Feature —

Ontwerp Europa

Tim Prins

Afgelopen weekend werd het zestigjarige bestaan van de Europese Unie gevierd. Ter gelegenheid van dit jubileum organiseert Bureau Europa een serie gesprekken. David Mulder van der Vegt (XML) en Stephan Petermann (OMA/AMO) waren uitgenodigd om hun visie te geven op ‘de staat van Europa’ en hoe zij hieraan ‘(mee)bouwen’.

François Hollande bij de VIP ingang van het Justus Lipsius-gebouw in Brussel (juni 2013) – foto European Council

Toen het voormalig Nederlands Architectuur Instituut Maastricht Europa als achternaam  koos, verbond het zich met de Europese identiteit, een gespleten persoonlijkheid rijk aan tegenstellingen (1). Voortgezet als Bureau Europa probeert de organisatie ‘tegenstellingen’ de ondertoon te laten zijn in haar activiteiten. Zo werd in ‘Landschap in Perspectief’, een tentoonstelling over Sicco Mansholt,  het spanningsveld tussen welzijn van de samenleving en individueel eigendomsrecht geadresseerd. Op 22 april ging de eerste lezing in de serie ‘De Staat van Europa’ over het Europese bouwwerk en de acceptatie van de mensen die erin moeten wonen: ofwel het spanningsveld tussen collectiviteit en diversiteit.

De eerste spreker van de avond was David Mulder van der Vegt, architect en partner bij XML. Met zijn bureau doet hij al lange tijd onderzoek naar de vormentaal en typologieën van parlementen en ten tijde van het Nederlandse voorzitterschap van de EU in 2016 kreeg het bureau samen met Studio Makkink & Bey de opdracht een aantal ruimten in het Europees parlement opnieuw in te richten.
Europa kost geld. De hoogte van de jaarlijkse bijdrage aan de EU is in ieder land dat lid is van de EU steeds weer een punt van discussie. En toch, lokale politici krijgen ieder jaar meer geld bij elkaar voor Europa. Het groeiend EU-budget staat ogenschijnlijk in contrast met een dalende interesse van een afhakend electoraat. Het probleem van Europa is dan ook niet financieel, zo stelt Mulder van der Vegt, maar de unie verliest draagvlak omdat ze haar collectiviteit niet georganiseerd krijgt. XML is daarom gaan kijken naar de ruimte waar collectieve besluiten worden genomen, daar waar parlementen bijeen komen om te vergaderen, in de hoop dat dit aanwijzingen zou opleveren voor de ideale democratische configuratie.
Het resulteerde in de publicatie Parliament. Alle parlementsgebouwen uit de hele wereld zijn gestript tot generieke typologieën in de lijn van het classificerend werk van Jean-Nicolas-Louis Durand. Hieruit heeft XML nog eens vijf basistypes gedistilleerd, waarvan de halve cirkel mogelijk het meest herkenbaar is als symbool voor democratische besluitvorming.

Beroemde architecten goten democratieën in een representatieve vorm met ‘de juiste’ configuratie en geometrische eigenschap: Oscar Niemeyer ‘bemoeide’ zich met het ontwerp van het Nationaal Congres in Brasilia (1960), Le Corbusier ontwierp  het Palace of Assembly in Chandigarh (1950)  en Louis Kahn het Parlementsgebouw in Bangladesh (1961). Allemaal met de beste intenties, maar de typologie van een parlementszaal zegt weinig over het functioneren van de democratie. Het is de autonome kunst die laat zien dat architectuur ook onderzoekend en politiek kritisch kan zijn. In zijn doorlopende project New World Summit organiseert kunstenaar Jonas Staal debatten voor gemeenschappen die om welke reden dan ook geen toegang hebben tot een democratisch gekozen parlement. Voor iedere bijeenkomst wordt in samenwerking met architect Paul Kuipers een alternatief parlement getest.

OMA/AMO is een sterke pleitbezorger van de Europese Unie. Met de inzet van ontwerp wil het bureau niet een collectiviteit organiseren, zoals Mulder van der Vegt, maar begrip tussen de burger en de EU versterken en vergroten. Want de communicatie tussen beide is zeer problematisch, aldus Stephan Petermann, associate bij AMO. Om Babylonische spraakverwarring te omzeilen zoekt AMO verbinding via de beeldtaal: de iconografie van Europa en de €-conografie.
Toen het bureau in 2002 benaderd werd voor een ‘re-branding’ van de EU, ging het op zoek naar een flexibel symbool. Het logo van de EU, een cirkel van 12 gouden sterren op een blauwe achtergrond, negeert de diversiteit die juist het kenmerkende is aan de EU en waar door velen zo aan gehecht wordt. Het huidige EU logo gaat daarnaast voorbij aan de grote soevereiniteit die de EU-landen hebben. AMO’s voorstel voor een nieuw merk is de inmiddels bekende barcode; een teken voor diversiteit dat een eenheid uit straalt, én uit te breiden is. De barcode is dan een betere verbeelding van het politieke ideaal van de EU dan de gouden sterren op een blauwe achtergrond.

Sindsdien 2002 werkt AMO onder de projectnaam The Image of Europe aan onder meer tentoonstellingen die de werking van de EU ‘uitleggen’. Maar om echt inzicht te krijgen in de staatkunde van Europa moet je je zoals Petermann het noemt, als Jona ‘in de vis laten opsluiten’. In zijn geval is de vis het Justus Lipsius-gebouw, het hoofdkwartier van de Raad van de Europese Unie in Brussel. Anders dan het Europese logo is het gebouw onbekend, terwijl het regelmatig in de media te zien is als decor van EU-persmomenten. Door Belgisch bluf is het gebouw er gekomen. Met de bouw werd gestart voordat Brussel als hoofdlocatie voor de Europese Raad werd aangewezen. Het gebouw draagt de naam van de straat die het met zijn 21,5 ha. heeft ingenomen. Er was geen ontwerpprijsvraag onder architecten, het project werd aanbesteed onder aannemers. Het is dan ook een technocratisch product en toont geen enkele esthetische ambitie. De neutraliteit van de architectuur zet zich binnen voort in een oneindig netwerk van gangen en deurtjes. (Petermann heeft inmiddels 7 van de 24 km wandelgang afgelegd.)

Na de presentaties vraagt Saskia van Stein, directeur van Bureau Europa, of de huidige instabiliteit van Europa insitutioneel is. Mulder van der Vegt antwoordt dat de wankele staat van de EU in de korte termijn agenda van de nationale overheden past. Het onbegrip wordt zelfs door hen gevoed. De bijdrage van de lidstaten aan Europa is namelijk maar een fractie van de nationale begroting. Een stap om het onbegrip te verkleinen is dit te communiceren, maar dit ligt niet in het interesse van de nationale regeringen. Petermann meent dat het probleem mede ingebakken zit in de Europese aanbestedingsregels. De aanbesteding voor Europese projecten vindt plaats op basis van de goedkoopste bieder. Daarmee communiceer je dat kwaliteit geen prioriteit heeft.

Op de vraag of het Justus Lipsius-gebouw een architectonisch metafoor is voor de staat van Europa, antwoordt Petermann dat het gebouw een machine is en een juiste representatie van het Europese functioneren. Hij weerlegt de kritiek van Leon Krier dat kolossen als het Justus Lipsius-gebouw schuldig zijn aan de desintegratie van de EU en plaats moeten maken voor een representatieve, artistieke, nieuwe architectuur (2). “Daarmee toont Krier zijn politiek onbenul. Het is belangrijker deze architectuur te begrijpen en aan te scherpen.” Het afkeuren van iconische architectuur ten behoeve van het Europese gevoel is een heerlijke vrijheid die AMO zich binnen OMA kan permitteren. Maar er is meer. Petermann vervolgt: “Er zit maar één architect in de Tweede Kamer. Wil je als architect daadwerkelijk bouwen aan Europa, stap dan de politieke wereld in.”