Opinie —

Architectuurcultuur voor winst

Joachim Declerck

Ik kom vandaag uit Brussel. Het is waar ik woon, van waaruit en waaraan ik werk. Een kleine wereldstad in onze gezamenlijke Eurodelta die op de tweede plaats staat in één of andere ranking van economisch meest performante regio’s in Europa.

foto Udo Geisler

Brussel doet het erg goed. Culinair, cultureel en creatief is het een explosie van binnen- en buitenlands talent. Het is een geopolitiek knooppunt: de hoofdstad van Europa, van NGO’s, van de NAVO, van België, van Vlaanderen, en van nog veel meer. En daarbij horen natuurlijk hoofdkantoren van advocaten, consultants en lobbyisten. En een optimale toegankelijkheid vanuit het hele land: met de grote bedrijfswagen (die als voordelig deel van het loon door de overheid wordt gesubsidieerd) vanuit de veel te grote individuele woning – de fermette of ‘boerderette’– naar de ondergrondse parkeergarage. Van daaruit de lift in naar je kantoor of vergaderzaal, naar het appartement dat je tijdens de week gebruikt (of dat je aan expats verhuurt), naar het overdekte shopping-centre of de gezellige winkelstraat vol generieke shops, chocolade en bier. Een stad van steeds meer ordinaire vastgoedproducten die heel belangrijke publieke instellingen huisvesten. Een eigen wereld die goed verbonden is met de groene, verkavelde regio, én met andere economische en geopolitieke knooppunten in Europa en daarbuiten. Die aparte, aantrekkelijke wereld bouwen voor instellingen en diensteneconomie, is waar we voor gekozen hebben. Die wereld promoten we in het buitenland als hyper-aantrekkelijk vestigingsmilieu voor nog meer bedrijven en instellingen. En het werkt. Het heeft Brussel en België geen windeieren gelegd.

Maar naast en tussen die realiteit van de dienstenstad liggen nog andere stukken stad. Gebieden waar de activiteiten zijn gehuisvest die niet passen in die stad van diensten, parken, lanen en veel bier en capuccino, zoals de tweedehands autohandel, de vroegmarkt voor groenten en fruit, de verbranding en recyclage van afval en grondstoffen, de invoer en opslag van bouwmaterialen, en ga zo maar door. En daar rondom: voormalige arbeiderswijken. Delen van de stad waar de diversiteit zo mogelijk nog groter is dan in het kosmopoliete expat-deel van Brussel, maar waar het gemiddelde maandloon slechts een fractie is van wat die andere stad verdient. In die wijken tussen en achter de toevoerwegen voor de institutionele stad, zijn er 17 keer minder sportvoorzieningen dan in een gemiddelde Belgische stad, is de helft van de jongeren tussen 18 en 25 werkloos, en is de kwaliteit van de woningen de laagste van Europa. Tussen 2010 en 2030 kent Brussel een bevolkingsgroei ter grootte van de stad Antwerpen – voor het overgrote deel ontstaat en landt die groei in dit deel van de kleine wereldstad. Boven dit meest dicht bebouwde deel van België vliegen de logistieke nachtvluchten vanuit Zaventem. Uit dit deel van Brussel komen ook de jongeren die op 22 maart in de vertrekhal van die luchthaven én een metrostation onder de Europese wijk explosieven tot ontploffing brachten.

Het is te gek voor woorden om de organisatie en ontwikkeling van de stad als oorzaak voor deze barbaarse daden te noemen. Er is veel meer aan de hand dan de fysieke en sociale ruimte en organisatie. Maar ook het omgekeerde is waar: we kunnen de manier waarop we de stad ontwikkelen ook niet los koppelen van bar slecht onderwijs en weinig voorzieningen, van slechte woonkwaliteit en de negatieve impact van infrastructuur en mobiliteit, van het feit dat de industrie en plekken voor tewerkstelling van kortgeschoolden steeds verder uit de stad worden geduwd omdat de gronden waarop ze zich bevinden veel meer opbrengen als er nieuwe woningen of kantoren op gebouwd worden. De hoofdstad van instellingen, diensteneconomie en consumptie gold als de enig denkbare en maakbare toekomst. Dat perspectief wankelt vandaag op zijn grondvesten. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen moeten we nog dringender en explicieter de sociale en maatschappelijke agenda van de stadsontwikkeling ter discussie stellen, herdenken en herijken. Dat is even beangstigend als noodzakelijk, even uitdagend als motiverend.

Gidsland reduceert zichzelf tot export-product
Dit brengt me bij Nederland en haar architectuur- en bouwcultuur. Nederland was op die vlakken een gidsland. Architectuur werd namelijk niet eng geïnterpreteerd. Het ging niet alleen over het tonen van prachtige, singuliere objecten die door architecten hier of elders werden gebouwd. Er was meer: architectuur en ruimtelijk ontwerp waren ook een middel bij uitstek om vooruit te blikken, om te verkennen hoe de maatschappij – via zijn ruimtelijke organisatie en kwaliteit – de opgaves en kansen in een snel veranderende wereld kon grijpen en maken. Daarbij werd er – in mijn ideale lezing van dat gidsland – continu gezocht en ontworpen aan een verband tussen dat wat werd gebouwd en een mobiliserend maatschappijbeeld. Geen relevante bouwcultuur zonder dat continuüm tussen die brede vooruitblik én de gebouwde, fysieke realiteit. Geen architectuurcultuur zonder voortdurend en iteratief bouwen – letterlijk en figuurlijk – aan een sociale en maatschappelijke agenda.

Het geloof van de architectuurcultuur in die eigen maatschappelijke betekenis en waarde in en voor Nederland, is de voorbije jaren erg verzwakt. De kracht van het internationale merk Dutch Design nam de bovenhand. Een relatief klein clubje architecten en hun culturele partners zetten Nederlands ontwerp internationaal neer alsof het de enige praktijk is die de globale ruimtelijke uitdagingen aan kon, die de complexiteit van de globalisering begreep en die ze inzichtelijk en hanteerbaar kon maken. Voor de tijdschriften en cultuurhuizen die zich eerder nog richten op de brede scope van gebouwde architectuur tot maatschappelijke evoluties werd Nederland niet alleen te klein – want de wereld werd de horizon – maar schijnbaar ook oninteressant. Hét gebeurde vooral elders. Allen daarheen dus!

En zo gebeurde het dat op een dag niemand nog de juiste woorden vond om in een veranderde tijdsgeest waarin schijnbaar alles in ‘profit’ of ‘winst’ moet worden uitgedrukt de relevantie van architectuurcultuur op een overtuigende manier te bepleiten. Scherp gesteld was de aanwezigheid op de Business of Design Week in Hong Kong belangrijker en urgenter dan de inbedding in, of de participatie aan de maatschappelijke agenda in en voor Nederland. Ze vergisten zich schromelijk, naar mijn mening: hun prioriteit reduceert ‘design’ tot een economische activiteit, tot exportproduct, tot creatieve industrie. De brede betekenis en de relevantie van architectuurcultuur verdween naar de achtergrond: een kwalitatieve gebouwde realiteit als demonstratie of incarnatie van een steeds veranderende maatschappelijke agenda.

Drie speerpunten
In het licht van die rol als gidsland – waaraan ik trouwens nogal wat te danken heb – en gesterkt door die groeiende nood aan een stedelijke en maatschappelijke agenda voor Brussel, Vlaanderen en Nederland, wil ik graag drie kwesties benoemen – drie vragen stellen – en daarmee drie maal een input leveren voor het toekomstig architectuurbeleid.

1 Alles wordt proces, format en werkvorm. Waar is de verbindende, inhoudelijke en maatschappelijke agenda?
Er is massaal veel werk aan een reeks thema’s en opgaven die we inmiddels helder kunnen formuleren: het ontwerpen aan omgevingen voor werkgelegenheid in steden (productieve stad in plaats van postindustriële stad), het herdenken van de stad in functie van gewijzigde zorg, et cetera. Het architectuurbeleid kàn een aantal types processen en werkvormen naar voor schuiven (stadsateliers, living labs, …), maar het mòet ook de keuze maken voor een aantal cruciale opgaven. Die agenda moet sturend zijn voor het architectuurbeleid, en dat gedurende enkele jaren, zodat er een leertraject en overtuiging ontstaat vanuit de som van diverse initiatieven en ateliers. Cultuur is een platform voor vernieuwing, gestructureerd rond en vanuit een maatschappelijke agenda – niet vanuit formats (die helpen maar zijn niet de essentie).

2 Ontwerpkracht heeft een aantoonbaar nut en dat is cruciaal. Maar maak ook voldoende ruimte voor architectuurcultuur waar ‘nut’ en (economische en/of maatschappelijke) winst niet centraal staan!
Het belang van architectuurcultuur wordt – ook vandaag – nog helemaal beargumenteerd vanuit zijn ‘nut’ of de winst die het kan opleveren: economische winst (exportproduct, creatieve industrie), maatschappelijke winst, en zelfs het nut voor het beleid (omdat de ontwerpcapaciteit binnen het beleid is wegbezuinigd). En dat merk je ook aan de woordenschat: we spreken enkel over ‘ontwerpkracht’ en heel zelden of zelfs niet over architectuur. Het inzetten op ontwerpkracht is ook naar mijn mening cruciaal. Maar alleen als het architectuurbeleid ook ruimte maakt voor praktijken, dynamieken en vernieuwingen die hun nut niet (of nog niet) kunnen of willen bewijzen. Wie programmeert nog een tentoonstelling over jonge, opkomende architectuurpraktijken? Waar is er ruimte voor een dergelijke, in zekere zin ‘nutteloze’, maar tegelijk erg belangrijke culturele vrije ruimte? Architectuur- en ontwerpbeleid reduceren tot dat wat ‘nuttig’ is, is nefast op lange termijn. Er moet ook voldoende ruimte worden gemaakt waar ‘nut’, ‘return on investment’ en ‘winst’ niet de maatstaf zijn.

3 Restaureer de band tussen ontwerpende toekomstverkenningen en de gebouwde architectuur en stad!
In mijn ideaal-construct was Nederland gidsland omdat het ontwerpend verkennen en verbeelden van mogelijk toekomsten en maatschappelijke agenda’s een verhouding had met de fysieke transformatie van en in steden en wijken. Die band of dat continuüm wordt vandaag niet meer benoemd. Het lijkt wel alsof er twee architectuur- en ontwerpwerelden ontstaan: die van de toekomstverkenningen en beleidsvoorbereiding enerzijds, én die van het bouwen anderzijds. Cultuur moet het platform vormen dat deze twee werelden bij elkaar houdt, opdat de reële transformatie in verband staat met de toekomsten die worden verkend en verbeeld. Gebeurt dat niet, dan zijn die toekomstverkenningen niets meer dan illustraties van beleidsintenties – illustraties die haaks komen te staan op de gebouwde praktijk.

Tot slot een belangrijke contextualisering. Op een aantal punten pleit ik in België voor het omgekeerde, omdat de context het spiegelbeeld is van de Nederlandse: in Brussel pleit ik ervoor dat maatschappelijke actoren en beleidsmakers veel intensiever gebruik maken van de zeer sterke, internationaal erkende ‘ontwerpkracht’ die we hebben. Ik waardeer de manier waarop de Nederlandse overheid ontwerp centraal heeft gesteld en opnieuw wil stellen dan ook ten zeerste.
Maar naar mijn mening wint de actieagenda voor de komende jaren aan kracht als de drie eerder genoemde kwesties centraal komen te staan.