Recensie —

Gispen: bijzondere ontwerpen van een massaproducent

Otakar Máčel

Als het in Nederland over stalen buismeubels gaat valt al snel de naam Gispen. Dat is niet verbazingwekkend, want Willem Hendrik Gispen (1890-1981) was voor de oorlog de grootste buismeubelfabrikant van Nederland. Museum Boijmans van Beuningen stelde een tentoonstelling samen over Gispen, maar veel buisstoelen zijn er niet te zien.

Ronde tearoom op het dak van de Van Nellefabriek, circa 1930, Collectie Stadsarchief Rotterdam, foto: E. van Ojen

Gispen begon in 1916 bescheiden met een werkplaats in Rotterdam waar hij muurstaven en verstelbare consoles maakte. Zijn artistieke aspiraties maakten dat hij spoedig overging op kunstsmeedwerk. Later kwamen daar bronzen profielen en winkelpuien bij. Zijn werk droeg kenmerken van de Amsterdamse school en Art Déco, maar begon rondom 1925 zakelijker te worden. Uit dat jaar stammen twee catalogi: een van bronzen profielen in een Amsterdamse School/Art Déco-stijl, en een voor brons-, koper- en ijzerwerk in een nieuwe zakelijke vormgeving. Daarna ging het snel. Gispens affiniteit met de Nieuwe Zakelijkheid – hij presenteerde zijn lampen al in 1927 op de Werkbund-tentoonstelling in Stuttgart – bracht hem in contact met moderne architecten zoals Leendert van der Vlugt, dit leidde tot opdrachten voor de inrichting van gebouwen. Spraakmakend blijft de inrichting van de Van Nellefabriek uit 1929, die de aanzet gaf tot de fabricage van de metalen buisstoelen. Zijn eerste buisstoel, de later bekende diagonaalstoel, heeft Gispen al in 1927 ontworpen, maar pas in 1930 kwam de gewone productie op de gang.

Tijdens de jaren dertig bouwde Gispen zijn bedrijf uit tot de grootste stalenmeubelfabriek in Nederland. De aanvankelijke verbinding met de architectuur van het Nieuwe Bouwen werd steeds vager, de nieuwe meubelstijl werd algauw een rage en bleef niet beperkt tot witte functionalistische villa’s. De vraag ernaar bleef ondanks de economische malaise groeien. In 1935 verhuisde Gispen naar Culemborg. Zijn meubelassortiment was tijdens het interbellum van goede kwaliteit en modern, maar geen pionierswerk. Gispen was voorzichtig met het lanceren van nieuwe modellen, hij wachtte meestal de stappen van zijn grote concurrent Thonet af. Pas na bewezen succes bracht hij zijn eigen model op de markt, dat vaak niet van die van zijn concurrent te onderscheiden was.*

Na de oorlog ging de opmars verder, Gispen werd de grootste fabrikant van kantoormeubilair. Maar de schaalvergroting en het daarmee groeiende belang van management in plaats van ontwerpen, beviel Gispen steeds minder en in 1949 verliet hij de firma. Met Ru Meijer richtte hij in 1953 de firma Kembo (Kom Eerst Maar Bij Ons) op waar hij zijn ontwerpambities beter kon verwezenlijken. Daar heeft Gispen tot 1960 als ontwerper gewerkt.

W.H. Gispen, Verlichtingsornament voor Zeelandia, 1936, verchroomd metaal, glas, Koninklijke Zeelandia Groep, Zierikzee

Tot zo ver, kort samengevat, de ontwerper en industrieel Gispen. De tentoonstelling in het Boijmans gaat over Gispen, maar vooral over het bedrijf Gispen, dat dit jaar zijn honderdjarige jubileum viert. Ongeveer de helft van de presentatie heeft dan ook met de persoon Gispen niets van doen.

De uitdaging van een tentoonstelling met voornamelijk meubels is om de presentatie niet in een soort meubelmagazijn te laten stranden. Dat is in Rotterdam gelukt: de samenstellers hebben gekozen voor telkens kleine compartimenten, waar steeds een specifiek object getoond wordt. Het zijn vaak unica of bijzondere ontwerpen, hier ‘specials’ genoemd. Het magazijneffect wordt zo vermeden, maar soms raakt de expositie hierdoor ruimtelijk verbrokkeld. Het is de vraag of het imago en de glorie van het Gispen-bedrijf niet juist in de grote massaproductie zat, in plaats van in de bijzonderheden. Als tentoonstelling zal dat mogelijk een beetje saai resultaat geven.

Het vooroorlogse gedeelte heeft een beetje te lijden onder de concentratie op unieke stukken. Van de toenmalige klassiekers is onder andere de diagonaal stoel te zien, het ronde tafeltje met glasplaat en de fauteuils voor de Nieuw Amsterdam. Die latere fauteuils zijn verkoperd, wat een vervreemdend effect geeft. Het bekende pianolampje, dat Gispen naar ontwerp van de architect Oud produceerde, is ook te zien. Een voorbeeld van Gispens zakelijke verlichtingsarmaturen is de plafonnière die in 1935 voor het museum werd aangepast. Ikzelf was verrast door de weinig bekende bank voor het PTT kantoor in de door J.F. Staal ontworpen Beurs in Rotterdam (1939-40) en door de curieuze, opklapbare kindertandartsstoel.

Maarten Baas, vier stoelen uit de More or Less serie, 2011, metaal en hout, uitvoering Gispen, foto: Chris van Koeverden

Het gedeelte van na de oorlog – het ‘Gispenloze’ tijdperk, als het om de persoon gaat – geeft door de nadruk op ‘specials’ ook geen overtuigend beeld van de (toen) grootste kantoormeubilair fabrikant. Maar die minder bekende, bijzondere exemplaren, zijn wel de moeite waard. Ik noem er een paar: de Mondialstoel uit 1957 door vader en zoon (Wim) Rietveld, de zitkuipjes in de Amsterdamse witkar uit 1968, het meubilair van Peter de Boer of de stoelen van Richard Hutten en Maarten Baas. Bijzonder is ook de toenmalige aandacht voor een ‘éénpotig’ stoeltje. In Italië hebben de broers Castiglioni reeds in 1957 ‘Stella’ bedacht, een stoel met één poot, maar deze kwam pas op de markt in 1983. In Nederland had Rob Parry al in 1960 een éénpotige ’sta-zit-steunstoel’ ontworpen en bij Gispen bleek Peter de Boer in 1978 de ‘Sta-steun Piolo’ te hebben ontworpen, een éénpoot met twee lage zijsteunen, die in 1980 in productie ging.

Hoewel de tentoonstelling een aantal aspecten van de bedrijfsontwikkeling van Gispen onderbelicht laat is het toch interessant om te zien wat er allemaal tussen de smeedijzeren lamp uit 1917 en de designcollectie uit de 21e eeuw heeft plaatsgevonden.