Nieuws —

Een man in een bibliotheek

Paul Vermeulen

In Memoriam over kunst-en architectuurcriticus Geert Bekaert.

Het werk is af. Het oeuvre van Geert Bekaert is voltooid, bewaard, ontsloten en opgeleverd als was het een bouwwerk.

Geert Bekaert – foto: UGent

Zijn immense bibliotheek is onder dak, zijn over vele decennia en het hele Nederlandse taalgebied verspreide teksten zijn verzameld in negen kloeke delen, die de kern vormen van zijn geschreven erfenis. Zijn geschriften zijn bestudeerd, gebloemleesd in het Engels en er is een doctoraatsverhandeling aan gewijd. Voor een non-fictie schrijver, die ook nog eens schreef over een voor het grote publiek perifeer onderwerp als architectuur, is dat bijzonder. Het kan haast niet anders: dit werk is van waarde.

En toch valt het niet mee om bij het overlijden van Bekaert dat werk te overzien en die waarde te benoemen. Het overzicht wordt al bemoeilijkt door de grote tijdspanne die het overbrugt. De jaren vijftig, toen Bekaert met schrijven begon, liggen ver achter ons en de vraagstukken over kerkenbouw die hij toen aansneed lijken nu afgedaan. Vele andere thema’s volgen en worden behandeld in meanderende, tastende teksten waarin stellige standpunten, voor zover ze al opduiken, iedere keer voorlopig en herroepbaar lijken. De thema’s waren maar een aanleiding, een ingang om over de grote vragen te denken waar de architectuur niet aan ontkomt.

Vragen zoals deze: “Is de persoonlijke verbeelding in staat een architectuur te ontwerpen die een gemeenschappelijke betekenis heeft? Kan dat?” Ze staat met potlood aangestreept in mijn exemplaar van Architectuur zonder schaduw. Het antwoord volgt al op de volgende regel – “Is het dan ooit anders geweest?” – maar dat antwoord heft de vraag niet op. Het stuurt je op excursie door de geschiedenis heen, verkennend hoe generatie na generatie met die vraag in het reine probeerde te komen. Elk essay van Bekaert is zo’n excursie, vertrekkend bij het onderwerp dat zich op dat moment opdrong richting een vraag die onontkoombaar is. De Verzamelde Opstellen zijn een bouwwerk, zo suggereert de samensteller Christophe Van Gerrewey, waarin over dit soort vragen nagedacht kan worden.

Omslag van Verzamelde Opstellen deel 1

“Ik zoek mijn thema’s niet, ik krijg ze, ik word uitgenodigd”. Bekaert poseerde als gelegenheidsschrijver. Zijn geprefereerde vorm was de toespraak. Bekaert was een stem. De toespraak gaat door in zijn bibliotheek, daar spreekt hij ons toe als gastheer. Hij geeft er veelvuldig het woord aan de vele namen uit de rekken: aan recente wetenschappers, oude traktatenschrijvers of Franse dichters. In de bibliotheek is chronologie niet van belang: oude en piepjonge stemmen vallen elkaar in de rede. In zijn kielzog doe je ontdekkingen. Zoals renaissance-architect Philibert de l’Orme, de architect van het jachtkasteeltje van Diane de Poitiers, genoeglijk klagend over de sores van zijn stiel. Of Francis Ponge, de surrealistische dichter die de kant van de objecten koos en een schuimende ode schreef aan de zeep.

Was Bekaert vrijblijvend? Daarvoor was zijn toon en positie te ongewoon, te wars van gebruikelijke categorieën, te riskant. Het zijn stukken waar de gebruikelijke instrumenten van de kunstgeschiedenis – stijlen, periodes, strekkingen – angstvallig zijn vermeden. Stukken waarin elke afweging haar tegendeel ontmoette: het was “slenteren over een rommelmarkt”, vond Lucien Kroll. Dat ‘scheldwoord’ is goed getroffen. Bekaerts stukken eisen van de lezer dezelfde belangeloze, principiële interesse in de dingen, hetzelfde ontvlambare enthousiasme voor het onaangepaste dat van een bezoeker aan een rommelmarkt wordt gevergd. Een wereldverbeteraar die gelooft te weten hoe de kwalen van onze tijd verholpen moeten worden, heeft daarvoor geen geduld. Kroll, die de illusie koesterde dat hij zich als architect had weggecijferd ten dienste van de gebruikers, was omgekeerd voor Bekaert het voorwerp van algehele afwijzing.

De nieuwsgierige Bekaert, die zich ver uit elkaar liggende voorkeuren veroorloofde, kwam wel vaker in polemieken terecht. Door de contouren van die polemieken heen schemert de onverzettelijke kern van zijn overtuiging. Vanaf zijn vroegste geschriften was hij een verklaard tegenstander van de uiteengelegde, functionalistische stad. Die schoot, alle goede bedoelingen ten spijt, hopeloos tekort bij de chaotische verbeeldingskracht van dat “wat bestaat”. Voor de banale of protserige middelmaat, waar geen gedachte aan te onttrekken viel, kende hij geen genade. Maar evenmin voor architectuur die zich gedachteloos overgeeft aan haar uitzonderlijkheid en haar maatschappelijke positie niet begrijpt. Zijn afwijzing van de expressionistische, verticale kerken van de jaren zestig en zijn kritiek, zo’n dertig jaar later, op de zelfgenoegzame architectuur van het Nederlands Architectuurinstituut stroken met elkaar. Hun opdringerige, inadequate architectuur verdringt de reflectie waartoe ze zouden moeten uitnodigen: kan een kerk nog sacraal zijn? Kan de architectuur, in deze maatschappij, een instituut zijn?

Sacralisering en institutionalisering wilde hij niet. Zijn jarenlange verblijf in zijn bibliotheek, tussen oude en nieuwe vrienden van allerlei slag, had hem immuun gemaakt voor elk soort illusie. Elke nieuwe, urgente agenda voor de architectuur vond hij het overdenken waard, maar hij wilde wel voorbij de eenduidig opgedrongen betekenis kunnen denken. Hij wou de schaduw die de architectuur wierp, erkennen. Daartoe had zijn werk, dat gestaalde academici frivool toescheen, hem een onvermoeibare discipline bijgebracht.