Feature —

De toekomst van digitale duurzaamheid

Behrang Mousavi

Papier is geduldig, bits en bites zijn dat niet. Tekeningen van bijvoorbeeld De Meerpaal in Dronten (Frank van Klingeren 1965-67) worden bewaard in Rijksarchief voor Architectuur en Stedenbouw. Na opvragen, kunnen ze bestudeerd worden aan lange hoge tafels. Hoe zal over vijftig jaar het oeuvre van een vroeg 21ste eeuwse architect geraadpleegd worden? Kan het nog wel geraadpleegd worden?

Kolatan/Mac Donald Studio, O/K Apartment: Screen capture of a 3D Microstation model (1995). KOL/MAC records, Canadian Centre for Architecture, Montréal, Gift of KOL/MAC © KOL/MAC

Culturele erfgoedinstellingen hebben de maatschappelijke opdracht waardevolle objecten en informatie uit de actualiteit voor het nageslacht te bewaren en raadpleegbaar te houden. Tot voor kort konden de verschillende typen materiaal in duidelijk onderscheiden collecties worden aangetroffen: men ging naar een archief voor brononderzoek, naar een bibliotheek voor het lenen van een boek en naar een museum om historische objecten te bewonderen. Dankzij de snelle computerisering en de even snelle ontwikkeling van het internet worden nu in die ooit zo verschillende instellingen dezelfde digitale bronnen verzameld en in hoeveelheden waar nooit eerder op is geanticipeerd. Voor een deel is dat het resultaat van een grootschalige digitalisering van authentieke bronnen. Tegelijkertijd groeit het type born digital objecten waaronder websites, blogs, tweets en multimedia toepassingen op ongekende wijze.

Digitalisering leidt tot andere vormen van toegankelijkheid en daarmee tot andere vormen van gebruik. Fysiek gescheiden collecties zijn nu bijvoorbeeld toegankelijk door middel van overkoepelende portals of gekoppelde data en zijn daarmee met elkaar verbonden. Dit heeft ongekende onderzoeks- en gebruiksmogelijkheden geopend en geleid tot nieuwe contexten, en nieuwe gebruikersgroepen.
Maar het documenteren van het hedendaagse digitale materiaal is complex, mede als gevolg van de enorme hoeveelheid beschikbare data op basis van steeds weer nieuwe formats. Denk bijvoorbeeld niet alleen aan officiële documenten, maar ook aan persoonlijke e-mail correspondentie, tweets en berichten op nieuwssites. En dat roept de vraag op wat voor de toekomst moet worden bewaard oftewel welke actualiteit wordt onze toekomstige geschiedenis en blijft daarmee raadpleegbaar? Waar papier letterlijk geduldig was, laat een discussie op Facebook zich immers moeilijk omvormen tot een collectief debat, nog los van de dynamiek die het stapsgewijs vormen van een collectief geheugen in de weg lijkt te staan.

Deze actuele opgave voor efgoedinstellingen roept tegelijkertijd vragen op in relatie tot onderwerpen als authenticiteit en betrouwbaarheid, intellectueel eigendom, selectie, privacy en internationalisering. En de uitdagingen zijn enorm: de voortdurende technologische ontwikkelingen waardoor tien jaar oude files niet meer geopend kunnen worden, snel toenemende datavolumes – een afbeelding van 1MB werd enkele jaren terug als zwaar beschouwd – de hoge kosten van het digitaal bewaren, nieuwe gebruikersgroepen met verschillende verwachtingen, en een toenemende afhankelijkheid van alsmaar veranderende technologie dwingen tot het maken van keuzes.

Canadian Centre for Architecture (CCA)
Bovenstaande heeft in 2015 binnen het Canadian Centre for Architecture tot een ‘digital preservation policy’ geleid, dat ieder jaar naar aanleiding van nieuwe technische ontwikkelingen, veranderende beleidskeuzes en financieringsmogelijkheden wordt geactualiseerd. Al in 2012, startte het CCA onder leiding van architect Greg Lynn het project Archaeology of the Digital. Dit lange termijn programma bestaat onder meer uit een historische lezing van vijfentwintig belangrijke projecten waarbij in het ontwerpproces digitale technieken zijn toegepast, van vroege experimenten uit de jaren tachtig tot werk in het begin van deze eeuw. En het kent zowel digitaal als analoog materiaal. De architecten van de vijfentwintig projecten (en veel van hun medewerkers) zijn bovendien geïnterviewd om een zo goed mogelijk inzicht te krijgen in het ontwerp-denken met de computer en de relevante context om zo te kunnen bepalen hoe digitale bestanden het best kunnen worden behandeld en gearchiveerd.  Naast onderzoek en preservering vormen tentoonstellingen, ondersteund door fysieke en digitale publicaties, een integraal onderdeel van Archeology of the Digital.
Inmiddels beheert het CCA 7 terabyte (TB) aan ‘digitaal geboren’ archieven. Het materiaal is allereerst interessant voor architecten en studenten, maar ook voor (kunst)historici die zich in hun onderzoek vooral willen richten op het ontwerpproces, zoals de invloed van software en technologie op het realiseren van een digitaal ontwerp. Het gaat niet alleen om digitale tekeningen of ander ontwerpmateriaal in de vorm van Autocad bestanden, maar ook om audiovisuele media. Het is inmiddels gelukt om zo’n 80% van de 7 TB te ontsluiten, maar na verwerking van de meest recente acquisities zal die 7 TB snel oplopen naar circa 15 TB. Dergelijke hoeveelheiden zijn indicatief voor de uitdaging van een erfgoedinstelling.

Pig City, MVRDV – collectie HNI.

De kosten voor digitale depots, die zijn ingericht om toegankelijkheid van catalogi en de geproduceerde data te kunnen waarborgen, zijn bijzonder hoog. Toch staan digital preservation en born digital preservation materiaal hoog op de agenda van het CCA. Om de substantiële groei – van achterstanden kan eigenlijk niet meer worden gesproken – aan digitaal materiaal te kunnen verwerken zijn voor de komende jaren al even substantiële budgeten gereserveerd. En dit is nog los van uitdagingen als data cleaning of het ontsluiten van inmiddels verouderde en zelfs onbekende software, waardoor zogenoemde ‘first step’ conservering van de oorspronkelijke bestanden een aanzienlijke uitdaging is.

Van de architect naar Het Nieuwe Instituut
Hoe gaat het Rijksarchief voor Architectuur en Stedenbouw, onderdeel van Het Nieuwe Instituut, om met digitale preservatie? Het Rijksarchief voor Architectuur en Stedenbouw bestaat uit ongeveer 18 kilometer aan archieven en verzamelingen, circa 2500 maquettes en een omvangrijke bibliotheekcollectie. Binnen de verworven archieven en verzamelingen komen vanaf eind jaren tachtig tevens dragers met digitale data voor. Het archief van Carel Weeber dat in 2009 werd verworven, was het eerste archief met een aanzienlijk bestanddeel aan digitale projectdossiers.
Wanneer een digitaal archief vanuit een architectenbureau wordt overgedragen aan Het Nieuwe Instituut veranderen de context en het beheerregime. Binnen het bureau ondersteunt het archief primair het ontwerpen en andere bureaufuncties. Bij Het Nieuwe Instituut krijgt het materiaal betekenis binnen de missie en het collectiebeleid van de afdeling Erfgoed. Daarbij richt de aandacht zich in de eerste plaats op het documenteren van de Nederlandse architectuur en stedenbouw en het proces van ontwerpen in het bijzonder. Bovendien is het de uitdrukkelijke ambitie dergelijk erfgoed uit culturele en historische redenen in principe voor altijd te behouden en te beheren. Deze twee contexten stellen logischerwijs andere eisen aan beheer, behoud, beschrijving en toegankelijkheid. En waar er binnen bureaus niet altijd aandacht is voor digitale duurzaamheid, is Het Nieuwe Instituut vanuit de erfgoedopdracht genoodzaakt digitale archieven ook duurzaam te bewaren.

De eerdere verwijzing naar de problematiek van verouderde software of dragers is illustratief. En dit proces van veroudering verloopt razendsnel. Zonder een daarop afgestemd beheer en preservering zal de meeste informatie die digitaal tot stand komt al binnen enkele decennia niet meer raadpleegbaar zijn. Als er een keuze mogelijkheid bestaat tussen analoge of digitale archieven met dezelfde informatie, zullen instituten zoals HNI en CCA geneigd zijn te kiezen voor de analoge versie van een dossier. Maar steeds vaker is die keuze niet langer voorhanden. Voor Het Nieuwe Instituut aanleiding om in analogie met het CCA een onderzoekstraject te introduceren op basis van casestudy door de verwerving van het archief van MVRDV.

Het in najaar 2015 verworven archief van MVRDV bestaat grotendeels uit born digital materiaal en omvat de dossiers van alle gerealiseerde en niet gerealiseerde projecten uit de periode 1991-2008. Het digitale archief alleen heeft al een omvang van ca. 5 TB en bevat onder andere presentatieboekjes, plattegronden, doorsnedes, renderings, teksten, diagrammen, foto’s, 3D animaties, audiovisueel materiaal, e-mails en correspondentie. Naast computerfiles droeg MVRDV ook maquettes en het papieren archief van het bureau over.
Het belang van het archief van een van de meest geprofileerde bureaus van Nederland is weliswaar evident, maar wordt nog eens versterkt omdat het born digital deel van het archief niet los kan worden gezien van de analoge delen van het archief en dan met name de maquettes. MVRDV moet worden opgevat als een ‘research driven’ bureau en dat kenmerkt het archief; tijdens het ontwerpproces wordt een extreme hoeveelheid varianten geproduceerd en getest, de ene keer op basis van fysieke maquettes, een volgende keer op basis van programma’s als Roxit of Autocad. Het ontwerpproces bestaat met andere woorden uit een combinatie van, en wisselwerking tussen, digitaal en analoog ontwerpen. Soms zijn de maquettes een ‘reality check’ van een digitale tekening of rendering. En soms worden (foto’s van) maquettes weer gebruikt in animaties en andere digitale presentaties.
Een ander uniek kenmerk van dit archief is dat het laat zien hoe MVRDV de computer bij een groot aantal projecten tot het uiterste heeft ingezet voor de ontwikkeling van hun ontwerpen; het bureau liet bijvoorbeeld software ontwikkelen om hun befaamde ‘datascapes’ steeds verder te kunnen verfijnen.

MVRDV Difitieve model Boekenberg Bibliotheek Spijkernisse 2003-2012. Collectie HNI

Het MVRDV archief is daarmee een ongekend, rijke bron voor de actuele architectuur- en ontwerpcultuur, maar tevens de ultieme casestudy binnen het onderzoek naar de verdere ontwikkeling van het Rijksarchief. De eerste uitkomsten van het interne onderzoek naar dit digitale archief tonen aan dat de meest actuele delen op een consistente wijze zijn geordend. Voor de vroegste projecten geldt dat echter niet; de structuur lijkt eerder willekeurig en de dossiers bevatten regelmatig bestanden die niet te identificeren zijn of waarvan de status onduidelijk is. Verder zijn er dubbele bestanden – en telkens op basis van andere software – opgeslagen. Ook zijn er vrij veel cd’s aangetroffen die niet meer geopend kunnen worden. Voor het instituut zijn deze eerste uitkomsten van groot belang voor een toekomstige procesgang en de verdere inrichting van het digitale archief.

Op basis van dit eerste verkennende deel is duidelijk geworden dat voor het waarderen en selecteren van dit en ander digitaal archiefmateriaal een volstrekt nieuwe werkwijze nodig is. Om de vereiste keuzes te kunnen maken voor een inhoudelijke ontsluiting zal bijvoorbeeld meer inzicht moeten worden verkregen in het proces van ontwerpen binnen het bureau zelf. Basale vragen zijn bijvoorbeeld: welke files zijn gezien de diversiteit aan files van een specifiek project voor het bureau zelf de belangrijkste, waar en hoe weerspiegelt het archief het ontwerpproces in het algemeen, en welke momenten van inventie en creatie in het bijzonder dienen in de wijze van ontsluiting te worden herkend? Juist die delen van het archief zouden vervolgens als eerste duurzaam bewaard en ontsloten moeten worden, zodat kan worden voorkomen dat belangrijke cultuurhistorische informatie door bijvoorbeeld veroudering van de software verloren gaat.

De voortschrijdende digitalisering van onze samenleving heeft een fundamenteel effect op het archief. Het eens zo stabiele geheugen is daarmee onderworpen geraakt aan dezelfde dynamisering die de ontwikkeling van de technologie kenmerkt. Een inhoudelijk antwoord, hoe tijdelijk dan ook, is een vereiste en het instituut heeft ervoor gekozen hierover aan de hand van een casestudy zowel intern als extern het gesprek aan te gaan. In samenwerking met het Jaap Bakema Studiecentrum en de afdeling Research&Development zal Het Nieuwe Instituut in september van dit jaar een tentoonstelling wijden aan het archief en de specifieke omgang hiermee.
Tot slot wat tips voor ontwerpers met betrekking tot digitale projectarchivering:
– Ga geordend te werk en orden vooral de data op een ook voor buitenstaanders begrijpbare manier.
– Zorg ervoor dat de technische specificaties van de software bekend zijn
– Zorg ervoor dat metadata ‘mee gemigreerd’ kunnen worden naar een leesbaar systeem
– En als je er zelf niet uitkomt, vraag specialisten uit relevante erfgoed beherende instelling om advies (en hulp) hoe het proces van archiveren het beste opgezet kan worden.