Column —

Snellere paarden

Hans Ibelings

Hans Ibelings over de Nederlandse architectuur van vandaag. Een column uitgesproken tijdens de uitreiking van de Abe Bonnema prijs voor jonge architecten.

Raadhuisplein, Nieuw Bergen met de landmark ontworpen door Monadnock – foto Michiel Verbeek

Als toelichting, ik schrijf over architectuur. Eerst deed ik dat vanuit Nederland, en nu, sinds bijna vijf jaar vanuit Canada. Schrijven over architectuur heeft iets weg van het becommentariëren van een sportwedstrijd. Ik breng verslag uit van wat ik meen te zien. Als het een waardeloze wedstrijd is dan zal ik niet nalaten om dat te zeggen, maar ik ben een observator, niet de maker van een doelpunt of een schijnbeweging. Met wat ik zeg kan ik niet de wedstrijd beslissen. Ik zal niet scoren, maar ik troost me met de gedachte dat ik ook geen vuile overtreding zal kunnen maken. En het valt me altijd weer op, om met de fameuze Amerikaanse honkballer Yogi Berra te spreken, dat je veel kunt observeren door gewoon te kijken.

Afstand
Op 5500 kilometer afstand van Nederland zijn mijn observaties over de Nederlandse architectuur gefilterd door wat mij bereikt. Ik vermoed dat wat ik lees, hoor en zie via allerlei kanalen een nogal incompleet beeld oplevert.
Voordat ik zeg wat mij bereikt: in Canada heeft architectuur een totaal andere betekenis en positie dan in Nederland. Het is overdreven om te zeggen dat ze geen enkele positie of betekenis heeft, maar het is duidelijk dat architectuur een marginaal verschijnsel is. Architectuur wordt gezien als iets uitzonderlijks, voor uitzonderlijke gelegenheden, hetgeen betekent dat de Nederlandse vanzelfsprekendheid om geld, zorg en aandacht te besteden aan zeg een schoolgebouw, een woonwijk, of een openbare ruimte in Canada ontbreekt. Met andere woorden, waar in Canada de architectuur voornamelijk bestaat in een privaat domein, gefinancierd met privaat geld – direct van een opdrachtgever of bijeengebracht door fundraising – is ze in Nederland, en in veel andere Europese landen, veel meer een publieke kwestie.
De paradox is dat er weinig recente architectuur in Canada is waar mijn Nederlandse hart sneller van gaat kloppen, maar dat gek genoeg als je hoort en leest in welke bewoordingen deze middelmatigheid wordt geprezen, het allemaal fantastisch lijkt: world-class, stellar, award-winning, excellent, bold, stunning. Neemt u van mij aan dat bijna elk nieuw gebouw in Canada ‘stunning‘ wordt genoemd en als er echt geen enkele aanleiding is om de architectuur stunning te noemen, dan is er altijd nog de uitweg om dit van het uitzicht te zeggen.

Stemming
Net zomin als de hyperbolen passen bij de onopmerkelijke architectuur in Canada, zo is er ook in Nederland een merkwaardige disconnectie tussen resultaat en woord. Ik zie voortdurend mooie dingen voorbij komen, maar bijna alles wat ik lees over Nederlandse architectuur weerspiegelt een stemming die moeilijk anders is te omschrijven dan bedrukt. Al jaren krijg ik daardoor de indruk dat het niet echt goed gaat met architecten, met de architectonische cultuur, met de architectuurkritiek, met de overheidssteun voor architectuur en ga zo maar door.

Om een paar voorbeelden te geven. Kortgeleden werd Christoph Grafe, directeur van het Vlaams Architectuurinstituut en geen onbekende in Nederland, sprekend opgevoerd in een artikel van Kirsten Hannema in De Volkskrant waarin hij onomwonden zegt dat het Nederlandse architectuurdiscours is doodgebloed. Doodgebloed: dat is niet mis.
Grafe kwam aan het woord in Hannema’s bespreking van de tentoonstelling ‘Maatwerk, een overzicht van Nederlandse en Vlaamse architectuur’ die nu in het Duits Architectuurmuseum in Frankfurt te zien is. Hannema karakteriseert daarin Nederland als stervende zwaan en Vlaanderen als het voormalige lelijke eendje dat toonaangevend is geworden. Ook dat is scherp: stervende zwaan. Fijntjes merkt ze daarbij op dat Nederland niet alleen in de architectonische schaduw is komen te staan van Vlaanderen, maar ook dat in tegenstelling tot het Vlaams Architectuurinstituut de Nederlandse tegenhanger nauwelijks betrokken is geweest bij deze presentatie in Duitsland. Het Nieuwe Instituut heeft niet veel meer dan een paar bruiklenen verstrekt. Weer een stem in de treurzang over de Nederlandse architectuur, waarin Het Nieuwe Instituut de pars pro toto voor een teloorgang is geworden.
Onderdeel van de tentoonstelling ‘Maatwerk’  is een ‘Wunderkammer’ met werk van een jonge generatie architecten, Vlamingen en Nederlanders door elkaar. De samenstellers, Marius Grootveld en Jantje Engels, hebben een label op deze architecten geplakt; het gaat hier om een weefgeneratie die de rommel van het Superdutch-feestje aan het opruimen is. Andermans rommel opruimen klinkt nogal mopperig vind ik.

Dat de Nederlandse architectuur vandaag de dag niet hetzelfde enthousiasme oproept als een tijd geleden heeft volgens mij niet zozeer te maken met Superdutch en of dat wel of niet een rommel heeft achtergelaten. Het heeft evenmin een directe relatie met de harde klappen die de economische crisis heeft uitgedeeld aan de gehele bouwsector. Eind november meldde het Financiële Dagblad dat “architecten in de economische crisis hebben gemerkt dat ontwerpen alleen een wankele economische basis is voor hun bedrijf. Ze zijn daarom hun activiteiten gaan verbreden. De een heeft een eigen meubellijn, een tweede maakt lespakketten of 3D-geprinte huizen, weer een ander stort zich op virtual reality of wordt ontwikkelaar of medefinancier van een woonwijk.” Fred Schoorl, directeur van de BNA, zegt in het artikel te denken dat deze trend zich doorzet: “De les die we in de crisis hebben geleerd is: wie alleen afhankelijk is van ontwerp, wordt weggevaagd. Het is change or die. De nieuwe architect staat op.” Wederom die vergelijking met de dood.

Villa VPRO, Hilversum / MVRDV – foto Marco Raaphorst

Dat architecten zich zouden moeten losweken van het ontwerp is overigens niet niks. Want sinds Alberti aan het begin van de vijftiende eeuw de architect definieerde als de maker van het ontwerp, en niet de maker van een gebouw, is ontwerpen de essentie van het beroep geweest. Volgens Schoorl is de noodzaak tot oprekken de les van de crisis, maar ik denk dat de kern van veranderingen niet ligt bij de economie, maar bij een veranderde maatschappelijke stemming die zich al eerder begon aan te dienen. De politiek krijgt daar soms de schuld van maar volgens mij is politiek, net als beleid, slechts een weerspiegeling van wat er al langer leeft in de samenleving.
En die stemming is dat cultuur, de architectonische cultuur vooral, niet meer zo relevant wordt gevonden als aan het eind van de vorige eeuw. Dus dat een paar jaar geleden is besloten het Nederlands Architectuurinstituut niet meer te laten voortbestaan als zelfstandige instelling, is niet de briljante ingeving geweest van een visionair politicus, maar simpelweg de uitvoering van een negatieve stemming die al langer in de lucht hing. Er was eenvoudigweg niet genoeg steun om het NAi te laten voortbestaan – of te weinig verzet tegen het fuseren van architectuur met design en e-cultuur tot Het Nieuwe Instituut. Met het recent verschenen boek van Sergio Figueiredo, The NAi Effect. Creating Architecture Culture, is het Architectuurinstituut inmiddels ook al bijgezet in de geschiedenis, om de marxistische beeldspraak over mestvaalt en geschiedenis maar niet te gebruiken. Het effect van het NAi is kennelijk uitgewerkt. In het voorwoord van het boek stelt Bernard Colenbrander, die lange tijd bij het NAi heeft gewerkt, in omfloerste bewoordingen dat het instituut niet de tijd is gegund om een institutie te worden, vanwege, het boek is in het Engels, ‘the fluidity of the political discourse.’ Hetzelfde geldt voor het Stimuleringsfonds voor de Architectuur, dat gelijktijdig met de transformatie van het NAi naar HNI is veranderd in een fonds voor ‘de creatieve industrie’. Het verdwijnen van een zelfstandig fonds en van een zelfstandig instituut voor de Nederlandse architectuur zijn tekens aan de wand.

Zelfbeeld
De algehele stemmingsverandering heeft ook zijn weerslag op het zelfbeeld van de architect. Ik heb de afgelopen tijd vele malen gelezen of gehoord hoe architecten hun oude zelf, of als ze jonger zijn, hun voorgangers, wegzetten als deerniswekkend arrogant. Architecten die alles beter dachten te weten en niet inzien dat het tij gekeerd is en er nu bottom-up aan co-creatie moet worden gedaan, al dan niet met crowd sourcing als financieringsbron.
De huidige cultuur van bottom-up en co-creatie zie ik vanuit Canada overigens deels als een noodgreep, een vorm van lijfsbehoud, hopend dat door het heft uit handen te geven, er nog iets overeind blijft van de professie. Misschien heb ik het verkeerd, maar er schuilt iets desperaats in de verheerlijking van co-creatie en bottom-up, die beide duiden op een diepe twijfel aan het vermogen en deskundigheid van architecten om zelf vorm te geven aan de wereld om ons heen. Het heeft iets weg van de twijfel die in de jaren zeventig ontwerpers er toe bracht om de architectuur ondergeschikt te maken aan sociale doelen.
Het hele idee van co-creatie, dat in de Nederlandse architectuur nu wordt uitgedragen als sociaal en misschien zelfs cultureel ideaal is trouwens ooit in managementkringen bedacht als economisch model om door betere klantenbinding simpelweg meer afzet te genereren. Daarin verschilt het van de inspraak, de bewonersparticipatie en het bouwen voor de buurt in de jaren zeventig, die een vertaling waren van een publieke stemming die op elk vlak democratie verlangde. Het idee van de co-creatie lijkt misschien nog democratischer, maar het is volgens mij een volgende stap in de reductie van burger tot consument.

Haverleij, Den Bosch / Sjoerd Soeters en Paul van Beek – foto Karrow

Dienstbaarheid
Wat me ook aan het denken heeft gezet in dit verband is het thema dat de jury van de Abe Bonnema-prijs als leidraad heeft gehanteerd dit jaar: dienstbaarheid. Ik hoop dat de jury mij toestaat om daar iets over te zeggen. Bij mij als buitenstaander riep het een vraag op: Wie kan zich voorstellen dat bij enige andere kunstprijs dienstbaarheid een thema zou zijn? Dienstbare literatuur, dienstbare muziek, dienstbare schilderkunst?
Dienstbaarheid grenst aan nederigheid, aan wegcijferen en ondergeschikt maken, het opgeven van autonomie. Ik gun alle vier de genomineerden deze prijs, maar ik weet niet of ik iemand zou aanraden om nadrukkelijk te vermelden de winnaar te zijn van een prijs voor het meest dienstbare project van dit moment.
Nog iets over de nominaties, die stuk voor stuk bijzonder zijn, en volgens mij helemaal niet zo dienstbaar. Ik weet dat het statistisch gezien een te kleine steekproef is om er conclusies aan te verbinden, maar het viel me op dat alle vier projecten zijn voortgekomen uit privé-opdrachten: drie woonhuizen en een hotel. En nog iets, het hotel is midden in Amsterdam maar de drie woonhuizen zijn buiten de Randstad, in Zeeland, Twente en Noord-Holland. Dat is opmerkelijk in een cultuur waarin de architectuur vooral publiek en stedelijk is. Of misschien moet ik zeggen, is geweest. Wat bij mij de gedachte opriep, het lijkt Canada wel.

Dat dienstbaarheid het thema is voor deze prijs, past bij de stemming van dit moment. Wat ik denk te zien, ook buiten de architectuur en ook buiten Nederland, is een afkeer van experts. De twijfel aan de architect als allesweter past daar naadloos in. Doorgaans is er trouwens alleen een afkeer van experts die iets weten, niet van experts die iets kunnen. Een deskundige is verdacht, een vakman wordt geprezen in dit tijdperk waarin crafts, maken en zelfs knutselen hoog staan aangeschreven. Voor architecten, die zich op de grens van professie en ambacht bevinden, van weten en kunnen, is dit mogelijk een aanleiding om geleidelijk op te schuiven, en zich nu niet meer te beroepen op hun autoriteit als deskundige maar juist op hun ambachtelijke vaardigheden. Zo bezien is het niet verwonderlijk dat veel architecten nu een onverholen minachting hebben voor alles wat neigt naar concepten en ze zich juist hard maken voor een architectuur waarin het draait om materiaal, vorm, compositie, tektoniek, en niet het woord ‘vernieuwing’ maar juist het woord ‘traditie’ veel wordt gebezigd. Dat is klaarblijkelijk hoe veel architecten zich nu lijken te willen positioneren, niet als conceptuele probleemoplossers maar als makers van iets wat past in een traditie. Dat is volgens mij in grote lijnen ook de boodschap van de ‘Wunderkammer’ in Frankfurt.

Tekenend voor de veranderde stemming ten aanzien van de autoriteit van de expert is ook dat ik onlangs las dat Sjoerd Soeters problemen heeft in Haarlem waar hij iets heeft ontworpen dat mensen niet willen. Soeters is daardoor gekrenkt en het overheersende commentaar hierop is dat uitgerekend degene die in Nederland lange tijd is gezien als degene die beter wist dan wie dan ook wat mensen willen, dat blijkbaar nu ineens niet meer snapt.

MAS, Antwerpen / Neutelings Riedijk – foto Paul Hermans

Weeffout
Maar wat willen mensen? Wie gelooft in de werking van algoritmes waarmee ons gedrag steeds nauwkeuriger wordt geanalyseerd, weet dat het meest gegeven antwoord is: meer van hetzelfde. En dat is volgens mij een potentieel gevaar van bottom-up en co-creatie. Volgens de beroemde woorden die Henry Ford in de mond zijn gelegd, zou hij nooit auto’s zijn gaan maken als hij gevraagd had wat mensen wilden, want die zouden hebben gezegd dat ze een paard wilden dat iets sneller was.

Volgens mij zou dat wel eens de kwestie kunnen zijn die de huidige tijd typeert: dat ondanks alle technologische vernieuwingen die iedereen omarmt, aanvaardt of over zich heen laten komen, het lijkt alsof de Nederlandse architectuur van nu vooral wedt op ietsje snellere paarden. Niet op een architectuur die wezenlijk anders is, maar op iets wat lijkt op wat we eigenlijk al kennen. En ik vrees dat dit mogelijk een weeffout in deze benadering kan worden.
Wat mij opvalt aan een deels jongere generatie, deels niet jongere maar simpelweg andere generatie die nu na Superdutch op de voorgrond is gekomen, is dat zij vooral geïnteresseerd lijken in wat intra-architecturale kwesties genoemd zouden kunnen worden: vorm, ruimte, typologie, compositie, materiaal en ambacht. Er is nauwelijks of geen belangstelling voor extra-architecturale kwesties, voor wat de architectuur kan bereiken buiten zichzelf. Daar is niets mee mis maar het klinkt mij toch een beetje alsof ik als schrijver zou beweren dat voor mij spelling en grammatica belangrijker zijn dan wat ik te vertellen heb.

Kern
Het is begrijpelijk dat na Superdutch de slinger de andere kant op beweegt en uitkomt bij een soort subdutch; dat na conceptuele bravoure een praktische bescheidenheid komt; dat na een zoektocht naar de grenzen van de architectuur, een introspectieve exploratie van de kern van de architectuur centraal komt te staan.
Ik kan me indenken dat een zoektocht naar de kern van de architectuur fascinerend is, maar ik kan er niet naar kijken zonder een zekere bezorgdheid. Ik verwacht dat die fascinatie van korte duur zal blijken te zijn omdat wie eenmaal de vermeende essentie heeft bereikt niet meer verder kan. Die zoektocht is overigens geen exclusief Nederlands verschijnsel, ze is ook terug te vinden in Vlaanderen, Engeland, Portugal, Zwitserland, Duitsland, Italië en vermoedelijk nog wel in meer landen.
Bij deze architectuur moet ik denken aan de Northern Soul. Ik weet niet of u bekend bent met deze beweging die sinds de jaren zeventig bestaat in Engeland. Bij mijn weten was het een zeldzame uitzondering binnen de popcultuur omdat de Northern Soul zich niet richtte op nieuwe muziek, maar op oude: kort gezegd op Amerikaans soul gemaakt tussen begin jaren zestig en midden jaren zeventig en dan alleen nummers die het nooit tot hit had gebracht: B-kanten van Motown hits en obscure nummers van veelal vergeten artiesten die nooit de hitparade hadden bereikt. In eerste instantie ontdekten de Northern Soul adepten een schatkamer aan onderbelichte muziek, maar op een gegeven moment, en dat moment kwam vrij spoedig, bleek er een grens te zijn aan hoeveel vergeten B-kanten en demo-opnamen er zijn binnen een bepaald genre waar niets meer bijkwam. Zo zie ik het ook met de op zichzelf lovenswaardige zoektocht naar een kern van de architectuur en de parallel daaraan uitgevoerde ontdekkingstocht naar obscure architectuur uit het verleden; expedities die vrees ik op een gegeven moment gaan doodlopen omdat er na die kern niets meer komt en ook de hoeveelheid obscure architectuur begrensd is. Als architectuurhistoricus meen ik de deskundigheid en autoriteit te hebben om dit te kunnen zeggen.

De tweede potentiële beperking van de concentratie op intra-architectonische kwesties is dat de architectuur daardoor een terugtrekkende beweging maakt en steeds minder in staat zal zijn om antwoord te geven op grote vraagstukken die er wel degelijk zijn en waar de architectuur zou kunnen bijdragen aan een oplossing. Ik wil niet zeggen dat elke individuele architect zich alle problemen van de wereld moet aantrekken, maar de professie als geheel staat voor de opgave om de architectuur een zinvolle plaats te geven binnen de grote ruimtelijke, infrastructurele, en sociale vraagstukken. Na de in mijn ogen vaak ontwapende ‘Yes we can’ grootspraak van Superdutch, zie ik, van grote afstand, een neiging naar buitengewone fraaie maar vaak nogal bescheiden architectuur. Als recent transplant in Canada kijk ik met een zekere argwaan naar deze bescheidenheid omdat ik in de afgelopen jaren heb gezien hoe bescheidenheid gemakkelijk kan leiden tot compleet risicomijdende architectuur waarop het nationale Canadese credo van toepassing is: ‘better safe than sorry’.

Koers
Zo ver komt het denk ik, en hoop ik, niet met de Nederlandse architectuur.Daarvoor is er te veel vitaliteit in de architectuur van nu en hopelijk nog genoeg scherpe kantjes. Of het ooit weer zo feestelijk wordt als tijdens de gouden jaren van Superdutch waag ik te betwijfelen, maar ook zonder dat het een feest is kan de architectuur floreren. En je hoeft trouwens geen voorspellende gaven te hebben om te zien dat de Vlaamse architectuur die nu op het schild gehesen wordt, na een periode van bloei en lof, ook met een neergang te maken zal krijgen. Het lelijke eendje van weleer mag een mooie zwaan geworden zijn, iedereen weet hoe ook zwanen uiteindelijk ten dode zijn opgeschreven.