening – legt deze studie feilloos de kwaliteit én fricties in de plansystematiek bloot.

‘De Eemhof, een 5 sterren bungalowpark van Sporthuis Centrum, Zuidelijk Flevoland’ – ansichtkaart ArchiNed familiealbum

Er zijn ook positieve ontwikkelingen volgens Dings. Het vakantiepark kan ook onderdeel of zelfs aanjager zijn van integrale landschapsontwikkeling. Het ontwerp van Hof van Saksen, een moderne remake van een Drenths esdorp, ging gelijk op met de aanwijzing in 2005 door VROM van Nationaal Landschap Drentsche Aa. Landschapsarchitecte Ank Bleeker verankerde het park in het omliggende ontginningslandschap, terwijl architect Cor Kalfsbeek grote boerderijvolumes ontwierp rondom een gemeenschappelijke brink. De thematisering en verpretparking van Nederland is een gegeven, aldus Dings, en het economisch belang van de vrijetijdsindustrie is enorm. Die ontwikkeling is niet te stoppen en kan daarom maar beter benut worden om er ruimtelijke kwaliteit mee te realiseren.

Dings’ geschiedschrijving van het Nederlandse vakantiepark berust op een indrukwekkende hoeveelheid archief- en literatuuronderzoek, dat bijzonder complex en tijdrovend geweest moet zijn vanwege de uitlopende bronnen. Naast de gebruikelijke tijdschriften als Bouw en Wonen/TABK, nationale beleidsnota’s en wetgeving, zijn dat tijdschriften als de Kampioen en ORKAVA (Organisatie voor Kamp- en Vakantiebestedingsbedrijven – later heet het tijdschrift Rekreasie en Recreatie), de archieven van de Kampeerraad, de ANWB, belangrijke ondernemers als Center Parcs en Landal GreenParks maar ook talloze streek- en gemeentearchieven.
De wetenschapper in mij betreurt het dat hier en daar de haast van de productie te zien is. Het boek had bovendien een groter formaat verdiend. Het is fantastisch geïllustreerd met historische foto’s, advertenties, reclamefolders, posters, ansichtkaarten, lokale krantenartikelen, ontwerptekeningen, plattegronden, streekplannen en zo meer. Dit unieke materiaal had beter over het voetlicht moeten worden gebracht. Het ontwerp uit 1916 van Gulden en Geldmaker voor Zomers Buiten, opgericht door de arbeiders van de Stadsdrukkerij Amsterdam, gaat door voor het vroegste vakantiepark-plan in Nederland, maar de plattegronden van park en huisje zijn onleesbaar klein – en dat geldt voor meer plattegronden en kaarten.

Recreatiecentrum Marisheem, Echt – ansichtkaart ArchiNed familiealbum

De aansprekende populariteit van het onderwerp ten spijt, honderd jaar geschiedenis van het Nederlandse vakantiepark stemt tot nadenken. Zijn er lessen te trekken uit het vakantiepark voor de ruimte buiten de parkgrenzen?, zo vraagt Dings zich af in haar inleiding. Het vakantiepark is immers geen op zichzelf staand fenomeen. Het is een uitzonderlijke, ‘populaire’ ruimte die een reactie is op de ruimte en het leven van alledag: door zijn geperfectioneerde vorm – zoals het historische stadje Esonstad aan het Lauwersmeer (2005), dat zich nauwelijks meer onderscheid van een traditionalistische buitenwijk – of door een contrast te bieden, zoals wetland vakantiepark Waterdunen (2013) bij Breskens. De opeenvolgende pogingen in de afgelopen honderd jaar om het ideale vakantiepark te ontwerpen, bieden zodoende ook inzicht in de (veronderstelde) kwaliteiten en tekortkomingen van de alledaagse ruimte. Met de zomervakantie in aantocht, is de meest fascinerende les van Tussen tent en villa misschien wel hoe we collectief hebben aangeleerd op vakantie te gaan. ‘Man was not born a tourist’, citeert Dings de Duitse socioloog Jost Krippendorf, een van de eerste wetenschappers die de sociologische, economische en landschappelijke aspecten van toerisme bestudeerde. De toeristenindustrie en vrijetijdseconomie zouden ons bijna doen geloven dat het wel zo was, maar met Mieke Dings’ dikke pil in de koffer (eindelijk tijd om te lezen) wordt genadeloos duidelijk dat we helemaal niet ‘toe zijn’ aan vakantie. Het is ons allemaal aangeleerd.