Recensie —

Steden in transitie

Jeroen Mensink

Cities in Transition, power, environment, society is een Nederlands-Chinese productie gemaakt door Arie Graafland, Wowo Ding en Andong Lu. De gelijknamige tweedaagse conferentie aan de Nanjing University in 2014 vormde de aanleiding voor een lijvig, caleidoscopisch boek van zo’n 400 pagina’s met theoretische bespiegelingen over recente ontwikkelingen in steden wereldwijd.

Johannesburg – bron wikimedia

Cities in Transition omvat bijna de hele wereld, steden in Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Europa, Zuid-Afrika en China komen uitgebreid aan bod en bevat bijdragen van meer dan dertig vermaarde auteurs, zowel wetenschappers als ontwerpers. Bijna alle stukken zijn speciaal voor deze publicatie geschreven, slechts een enkele bijdrage is een bewerking van een eerder verschenen artikel.
Dit boek gaat over de vele en zeer verschillende opgaven waar steden over de hele wereld vandaag de dag voor staan. Dat is een breed spectrum, van krimpende steden in Japan, en door overstromingen bedreigde steden in Indonesië, tot sloppenwijken in Afrika, en woningbouwopgaven en sociale ongelijkheid in Zuid-Amerika.

Acceleratie wereldwijde verstedelijking
In hun inleiding wijzen de redacteuren, aan de hand van een aantal filosofische verhandelingen, op de steeds sneller accelererende verstedelijking. Van de eerste metropolen ten tijde van de industrialisatie, via de ‘megacity’ naar de ‘metacity’: stedelijke multi-nodale conglomeraten van meer dan 20 miljoen mensen. Het ontstaan van de metacity is sterk verbonden aan de opkomst van digitale technologie, waarmee grote hoeveelheden informatie wordt verbonden en gemonitord. De hedendaagse stad, met z’n nieuwe technologie en bijbehorende slimme infrastructuur, vraagt om nieuwe concepten voor de stad en de massale mobiliteit van mensen en objecten. Binnen twee decennia woont 60 procent van de wereldbevolking in steden en zullen de verschillen tussen extreme rijkdom en extreme armoede alleen nog maar verder zijn opgelopen. Inmiddels is de gehele wereld feitelijk al onderdeel van de verstedelijking geworden, inclusief de dorpen, rurale en afgelegen gebieden.
In dit boek wordt een nieuw raamwerk voor het denken over het fenomeen stad opgebouwd, die meer gaat over processen dan over stedelijke vormen. In dit dynamisch raamwerk worden processen in de stad, in netwerken en infrastructuur bezien in tijd en ruimte. Het concept van de metacity is een hybride vorm van ruraal en urbaan, centrum en periferie, mens en technologie.

Shenzhen – bron wikimedia

Moderne planning en verstedelijking heeft altijd de drang gehad om ordening aan te brengen, om de stad als ruimtelijke eenheid te zien, met een zichtbaar en onzichtbaar stramien van gestandaardiseerde infrastructuur. Vaak op basis van een grid of een bestaand stratenpatroon, maar altijd ook als politieke daad en morele keuze. De groei van steden is nooit alleen een technische opgave geweest, maar altijd ook een politieke, sociale en morele die bovendien plaatsvindt in een specifieke culturele en historische context. Digitalisering heeft de betekenis van, onder meer, de publieke ruimte sterk veranderd en de taak van de architect van de metacity lijkt het ‘branden’ van de stad met spectaculaire gebouwen die vooral worden geconsumeerd via internet.
Het hedendaagse leven is geheel afhankelijk geworden van infrastructuur, netwerken voor energie, communicatie en vervoer van personen en goederen. Kwetsbare netwerken, die afhankelijke zijn van computers en informatietechnologie.
Die kwetsbare netwerken liggen ook aan de basis van de ‘global city’ en de ‘global economy’, zoals beschreven door Saskia Sassen en Michael Hardt & Antonio Negri. Omdat afstand minder relevant is geworden, verspreidt economische productie – door netwerken verbonden – zich over de aarde, terwijl het management daarvan zich juist concentreert in een beperkt aantal steden. Deze ontwikkeling luidde het begin van een periode van neo-liberalisme in en het einde van de successen van de sociale welvaartsstaten. De verschillen in inkomens zijn sindsdien aanmerkelijk groter geworden. Mede reden voor UN-Habitat om recent nog met een aantal aanbevelingen te komen voor voorspoedige en inclusieve steden. Waaronder het pleidooi om te streven naar effectieve stedelijke planning, decentralisatie en een sociaal systeem dat gelijke kansen biedt aan iedereen.

Laten we een aantal van de op de inleiding volgende hoofdstukken kort uitlichten, overigens zonder hierbij volledigheid na te willen streven.

Urbaniteit als sociaal construct
Vittorio Magnago Lampugnani roept in herinnering dat het werken aan de stad ooit een integrale discipline was (verwijzend naar Cerda, Baumeister, Sitte, e.a.), maar daarna uiteengevallen is in verschillende disciplines. Zijn pleidooi is om het stedelijk ontwerp weer “het vormgeven van onze omgeving in een humane, functionele, duurzame, alsmede een esthetische en cultuur verlangend iets” te laten zijn. Daarvoor moet de ontwerper de geschiedenis kennen, terug naar de multidisciplinaire werkwijze van 100 jaar geleden, maar wel beseffen dat de stad voor nieuwe opgaven staat en andere ontwerpinstrumenten nodig heeft.
Nicholas Bullock laat zien dat de informele stad weer terug is, na honderd jaar geleden systematisch te zijn uitgebannen uit Londen, Parijs en Berlijn en maakt daarbij de vergelijking met de informele stad zoals die nu groeit in Afrika en Zuid-Amerika.
George Baird laat aan de hand van straatfotografie zien dat het begrip ‘action’ van Hannah Arendt en ‘distraction’ van Walter Benjamin de uiteinden van een spectrum van sociale praktijken zijn die het publieke domein in onze tijd tonen.

Jakarta – foto Stefan Magdalinski

Globalisering
In het deel over globalisering en groeiende ongelijkheid vraagt Saskia Sassen zich af of (delen van) steden gekocht kunnen worden door private partijen en constateert een schaalvergroting in de ontwikkelingen die door ‘global investors’ worden geïnitieerd.
In de bijdrage van Stephan Cairns, Herlily Friedrich en Eva Friedrich komt aan de hand van twee projecten in Jakarta het actuele probleem van overstromingen van grote, kwetsbaar gelegen steden aan bod. Een kwetsbaarheid die geldt ook voor grote steden in Azië en Afrika die aan het einde van de 20e eeuw zo explosief zijn gegroeid.  Wat zijn de sociaal-economische gevolgen voor de mensen die, voor hun eigen veiligheid, elders in de stad worden geherhuisvest? Hoe kun je ervoor zorgen dat mensen hier beter van worden en niet alsnog slechter af zijn omdat ze bijvoorbeeld ver van economische activiteiten worden ondergebracht? In Jakarta vormen kampongs en superblocks twee uiterste oplossingen voor hetzelfde probleem. Volgens de auteurs allebei uitingen van de rampzalige planning in de tweede helft van de 20e eeuw, die nog altijd resulteert in jaarlijkse overstromingen.

Praktijk van stadsontwikkeling
In dit meest op de ontwerppraktijk gerichte deel van het boek zijn reflecties opgenomen van enkele ontwerpers die in de praktijk te maken hebben met steden in transitie. Hidetoshi Ohno schrijft over krimp in de steden in Japan. Hoe maken (Japanse) steden zich klaar voor vergrijzing en krimp en een lagere economische productie, zo vraagt hij zich in zijn bijdrage af.
Joan Busquets houdt een uitgebreid betoog over de effecten van communicatiesystemen op onze fysiek stedelijke ruimte, stelt een set nieuwe ontwerpparadigma’s op en plaatst deze in een internationaal perspectief aan de hand van een aantal projecten. De Nederlandse bureaus West 8 en MVRDV zijn in dit deel vertegenwoordigd met een aantal concrete projecten.

Afrika
In het deel gewijd aan Afrika legt Edgar Pieterse de basis van zijn interdisciplinaire onderzoeksinstituut African Center for Cities (ACC) uit. Welke kennis is relevant voor ontwikkelend Afrika, zo vraagt hij zich af. Wat zijn de relevante vragen? Wat moeten lokale democratische staten doen om sociale gerechtigheid en zorg voor een duurzame leefomgeving te garanderen? Hij pleit ervoor de postkoloniale stad opnieuw te overdenken, zonder leentje buur te spelen bij theoretische kaders die elders in de wereld zijn ontwikkeld, om daarmee de Afrikaanse verstedelijking an sich te doorgronden en van daaruit vervolgens te kunnen sturen.
Ook Iain Low richt zich in zijn bijdrage op de postkoloniale stad, die modernistisch en Westers van oorsprong is. Na de apartheid is een aanpassing nodig, een niet-Westerse blik en aanpak om de (mega)steden van Afrika inclusief en duurzaam te maken. Dat moet vanuit lokale omstandigheden, van onderop en samen met de gemeenschap. Alleen dan ontstaat een zinvol en betekenisvol stedelijk weefsel. Het sociale aspect moet voorop staan, daarna volgt de fysieke bijpassende structuur wat hem betreft.
Michiel Hulshof en Daan Roggeveen vervolgen in dit boek hun zoektocht naar de Chinese aanwezigheid in Afrika, ditmaal Kigali de hoofdstad van Rwanda, ook wel het Singapore van Afrika genoemd. In tegenstelling tot het beeld dat na de genocide bij velen is blijven hangen, een oase van voorspelbaarheid in de Afrikaanse chaos.

Caracas – bron wikimedia

Smart Cities
Maarten Hajer, Ton Dassen en M. Christine Boyer zetten hun vraagtekens bij de hype rondom Big Data en Smart Cities. Hajer en Dassen plaatsen kritische kanttekeningen bij de manier waarop alle beloften klakkeloos worden geloofd en zien weinig hoop voor de in hun ogen noodzakelijke sociale en institutionele veranderingen.
Boyer ziet vooral een opgave in de wijze waarop beleidsmakers en politieke beslissers omgaan met de overweldigende hoeveelheid data en welke samenwerkingen ze aangaan met de grote multinationals die zich bezig houden met informatietechnologie.

China
Chinese steden verwelkomen ieder jaar miljoenen nieuwe stedelingen en het is een hele opgave om dat op een duurzame manier te doen. Zeker in combinatie met de sterk groeiende middenklasse die meer en meer consumeert. Arjan Harbers en Jan Bakkes, die werkte als adviseurs voor de Chinese overheid, constateren dat in China aandacht is voor grootschalige planning en voor gebouwen, maar minder voor de schaal daartussen. De publieke ruimte tussen al die hoge torens is daar de dupe van. Ze pleiten – in het volle besef dat ze dit vanuit Nederlands perspectief naar voren brengen – voor een meer integrale planningspraktijk met meer aandacht voor de schaal van het individu. Tiajin Eco-City is een poging om tot een nieuw model voor te stad te komen. Ze doen aanbevelingen voor goede stadsmodellen op basis van acht zogenaamde proceselementen, zoals TOD, gebruik van erfgoed en identiteit en de menselijke schaal, oftewel de voetganger. Ze eindigen met een waarschuwing: denk goed na, een stad maken is een nogal onomkeerbaar proces.
Uit de bijdragen van zes decanen van Chinese universiteiten komt een beeld van China naar voren als een land dat het gevoel heeft een inhaalslag te moeten maken op het gebied van architectuuronderwijs en onderzoek. Architectuur is onderdeel van de veranderende maatschappij. Ze zien allemaal een grotere rol voor big data en constateren een verschuiving van een focus op architectuur naar urbanisme. De indruk ontstaat dat men zich in korte tijd de tradities van het architectuuronderwijs in het Westen eigen willen maken, er wordt verwezen naar Taliesin van Wright en de École des Beaux-Arts in Parijs. Terwijl de snelle groei van steden in China eigenlijk niet valt te baseren op modellen uit Europa of de Verenigde Staten.

Cities in Transition bestaat uit een duizelingwekkende hoeveelheid informatie en bespiegelingen. Het door Piet Gerards ontworpen boek is een bundeling van reflecties op het fenomeen stad en de veranderingen die het momenteel ondergaat, met een grote rol voor de digitale infrastructuur ervan. Gewapend met deze kennis is de ontwerper voorbereid op de toekomst, al zullen slechts weinig architecten op al die plekken op de wereld actief zijn of met alle beschreven transities te maken hebben. Het boek is misschien dan ook meer voor denkers dan voor doeners bedoeld. Voor iedereen die geïnteresseerd is in urbane en politiek-economische ontwikkelingen in steden wereldwijd, is het een must read.