Recensie —

Prelude

Andrea Prins

Thema van de tentoonstelling: de architectuur tussen 1980 en 2017 in Nederland en Vlaanderen. Gelikte iconen versus bescheidenheid, planning versus rommelige charme. Tot zover de vooroordelen. De tentoonstelling ‘Maatwerk | Massarbeit’ in het Deutsche Architekturmuseum in Frankfurt wil laten zien dat er méér is.

MAATWERK\MASSARBEIT – © foto Uwe Dettmar

Vooral is er véél. De eerste verdieping van het museum waar de tentoonstelling te zien is, staat stampvol maquettes. Een zee van miniaturen, in alle denkbare maten en materialen, want alle gemaakt door de bureaus zelf en niet speciaal voor deze tentoonstelling. De tafels, waarop de maquettes staan, zijn diagonaal ten opzichte van de ruimtestructuur opgesteld. De bezoekers, in dit geval mijn nichtje van acht en ik, meanderen er doorheen. Groepen van tafels worden ruimtelijk bij elkaar gebracht door een omlijsting met vitrages: alsof je naar een toneel kijkt of door een woonkamerraam naar binnen gluurt. Deze omlijstingen geven enige ordening aan de overdonderende hoeveelheid materiaal.

De ondertitel van de begeleidende tentoonstellingcatalogus luidt ‘concept en vakmanschap’, en precies hierom gaat het de curatoren. Sofie de Caigny, coördinator van het Centrum Vlaamse Architectuurarchieven, en co-curator Veldwerk Architecten onderzoeken het begrip ‘maatwerk’. Hieronder scharen zij bouwkundig en procesmatig vakmanschap, de vaardigheid om een verhaal te vertellen waarin geschiedenis en plek een belangrijke rol spelen, en aandacht voor de sociale en ruimtelijke context van een project.  De tentoonstelling laat 64 projecten zien. Het zijn bijna zonder uitzondering projecten die in Archis of in de diverse jaarboeken gepubliceerd zijn. Het beste van het beste, zou je kunnen zeggen. Of: hier werd op safe gespeeld, zonder risico van een ‘vergissing’.

De tentoonstelling omvat vijf thema’s: Wonen, Verleden en heden, Referenties, Collectiviteit en Stad en land. Vanuit persoonlijke preoccupatie en – toegegeven – ook een zekere hulpeloosheid die mij overviel bij het zien van de enorme hoeveelheid maquettes, begon ik bij het thema  Wonen. Voor Nederland staan daar onder andere het Möbius Huis van UN Studio (1998), Carel Weebers Peperklip (1982) en Silodam van MVRDV (2002). De bandbreedte reikt dus van eengezinshuis naar een verticale mix van wonen, bedrijfsruimten en openbare ruimten. Hoe anders is het beeld bij de buren. De Vlaamse voorbeelden zijn zonder uitzondering huizen voor particulieren. Te zien zijn prachtige maquettes, gedeeltelijk als een soort poppenhuis zonder zijgevel en tot het kozijn- of metselwerkdetail verbeeld! Vakmanschap, inderdaad. Mijn nichtje werd helemaal enthousiast. En terecht, je kunt direct zien wat in het huis gebeurt.

Uitbreiding woonhuis, Mortsel / Bovenbouw Architectuur – © foto Karin Borghouts

En dan kom ik toch bij het ‘maar’ van de tentoonstelling. Per project is er een korte toelichting, de maquette en een of twee foto’s van de omgeving van het gebouw, en soms een interieurfoto. De foto van de omgeving vertelt, zo de intentie van de curatoren, over de context en de plek. Alleen is er soms slechts wat groen of een onduidelijke straathoek op de foto te zien. Als je de projecten niet in natura hebt gezien, is het raden wat het beeld betekent. Ik mis de situatietekeningen en de plattegronden om de ontwerpen werkelijk te kunnen duiden. Wat gebeurt in en om deze huizen? Wat verstaat men onder het ‘wonen’? En welke activiteiten worden er gefaciliteerd?

Om meer te begrijpen moet men de catalogus lezen. Hier worden de verschillende bouw- en ontwerpculturen in de twee landen verduidelijkt. Aan deze zijde ligt de nadruk op planning, geboren uit de gezamenlijke strijd van een samenleving tegen het water en de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog, en aan de andere zijde de incidentele, individuele en uiterst gepreciseerde ingreep op één bepaalde plek in een verder aan zichzelf overgelaten omgeving. Deze verschillen hebben weer alles te maken met het soort opdracht dat architecten hier of dáár konden krijgen. Zo verklaren zich fenomenen als verdichting, schaalvergroting en woningbouw als een publieke opgave enerzijds en creatief particulier initiatief anderzijds.

MAATWERK\MASSARBEIT – © foto Uwe Dettmar

Maar de verschillen trekken bij, constateren de curatoren, en niet alleen bij de bouw van woningen. Dit is mede een gevolg van de crisis vanaf 2008 die de Vlaamse architecten minder verpletterend heeft getroffen dan hun Nederlandse collega’s, puur door het feit dat de Vlaanderen al gewend waren onder gedereguleerde en financieel krappe omstandigheden te werken. Typologische experimenten, improvisatie en de specifieke plek als kans: hierin zijn de Vlaamse architecten meesters. Maar de tentoonstelling laat zien dat deze kwaliteiten ook in de Nederlandse architectuur steeds aanwezig waren. In ‘Prelude’, een aparte ruimte binnen de tentoonstelling, staan op stellingkasten tientallen maquettes van jonge bureaus. Aan boven genoemde kwaliteiten ook hier geen gebrek.

De tentoonstellingen in het DAM worden voor een vakpubliek gemaakt, dat wordt ook bij deze expositie duidelijk. De afwezigheid van tekeningen is een keuze van de curatoren maar wat mij betreft een gemis voor het kunnen begrijpen van de projecten. De grote plus is het plezier aan de schoonheid en verscheidenheid van de maquettes. Naast de ‘poppenhuizen’ springt een geschakeld gebouw in het oog, zilver en licht gebogen. Een maquette als een sieraad. Mijn nichtje begint het direct te tekenen.

MAATWERK\MASSARBEIT – © foto Uwe Dettmar

‘Maatwerk | Massarbeit’ toont meer dan de Superdutch iconen, en ook meer dan het resultaat van innovatief Vlaams opdrachtgeverschap. De range van projecten reikt van een aanbouw in de tuin, via stedelijke hergebruiksprojecten, tot de grote nieuwbouw zoals het MAS in Antwerpen. Tussen Vlaamse en Nederlandse vakgenoten vinden tal van (culturele) uitwisselingen plaats, ook op het gebied van onderwijs. De tentoonstelling inspireert om naar verschillende plaatsen in België af te reizen en de projecten ‘in het echt’ te zien, bijvoorbeeld het STUC kunstcentrum in Leuven en het Rubens Paviljoen in Antwerpen.

Een prelude was ooit een soort improvisatie, een warming-up, die vlak voor het echte werk gespeeld werd. De Nederlandse architecten hebben goed naar hun Vlaamse collega’s gekeken, lijken de curatoren te willen zeggen, en gezamenlijk bezint de jonge generatie zich op typologie, tactiliteit en hergebruik: basisbegrippen van de architectuur. De vraag is of deze sympathieke houding wordt volgehouden als de markt opnieuw oververhit raakt.