Feature —

Werkbundstadt

Elmar Koers

In Berlijn ontstaat de komende jaren een stadsdeel, ontworpen volgens de laatste ideeën van de Werkbund. Heeft dit plan nog iets te maken met de ontstaansreden van de bund meer dan honderd jaar geleden?

Groepsmaquette Werkbundstadt in de Kompaszaal in Amsterdam, foto: Elmar Koers

Afgelopen zomer vond in de Kompaszaal in Amsterdam een bijeenkomst plaats van de Werkbund, waarbij drieëndertig architecten zich bogen over een stedebouwkundig plan voor een voormalig industrieterrein aan de Spree te Berlijn. Het is een van de workshops in het kader van de Berlijnse Werkbundstadt waarin de toekomst van de Europese stad wordt verkend. In de traditie van eerdere door de Werkbund geconcipieerde visioenen, zullen de architecten tot een gezamenlijk ontwerp komen en daarmee stelling nemen in het huidige stedebouw- en architectuurdebat.

De totstandkoming van de Werkbund
In het boek Anfänge des Funktionalismus: von Arts and Crafts zum deutschen Werkbund (1), zet de Duitse architectuurhistoricus Julius Posener het ontstaansverhaal van de Werkbund af tegen de eerder opgerichte arts-and-craftsbeweging. Terwijl de Engelse beweging zich tegen de toenemende industrialisering verzette, accepteerde de Werkbund de tweedeling tussen de ontwerper en de maker. Medeoprichter Fritz Schumacher noemde bij de stichting van de Werkbund op 5 en 6 oktober 1907, het overbruggen van de vervreemding tussen de scheppende en de uitvoerende mens, als gevolg van industrialisatie, haar hoogste doel. Precies hierin zat volgens Posener de potentie van de Werkbund: een beweging die modern wil zijn en niet reactionair, zal moeten samenwerken met de industrie. Deze houding zou de kwaliteit van arbeid en product, een van hun speerpunten, uiteindelijk moeten bevorderen. Daar komt bij dat de Werkbund opgericht is door twaalf architecten én twaalf ondernemers (2). Vanaf het begin was het op de kaart zetten van de Duitse maakindustrie een belangrijk maatschappelijk-economisch motief binnen de Werkbund.

De architect Hermann Muthesius (3), peetvader van de Werkbund, speelde hierin een centrale rol. In 1904 keerde Muthesius, na een carrière in Engeland, terug in Duitsland. Hij ergerde zich bij terugkomst aan de kunstzinnige en historiserende vormen van veel Duitse gebruiksobjecten en architectuur. Ze representeerden volgens Muthesius slechts de schepping van de getalenteerde enkeling, en niet het generatie op generatie verbeterde type, zoals uit de tijd van het goede handwerk rond 1800. Duitsland was in de tweede helft van de 19e eeuw snel rijk geworden en de burgerij omringde zich als parvenu’s met historiserende vormen en objecten. Muthesius keerde zich tegen hun wansmaak  en hield een pleidooi voor het ontwikkelen van eigentijdse vormen, die inspeelden op de behoeften van dat moment. Dit betekende beslist geen radicale breuk met het verleden. Muthesius zag de Ordnungsmoral en de doorontwikkelde klassieke typologie van Schinkel en Gilly rond 1800 als lichtend voorbeeld.

De Werkbund werd opgericht in een voor Duitsland geslaagd decennium. Fabrieken, viaducten, auto’s, lampen en bestek – die wij nu misschien als typisch Duits beschouwen – ontstonden in die tijd, en werden ontworpen door leden van de Werkbund. Een van de succesverhalen uit deze periode van de Werkbund is de samenwerking van schilder en architect Peter Behrens met AEG, waarvoor hij behalve een aantal fabrieken ook de grafische huisstijl en verschillende producten ontwierp.

Interne wrijving en de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog zorgden voor een tijdelijke stilstand van de Werkbund. In het Interbellum bleef de Ordnungsmoral van Muthesius een belangrijk motief binnen de Werkbund. Het gepropageerde doorontwikkelen van bestaande typen, leidde in lijn met de Moderne Beweging tot het verder abstraheren en standaardiseren van producten en gebouwen. Een ontwikkeling die uitmondde in de bouw van verschillende Siedlungen in en buiten Duitsland volgens de modernistische principes. De Weissenhofsiedlung, onder leiding van Werkbundlid Mies van der Rohe, is hier het bekendste voorbeeld van. Een radicaal plan als onderdeel van een tentoonstelling voor arbeiderswoningen in Stuttgart. De Siedlung bestaat uit een verzameling van witte, abstracte rijtjeshuizen, appartementen en vrijstaande huizen, die met hun platte daken wat onbeholpen op het terrein verspreid staan. Onder druk van het nationaalsocialisme werd de Werkbund in de Tweede Wereldoorlog opgeheven, om in 1947 weer actief te worden en te blijven tot op heden.

Stedebouwkundigplan Werkbundstadt

De Werkbund nu
Hoewel de Werkbund de afgelopen decennia behoorlijk actief was, werd zij, volgens Albrecht Göschel in zijn essay Das einzelne und das Ganze (4), tot voor kort nog afgedaan als een weinig doortastend en slagvaardig historisch fenomeen. Met het plan voor de Werkbundstadt rekent de Werkbund met dit imago af. Het is een fors plan en breekt in de naamgeving al met zijn voorgangers: hier wordt geen modernistische Siedlung gebouwd, maar een klassieke Stadt.

Het plan voor de Werkbundstadt heeft een herkenbare stedebouwkundige vorm en heeft, net als de klassieke Europese stad, pleinen, straten, hoven, een boulevard en een duidelijke scheiding tussen privaat en publiek. Het gebruikte type, het geparcelleerde bouwblok, fungeert daarbij als drager van de stedelijke structuur. Het opknippen van de bouwblokken in achtendertig percelen maakt dat de Werkbundstadt een collage kon worden van evenzoveel ontwerpen, geconcipieerd door drieëndertig architecten met drieëndertig verschillende handschriften (5). Tot slot biedt het parcelleren de mogelijkheid om de toekomstige eigendomsrechten in verschillende Genossenschaften te spreiden.

De regels voor het stedebouwkundige plan werden opgesteld in vier workshops, met ieder een eigen thema en een breed scala aan specialisten uit verschillende beroepsgroepen (6). Hier werd multidisciplinair gewerkt in de geest van de Werkbund. In de verschillende bijeenkomsten kwamen achtereenvolgens de financiële en politieke randvoorwaarden, energie en duurzaamheid, gebruik en vormgeving, en openbare ruimte en verkeer aan bod. De uiteindelijke stedebouwkundige vorm, vloeide voort uit zes voorstellen van verschillende architectencombinaties. Dit plan werd geparcelleerd en door middel van minicompetities per parceel ingevuld. Voor ieder kavel werd een ontwerp gemaakt door drie architecten. Gezamenlijk werd tijdens de bijeenkomst in Amsterdam besloten welk ontwerp het beste bij het plan zou passen.

Boven alles lijkt de Werkbundstadt een reactie te zijn op de radicale, modernistische Siedlungen aan de rand van de stad die de Werkbund eerder ontwikkelde. Een afrekening met het eigen verleden, zou je het kunnen noemen. Duidelijk is dat de initiators beseffen dat het leven in de 21e eeuw zich afspeelt in de stad en dat Berlijn onder een woningtekort lijdt. Na jaren van stagnatie stijgen de huurprijzen weer. De Werkbundstadt adresseert dat probleem: op 3ha, ontstaan ca. 1000 betaalbare woningen. Ook wordt de congestie aangesproken. Auto’s worden ondergronds opgeborgen, terwijl de voetganger en fiets een belangrijke positie toebedeeld krijgen. De gebouwen dienen robuust te zijn, toekomstbestendig en flexibel in gebruik. Daarnaast is een hoge mate van functiemenging het uitgangspunt. Oftewel een dicht bebouwde stad met een mix van wonen, werken, recreëren en sociale klassen.

Tot slot zijn een aantal van de stedebouwkundige regels formeel. Ze betreffen bijvoorbeeld de geleding van de gevels en het thematiseren van de plint, het lijf, het dak en de gevel als straatwand en gezicht van het huis. De ontwerpen tonen die formele kwaliteiten ook: zadeldaken, natuurstenen plinten, baksteenrelief en zelfs gotische bogen keren terug in het straatbeeld.

Met de verschuiving van Siedlung naar Stadt, van stadrand naar stadscentrum, verschuift ook de doelgroep. Niet langer de massa, maar het individu staat in dit stedebouwkundig plan centraal. Het is wat Albrecht Göschel in zijn essay een afspiegeling van het hedendaagse individuele expressionisme noemt. Een ontwikkeling die ook in Nederland merkbaar is en geleid heeft tot vergelijkbare stedebouwkundige plannen, bijvoorbeeld het centrumplan van Leidsche Rijn.

Een selectie maquettes van de ontwerpen van deelnemende architecten aan de Werkbundstadt, foto: Elmar Koers

Standaardisering vs. individualisering
Honderd jaar geleden ontstond de Werkbund en had als hoofddoel een nauwere samenwerking tussen de industrie en ontwerpers. Dit idee leidde in de 20e eeuw tot de bouw van de vele abstracte en modernistische Siedlungen, waar het rationaliseren en industrialiseren de overhand heeft gekregen en de handtekening van de ontwerpers opgeheven lijkt te zijn. Deze verregaande radicalisering lijkt echter nooit de bedoeling geweest te zijn van de oprichters. In het kader van de discussie over de architect als ambachtsman, het krachtenspel tussen architect en industrie en de roep om multidisciplinair te werken, thematiseerde de Werkbund problemen die ook vandaag de dag nog actueel zijn.

Met dit plan voor een stuk stad aan de Spree breekt de Werkbund met zijn verleden van modernistische Siedlungen. Het resultaat van de interdisciplinaire workshops is een stuk stad dat is ontworpen volgens een klassieke stedelijke structuur die Europese binnensteden tot het begin van de 20e eeuw altijd hebben gekenmerkt. De Werkbund keert weer terug naar een belangrijk gedachtegoed van Muthesius: het verder werken aan generatie op generatie verbeterde typen. Er wordt weer samen gewerkt aan een klassiek stedelijk type: een geparcelleerd stuk stad met een menging van functies en sociale klassen.

De hamvraag is, hoe bouw je een geparcelleerd stadsdeel in onze bouwcultuur? Hoe zit het met de standaardisering en rationalisering van achtendertig opzettelijk verschillende huizen, elk met hun een unieke plattegrond, verdiepingshoogte en gevelexpressie? Gezien de ontstaansreden van de Werkbund honderd jaar geleden, ligt het voor de hand dat de initiators hier een duidelijk positie innemen. Terwijl een nauwere samenwerking met de industrie altijd een belangrijk motief was binnen de Werkbund, draait dit plan om individuele expressie. Daar wringt iets. Tot op heden gaan standaardisering en individualiteit moeilijk samen. Gaan alle achtendertig huizen dan toch op elkaar lijken, worden de onderlinge verschillen glad gestreken, plattegronden gerationaliseerd? En wat wordt de rol van de architect in het vervolgtraject, ontwerpen zij slechts nog de gevels opgebouwd uit gestandaardiseerde elementen? Het is niet te hopen.
Met een gedegen antwoord op deze vragen kan de Werkbundstadt zich niet alleen onderscheiden van soortgelijke stedelijke ontwikkelingen in andere West-Europese landen, maar ook recht doen aan haar eigen ontstaansgeschiedenis.

Zeker is dat het plan inspeelt op een aantal behoeften van deze tijd. Niet alleen het wonen in de stad, maar ook het door Albrecht Göschel beschreven individuele expressionisme. Terwijl de expressie van het individu in de architectuur lange tijd taboe was, mag en wil het momenteel weer centraal staan. De achtendertig stadshuizen van de Werkbundstadt voldoen aan die wens en bieden een welkom alternatief op het gebrek aan variatie dat veel van onze moderne stadsdelen vertonen. Want dat is tenslotte de kern van de Werkbundstadt: een aanklacht tegen repetitie en abstractie. Het plan is een herwaardering van de Europese stedebouw, en een pleidooi voor de traditie van het bouwen en wonen, nu de industrie nog.