Opinie —

Randstad of Randland?

Alex van de Beld

Het essay De emancipatie van de periferie dat Floris Alkemade in zijn functie als rijksbouwmeester onlangs publiceerde, is een pleidooi voor een verschuiving van de aandacht voor de stad naar de periferie. Het pleidooi van Alkemade is belangrijk omdat hij de architectuurdiscipline, die zich traditiegetrouw schaart achter een pleidooi voor meer stedelijkheid, lijkt te verruimen. Uit zijn woorden rijst het beeld van een buitengebied in dienst van het stedelijke midden, maar niets zou minder waar moeten zijn.

afbeelding uit De emancipatie van de periferie

Visionaire retoriek
Net nu Maarten Haijer in de laatste IABR het idee van de stad in al zijn gedaanten en varieteit probeerde te vernieuwen en het eind twintigste eeuwse idee van een ’mille plateaux’ inzette om de verschillende gedaantes van de stad van de 21 e eeuw te begrijpen, lijkt Alkemade in zijn functie als rijksbouwmeester deze concepten voor een verbeterde stedelijkheid te willen samenbrengen onder de noemer van de stadsranden als motor voor stedelijkheid.

De periferie als het ‘cambium van een boom’ is weliswaar een mooi gevonden metafoor maar die kan op twee manieren worden geïnterpreteerd. Alkemade legt de nadruk op de enige levende laag die daarmee de groei van de stam bepaalt. In dit geval de groei van de Randstad. Een andere interpretatie is dat het cambium vooral een tussenlaag is die naar twee kanten groei bewerkstelligt en daarmee dus model staat voor tussengebieden.
Een dergelijk begrip van de periferie is weliswaar ongrijpbaarder en moeilijker om in kaart te brengen, maar wel zuiverder gedefinieerd. De periferie ligt dan niet naast het centrum maar juist tussen het centrum en het buitengebied en krijgt hierdoor betekenis voor beide.

Alkemade stelt het failliet van het idee van het centrum en de Randstad, maar de periferie als potentieel lijkt hij toch vooral te begrijpen om betekenis te geven aan een nieuw midden van Nederland. In dit idee moeten de perifere stadsranden en buitenwijken geëmancipeerd worden om de Randstad uit te breiden met Brabantstad volgens een polynucleair groeibeleid. Hier valt wellicht iets voor te zeggen, maar dat, zoals hij beweert, er in de resterende krimpgebieden met name in het Noorden een andere realiteit zou gelden is niet geloofwaardig. De periferie begrepen als tussengebied speelt juist ook een belangrijke rol in de ruimtelijke planning.
In de visie van Alkemade wordt het Noorden als noodzakelijk ruimtepotentieel geagendeerd om het idee van de ’vergrote Randstad’ te re-animeren. Door alleen te vermelden dat hier voedselproductie en energietransitie van belang zijn doet toch koloniale beweegredenen vermoeden. Dat daarnaast over de uiterste randen van Nederland geen enkele uitspraak wordt gedaan, maakt dat het idee van de periferie als humuslaag voor stedelijke ontwikkeling nogal willekeurig wordt ingezet.

Realiteit of diagram ?
De realiteit in het Noorden is er weliswaar een van krimp met alle gevolgen van dien, maar de benutting van het gebied voor voedsel en energie ten dienste van het midden is hier nooit een oplossing geweest. Het afgegraven landschap van de veenkoloniën in Drente, de aardbevingen ten gevolge van de aardgaswinning in Groningen en de wit verschimmelende landschappen in Friesland zijn recente voorbeelden van sociale –en milieurampen die het noorden van Nederland getroffen hebben. Door opnieuw het belang van randstedelijke groei te benadrukken met Brabantstad als volgende stedelijke project, gaat Alkemade voorbij aan de dramatische realiteit van veel van deze gebieden.
Door alleen de problemen in de kaart te brengen van het lege Noorden via een oneindige reeks diagrammen die het gebrek aan stedelijkheid beschrijven, vergeet Alkemade de kwaliteiten van het Noorden te belichten, Kwaliteiten zoals de duisternis, de openheid en de stilte die in het stedelijke midden van Nederland toch ook wenselijk zijn als kwaliteit en die niet altijd gebaat zijn bij stedelijke dynamiek.

De periferie, waar is die?
Alkemade gebruikt het begrip van de periferie vooral in ruimtelijke zin. Maar periferie gaat natuurlijk over veel meer dan dat. Het gaat ook over mensen in de schaduw van de samenleving en subculturen die verborgen en vergeten gebieden tot hun domein maken. Deze gebieden kunnen in het buitengebied liggen of aan de randen van steden, maar kunnen net zo goed plekken in de stad zelf zijn.
Volgens socioloog Richard Sennet zijn deze ongeplande gebieden zelfs voorwaarde voor een gezonde stedelijke ontwikkeling. Deze  tussenruimtes zijn permanent in beweging en daarmee niet in kaart te brengen. Het is met andere woorden de zwarte materie van de stedenbouw.
In de visie van Alkemade wordt die potentie van de periferie wel gezien en zal de periferie zelfs een voortrekkersrol moeten nemen in toekomstige innovatie maar schijnbaar alleen ten diensten van het stedelijke midden.. Maar net zo goed als de periferie, als de rand van stedelijke gebieden, uitwisseling rond stad en buitengebied kan bewerkstelligen, geldt dit ook voor het Noorden.

Randland, een andere visie
Als de realiteit van de uitdijende Randstad de helft van Nederland opslokt kunnen we maar beter leren omgaan met deze realiteit en proberen te werken aan het concept ’Randland’. Dat dit land alleen uit randen bestaat en daarmee geen centrum meer heeft, is dan een consequentie, maar wel een die geldt voor het gehele oppervlak.
En een stedelijke ontwikkeling die alleen plaatsvindt in het ’midden’ is geen alternatief voor de typisch niet te stoppen uitbreidende inktvlek van stad in de omgeving. Door niet te werken aan de emancipatie van de periferie, maar door vanuit de periferie te werken, kan stad en land worden verbonden. Door niet alleen het verschil te benadrukken kunnen kwaliteiten samenkomen in the best of both worlds. Dan kan de planologie zijn voordeel doen met de perifere  tussenruimte die als bloedvatenstelsel het stedelijk netwerk verbindt met het buitengebied.
Onlangs zag ik bij LOLA landscape in Rotterdam een mooi voorbeeld van deze werkwijze waarbij de gehele noordelijke rand van Rotterdam als een verzameling vergeten groene ruimtes, parkjes en landbouwkavels kan worden ingezet als voedselproductielandschap. Een gebied dat de uitwisseling tussen de stad Rotterdam en het landelijke gebied bevordert.

Een ander voorbeeld is de Øresundregio in het zuiden van Scandinavië. Dit gebied laat zich misschien het best omschrijven als een ’perifere metropool’. De afgelopen tien jaar heb ik vanuit het zuiden van Zweden op de voet de verstedelijking van het gebied kunnen volgen. Karakteristiek voor de regio is de ligging van het stedelijk gebied rond de Øresund dat een blauw hart vormt waar de steden Kopenhagen, Malmö, Helsingborg, Landskrona en Helsingor ringvormig omheen liggen. Daardoor kunnen de steden niet goed aan elkaar vast groeien, maar wel dichter bij elkaar komen te liggen qua tijd door een verbeterde infrastructuur die het gebied laat krimpen.
De Øresundregio wordt vanuit een dubbelperspectief ontwikkeld: stedelijke verdichting als strategie om urban sprawl tegen te gaan en de polycentrische verstedelijking langs de kust te optimaliseren. En het ontwikkelen van een gebied dat vanuit de randen tussen land en water wordt ontworpen en daarmee ruimte maakt voor natuurlijke grensgebieden en de publieke toegankelijkheid daarvan waarborgt. Daarmee vloeien de opgaves voor stad, platteland en natuur samen in een planning die gaat over dezelfde gemeenschappelijke ruimte.

De architectuur van de ruimte
In het pleidooi van de rijksbouwmeester komt opvallend genoeg niet één keer het woord architectuur voor. Daarmee laat hij een kans liggen omdat juist architectuur buiten de vastliggende kaders van stad, gebouw, landschap en natuur ruimte maakt. Architectuur heeft de mogelijkheid om verbindingen te leggen tussen de diverse schaalniveaus van stad en land en gebouw, en draagt daarmee bij aan specifieke ruimtelijke context van zowel de stad alsook de regio. Als architectuur zo wordt ingezet gaat ze nooit alleen over het object alleen, maar altijd ook over de omgeving ervan.

Als de periferie het laboratorium is om de leefruimte van de toekomst te onderzoeken, dan kan die vanuit de architectuur worden ontdekt. Ze laat zich moeilijk plannen zoals Alkemade ook stelt en misschien is dat maar goed ook, juist in haar hoedanigheid als een verschijnende en weer verdwijnende ruimte vormt ze het fluctuerende tussengebied dat gelijktijdig aan stad, buitengebied en natuurlandschappen werkt. Die opgaves aan een árchitectuur van de ruimte’ spelen overal in Nederland, in Noord en in het midden, in de krimpgebieden en in de groeikernen. Het is de  uitdaging die aan ontwerpers kan worden gesteld om in dit spannende en dynamische tussengebied van binnenuit te werken aan de ontwikkeling van Nederland.