Feature —

Het technologische tijdperk en het rijtjeshuis

Gerrit Kramer

In Eindhoven werd tijdens de bijeenkomst Smart Clues for Smart Living gesproken over de inzet van technologie voor de verbetering van de leefomgeving. Wat dit betekent voor de Nederlandse nieuwbouwwijk met zijn karakteristieke rijtjeshuis werd niet geheel duidelijk.

Rijtjeswoningen in Heerhugowaard, foto: Gerrit Kramer

Laat me beginnen met een algemene en misschien niet volledig juiste constatering. Vroeger was het rijtjeshuis het meest gebouwde en onmiskenbaar Nederlandse woningtype. Er werd als vanzelfsprekend gebouwd voor het gezin met een vader (de enige kostwinner), moeder en (minstens) twee kinderen als bewoners; verder misschien een hond, kat of goudvis en voor de deur een Opel Kadett. Sentimentaliteit is overbodig, maar dit tijdperk komt nooit meer terug. De laatste opleving van massale, geplande woningbouw is de Vinex geweest met wijken als Leidsche Rijn (Utrecht) en Ypenburg (Den Haag) die nu vrijwel voltooid zijn. De ééngezinswoning is er nog altijd de vaste waarde, als elixer voor gezinsgeluk. Ondertussen is de Vinex uitgegroeid tot een iconisch begrip. De naam van de laatste ruimtelijke ordeningsnota is een synoniem geworden voor de Nederlandse nieuwbouwwijk. Inmiddels is de macht overgeheveld naar provincies en gemeentes, gaat de aandacht uit naar binnenstedelijke bouw en wordt er bij nieuwbouw gestreefd naar diversiteit. Dat iedereen recht heeft op een woning die meer dan voorheen aanpasbaar is aan de eigen wensen, is een gedachte die steeds sterker is geworden.

Ondertussen staat het land nog altijd vol met rijtjeshuizen in alle denkbare verschijningsvormen; uit verschillende bouwperioden, in populaire buurten of in twijfelachtige buurten, verzorgd of wat verslonsd. Als de drieslag opkomst-bloei-verval wordt aangehouden, dan zijn het nu de woningen uit de jaren zeventig van de vorig eeuw die in verval dreigen te raken. Deze (bloemkool)wijken lijden vooral onder de ouderdom van de bewoners. Jonge en draagkrachtige bewoners zijn vertrokken naar meer recente, frisse nieuwbouwwijken. Een dreigende degradatie van het rijtjeshuis leidde bijvoorbeeld in Almere tot het instellen van een early warning system. Wat dit inhoudt is niet precies duidelijk, maar achteruitgang wordt gesignaleerd.

Het thema van Data Meetup #2. Smart clues for smart living is de achteruitgang van de bestaande woonwijk en het inzetten van technologie ter verbetering van de leefomgeving. Lopende de avond werd duidelijk wat er voor mogelijkheden zijn. Het gebied van onderzoek is de Eindhovense wijk Woensel-Noord. Deze nieuwbouwwijk ten noorden van het stadscentrum is in de jaren zeventig en tachtig gebouwd voor arbeidersgezinnen, vandaag de dag ontbreekt het aan een homogene bewonersgroep. De bijeenkomst gaat over smart living, een term die verwijst naar de smart city. Volgens deze gedachte bestaat de stad niet uitsluitend uit een combinatie van gebouwen en de bewegingspatronen en interacties van bewoners, werkenden, bezoekers en recreanten. Technologie en niet direct zichtbare digitale structuren zijn eveneens bepalend voor de stad, een gedachte die gedeeld wordt door de twee sprekers.

Kaart van Eindhoven met data van online-sharingplatforms, © OSCity

Als eerste is Dan Hill (ARUP) aan het woord. Hij heeft het over nouveautés als Airbnb, Uber, pakketbezorging met drones, en een slim energienet (smart grid), waarbij het evenwel de vraag blijft hoe dergelijke ontwikkelingen de stad veranderen. Technologie moet volgens hem geen vooruitgangsdoctrine zijn, ze is slechts een onderdeel van onze toekomst. Het draait in de eerste plaats om sociale structuren: hoe mensen de stad en hun woonwijken gebruiken. Techniek moet daar dienstbaar aan zijn. Hill stelt een zeer flexibele omgang met (woon)ruimte voor. Woningen worden niet langer slechts verhuurd aan een hoofdhuurder, maar worden flexibel gebruikt. Eén vaste bewoner kan de woning delen met iemand die er doordeweeks of juist in de weekenden verblijft. Ook kunnen mensen hun eigen ruimte ontwerpen. De bestaande woning is het uitgangspunt, maar in zekere zin ook een casco dat nieuwe vormen van gebruik mogelijk maakt.

Gezien het onderwerp van de avond is het niet verwonderlijk dat ook de andere spreker, Mark van de Net (OSCity), een grote voorliefde voor technologische ontwikkelingen aan de dag legt. Zijn bedrijf Open Source City harkt data uit het publieke domein binnen. Door deze data te analyseren en te visualiseren kunnen uitspraken worden gedaan over het ruimtegebruik van de stad. Voor Amsterdam is bijvoorbeeld gekeken naar de populariteit van bepaalde locaties aan de hand van Instagram-tags, ook is de explosieve groei van Airbnb in dezelfde stad in kaart gebracht. Toch is het voor Van der Net, net als voor Hill, de vraag wat de betekenis is van alom aanwezige digitale structuren en hoe de enorme hoeveelheid data zinvol kan worden ingezet. Er wordt een tweedeling gemaakt tussen de ‘future city’ en de ‘now city’, die langzaam maar zeker één zullen worden. Het is aan de bevolking om te bepalen hoe de stad van de toekomst eruit komt te zien en wat voor rol technologie hierin speelt.

Beide sprekers bagatelliseren in zekere zin de huidige technologische ontwikkeling en haar voortstuwende kracht. Het is een ontkenning van het belang van de digitale wereld en de mate waarin technologieën hun intrede hebben gedaan in het dagelijks leven. Een stelling dat technologie een bescheiden opstelling verdient is even prijzenswaardig als onhaalbaar. Ondertussen is het de vraag wat de gevolgen zijn voor het aloude rijtjeshuis. De bijeenkomst heeft immers wonen als onderwerp. Veel meer dan een flexibel ruimtegebruik en aandacht voor vergroening en verduurzaming kwam niet aan de orde. Hoe die verduurzaming en vergroening precies mogelijk gemaakt wordt en hoe het zit met de praktische haalbaarheid is evenwel onduidelijk, de avond was in de eerste plaats conceptueel van aard.

Dat roept de vraag op of de ideeën ook werkelijkheid kunnen worden. De terugkerende kritiek op de ééngezinswoning luidt dat deze matig aanpasbaar is. Uitbreidingen blijven doorgaans beperkt tot een dakkapel of een uitbouw aan de achterzijde. De bouwwijze maakt de woningen volstrekt ongeschikt voor het grote gebaar, of een combinatie van sloop en nieuwbouw binnen een bouwblok. De ééngezinswoningen in dezelfde rij zijn tot elkaar veroordeeld en ontstijgen de middelmaat niet. Slechts met torenhoge grondprijzen wordt het lucratief om grootscheeps te verbouwen. Voor woningen in corporatiebezit geldt dat ingrijpende aanpassingen nauwelijks tot niet terugverdiend worden, alleen als de huurprijs achteraf (stevig) wordt verhoogd is sloop en nieuwbouw rendabel. Bovendien is het bestemmingsplan problematisch, omdat er vaak uitsluitend een woonfunctie wordt toegestaan. Diversiteit en een hoog voorzieningenniveau laten zich niet rijmen met het typische ruimtegebruik van een buitenwijk en kan bovendien de lokale winkelcentra kannibaliseren. De kernfunctie is wonen in een omgeving die niet vrij is van slaperigheid. Zolang de situatie niet uitzichtloos is – zonder massale armoede of ongunstige leefomstandigheden – ontbreekt de aanleiding om fors in te grijpen. In de rijtjeshuizen kabbelt het leven rustig voort en reden tot klagen is er (nog) niet echt. Buiten een verandering van het straatprofiel of herinrichting van het publieke groen zijn ingrepen economisch niet te rechtvaardigen.

Wat er in de nabije toekomst zal gebeuren in Woensel Noord of één van de vele andere wijken met voornamelijk rijtjeshuizen blijft de vraag. Misschien dat een nieuwe groep bewoners het heft in eigen handen neemt en begint met het opknappen en verbeteren van de eigen buurt. Dat zou goed passen binnen het concept van de terugtredende overheid en de participatiesamenleving. De vraag is of iedere buurt daarvan evenveel profiteert. Waarschijnlijk gaat een onevenredige aandacht uit naar relatief goedkope buurten in de nabijheid van oude stadscentra, terwijl de meer geïsoleerde wijken of als slecht bekendstaande wijken een verder verval wacht. Het is aan gemeentes, bewoners en (indien van toepassing) woningcorporaties om een toekomst van de wijk te schetsen en te bepalen hoe met de bestaande problematiek omgegaan moet worden. De beschikbare financiële middelen zullen beperkt zijn – een doorsnee woonwijk is geen prestigeobject – dus creativiteit is gewenst al dan niet met het inzetten van ‘slimme’ technieken.