Feature —

Thuiskomen

Pieter Hoexum

Over het verschil tussen huis en thuis.

Uit Heimat

De spandoeken met de tekst “Welkom thuis” die je af en toe ziet hangen, komen op mij nogal geforceerd over. Het is te veel van het goede. Vreemdelingen en gasten kun je welkom heten, maar bij iemand die thuiskomt is dat toch niet toepasselijk. Thuiskomen is een plaatsnemen in de tredmolen van alledag; toeters en bellen maken dat moeilijk, doordat ze iets bijzonder maken dat juist gewoon zou moeten zijn. Thuiskomen is een soort onzichtbaar worden, opgaan in de omgeving: thuis is de plek waar je aanwezigheid van zelf spreekt. In films en romans wordt een thuiskomst vaak veel te dramatisch voorgesteld, maar er zijn uitzonderingen.

De Duitse regisseur Edgar Reitz is er wonderwel in geslaagd een prachtige thuiskomst te verfilmen. Vorig jaar zag ik in de bioscoop de eerste delen van de gerestaureerde versie van zijn tv-serie Heimat uit de jaren 80. Het was een geweldig weerzien – ik had  een beetje heimwee gehad naar Schabbach, het fictieve dorp op de Hunsruck waar de serie speelt. Meteen in de openingsscène van de eerste aflevering blijkt Reitz een verteller die een toeschouwer heel subtiel én onweerstaanbaar het verhaal binnen kan voeren; Reitz pakt je niet bij je lurven, maar stelt je op je gemak. Kijken naar Heimat is een beetje thuiskomen.

Deze eerste aflevering begint met een geschreven mededeling: het is 9 mei 1919 en Paul Simon keert terug uit de Wereldoorlog; in zes dagen liep hij van Frankrijk naar de Hunsruck. Vervolgens zien we Paul door de velden aan komen lopen. Hij loopt langs de camera, zodat we samen met hem, over zijn schouder het langverwachte Schabbach in het dal kunnen zien liggen. Met ferme pas loopt Paul het dorp binnen, nieuwsgierig om zich heen kijkend. Enkele dorpsbewoners merken hem van een afstandje op, maar spreken hem niet aan. Paul slaat een hoek om… en ziet de smidse van zijn vader.

Door een raam ziet hij zijn vader met een grote hamer een gloeiend hete ring op een aambeeld in de goede vorm slaan. Paul begrijpt blijkbaar meteen waar het toe dient, want hij loopt het hoekje om naar de buitenwerkplaats, waar zijn vader ook net naar toe loopt. De smid plaatst de ring op de as van een klaar liggend wiel en slaat deze met een kleine hamer vast. Als hij even opkijkt ziet de onverstoorbare vader dat zijn ‘verloren zoon’ erbij is komen staan, met in zijn handen een grote hamer. Terwijl zijn vader de kleine hamer op de ring plaatst, slaat Paul met de grote hamer op de kleine, zodat de ring nog vaster komt. Resoluut en nog zonder wat te zeggen staat de smid op en tilt de kar omhoog, zodat Paul, die het wiel al rechtop heeft gezet en ernaar toe rolde, dat wiel aan kar kan bevestigen. Tussen neus en lippen door zegt zijn vader dat het de kar van ene Kath Legrand is en dat “haar Helmut is gesneuveld.” Zonder een reactie af te wachten beent zijn vader de smidse weer binnen, gevolgd door Paul; binnen pakt de smid een andere ring uit het vuur en legt die op het aanbeeld: om en om slaan vader en zoon de ring in de juiste vorm. Pas als dat gelukt is, lijkt Pauls behouden thuiskomst tot zijn vader door te dringen: hij kijkt Paul even aan en verzucht: “godzijdank”.
Inmiddels heeft ook Pauls moeder haar zoon opgemerkt. Zij onthaalt hem in huis, in de keuken. Daar wordt de thuiskomst gevierd, wat Paul eigenlijk te veel wordt, maar zich toch gemoedelijk aan laat leunen. Thuisgekomen is hij dan al, namelijk precies op het moment dat hij de hamer oppakte om mee te doen met zijn vader.

De hele scene, die overigens nog geen vijf minuten duurt, kwam mij zeer “heideggeriaans” over, ook al omdat het zo Duits is en over de heimat gaat. Het mooiste van Reitz’ serie is misschien wel dat hij het onderwerp heimat weer bespreekbaar heeft gemaakt, wat eigenlijk onmogelijk was geworden doordat de nationaal-socialisten zich het begrip als het ware helemaal hadden toegeëigend. Op vergelijkbare manier is Heidegger door zijn nazisympathieën bijna onleesbaar geworden, maar door het zien van Heimat lukte het me toch mijn weerzin te overwinnen; ik besloot dat ik toch weer eens moest proberen me in Heideggers hoofdwerk Zijn en tijd te verdiepen. Heidegger bleek niet alleen een provinciale reactionair en fantast, maar tot mijn verbazing wel degelijk ook een consciëntieus en inspirerend filosoof.

In paragraaf 15 van Zijn en tijd stuitte ik op een wonderlijk concreet voorbeeld, een licht- en contrapunt in het meestal zeer duistere en abstracte proza. Ik bedoel de passage over de hamer (op zijn geheel eigen wijze is Heidegger, net als zijn voorbeeld Nietzsche, “de filosoof met de hamer”). Het was deze passage, waar ik blijkbaar eerder over gehoord of gelezen had, die me bij het zien van de thuiskomst van Paul weer te binnen was geschoten. Paragraaf 15 is getiteld: ‘Het zijn van het in de omringende wereld tegemoet tredende zijnde’. Je zou het niet zeggen, maar het gaat hier om huisraad, om de spullen die ons in ons alledaagse doen en laten omringen. Het mooie is dat Heideggers hele onderneming er sowieso op gericht is de ogenschijnlijk on-filosofische manier van omgaan met de dingen, in het zonnetje te zetten. Wie de mens wil leren kennen – en daar is het Heidegger in Zijn en tijd om te doen – moet hem leren kennen in zijn dagelijkse manier van doen, en zich niet blindstaren op die momenten waarop hij expliciet daarop reflecteert.

Volgens Heidegger is de ‘primaire manier’ om met dingen om te gaan niet “het alleen nog maar vernemende kennen”, maar “het hanterend, gebruikend bezorgen”. Van “dingen” moet je volgens hem dan ook niet spreken, dat zou te abstract, te theoretisch zijn. Het gaat hier om  “gereedschap”: gerei dat gereed ligt voor gebruik. Heidegger spreekt van tuig. Tuig neem je, in Heideggers termen, “ter hand”, het is een “terhandenzijnde”; als je het ter hand neemt, merk je het eigenlijk niet op, maar neem je het op in de handeling: “Het hameren zelf ontdekt de specifieke ‘handzaamheid’ van de hamer.” Pas als de hamer kapot gaat, ga je het als een ding bekijken, om te onderzoeken wat er aan mankeert. Dan is de hamer niet meer ter hand, maar ‘voor handen’. Het observeren maakt de hamer tot ding, tot object. In het dagelijks leven is het begrijpen van een hamer eigenlijk letterlijk be-grijpen: je pakt de hamer op en gebruikt hem. Wat voor de hamer geldt, geldt voor de gehele smidse en zelfs voor het hele dorp: zolang Paul daar naar kijkt, is hij er nog niet thuis.
Eerst ziet Paul het dorpje Schabbach in de verte liggen en bij het binnenlopen van het dorp blijft hij om zich heen kijken. Ook bij de smidse is hij eerst toeschouwer, en dus een buitenstaander: we zien, vanuit de smidse, hoe hij door een ruit naar binnen kijkt. Op het moment echter dat Paul de hamer oppakt, gaat hij meteen op in de vertrouwde gang van zaken. Dan loopt Paul weer mee in de loop der dingen. Dan wordt Paul van toeschouwer weer deelnemer. Dan komt hij thuis.

Heidegger verzet zich tegen het toch wel klassiek te noemen vooroordeel dat we via onze ogen kennis vergaren en vervolgens op basis daarvan met onze handen dingen maken. Was het maar zo simpel. In praktijk van alledag lopen die zaken juist door elkaar. Mooi is ook Heideggers herwaardering van werktuigelijk handelen: dat is niet het simpelweg uitvoeren van een taak, zoals een robot een programma “afdraait”. Heidegger bekritiseert juist een dergelijke “mechanisering”. Zolang een handeling er uitziet als het uitvoeren van een van tevoren ingestudeerd of aangeleerd plan, zit er geen leven in, blijft het houterig. Iedereen die een muziekinstrument bespeelt weet dat het er niet om gaat de partituur correct uit te voeren: het indrukken van de juiste toetsen in de juiste volgorde is geen pianospelen, dan klinkt het als een pianola.
Heidegger indachtig is het nu ook mogelijk meer zinnigs te zeggen over het lastig te maken onderscheid tussen een huis en een thuis: een huis is een ding dat hoogstens voor handen is, terwijl een thuis een (werk)tuig is, dat voor jou, bewoner, klaarstaat, om door jou ter hand te worden genomen. Thuiskomen is terugkeren naar een omgeving die je zo vertrouwd is, dat je er werktuigelijk kan handelen, kan wonen, oftewel: leven. Heidegger mag dan nog zo verliefd zijn op de Duitse taal en wijzen op de grondbetekenissen van het woord wohnen, de Engelse heeft als grote voordeel dat het woord living ook wonen betekent.

Het wrange van de eerste aflevering van Heimat is overigens wel dat je je uiteindelijk moet afvragen of het Paul echt is gelukt thuis te komen. De aflevering eindigt ermee dat Paul enkele jaren na zijn thuiskomst net zo vertrekt uit Schabbach als hij is gekomen. Zonder tekst of uitleg te geven gaat Paul, die dan al getrouwd is en vader is geworden van twee zoontjes, op een avond nog even het spreekwoordelijke pakje sigaretten kopen, om nooit weer terug te keren. Over waarom hij dat doet, valt van alles te zeggen; Heidegger zou het vast wijten aan Pauls obsessie met (radio)techniek, ik ben juist geneigd Paul te beschouwen als een soort existentialist voor wie het leven sowieso een eenzaam avontuur is. Zeker lijkt mij echter wel dat het niet lag aan Pauls thuiskomst. Die was even alledaags als glorieus.