Recensie —

“De realiteit van de architectuur is buiten”

Haike Apelt

Werk van De Smet Vermeulen architecten in het Vlaams architectuurinstituut.

Renovatie metrostation, Maalbeek Brussel – foto Bart Van Leuven

Wie zich, zoals ik, bij de tentoonstelling ‘Find myself a city to live in’ in deSingel in Antwerpen op een overzichtstentoonstelling van De Smet Vermeulen architecten verheugde, zal teleurgesteld worden. Het maken van een dergelijk type tentoonstelling was ook duidelijk niet de intentie van de curatoren Henk De Smet en Paul Vermeulen. De opgave die zij zich hebben gesteld is een veel interessantere, maar ook een moeilijkere. De realiteit van de architectuur, zo stelt de introductietekst, is buiten. De tentoonstelling wordt daarmee als een metaforische binnenwereld voorgesteld, als “de mentale ruimte waarin ideeën groeien.” Aan de hand van specifieke projecten (24 gebouwde en ongebouwde projecten van uiteenlopende schaal) worden “brede, niet exclusieve ideeën” over het fenomeen stad getoond. Dat stad hier zeer breed begrepen wordt, en naast de ‘dichte stad’ ook de ‘groene stad’ omvat, maar meer nog als synoniem voor ‘samenleving’ wordt gebruikt, sluit ongetwijfeld aan bij de tekst van het lied Cities van de Talking Heads, dat als titel voor de tentoonstelling is gebruikt. Het is geen songtekst die zijn betekenis onmiddellijk prijsgeeft, en dat geldt ook voor de tentoonstelling.

“Wij zijn contextualisten, we gebruiken een ruimte zoals ze is.” Paul Vermeulen

 De tentoonstellingsruimte van het Vlaams architectuurinstituut in deSingel stelt curatoren elke keer opnieuw voor de vraag hoe de schaal van de ruimte afgestemd kan worden op de schaal van de objecten. De Smet Vermeulen beperken hun ruimtelijke interventie tot muurhoge inkttekeningen van Benoît Van Innis (voorstudies voor de wandtekeningen in het Brussels Metrostation Maalbeek) die de eigenlijke tentoonstellingsruimte van de achtergelegen lagere ruimtes (de zogenoemde ‘broedkamer’ en Het Architectuurkabinet, een tentoonstelling in de tentoonstelling) scheiden. Een verlichte zone, in hoogte afgestemd op het ingelijste grafische werk dat aan de muren hangt, probeert samen met zich in nabijheid van de muren bevindende objecten (maquettes, stoelen), kleinere plekken in de relatief eigenschapsloze, grote zaal te creëren. Het midden blijft leeg. Een werkelijk gevoel van een ruimte op schaal van het object ontstaat pas mentaal door de concentratie die de tentoonstelling in haar opzet vergt. De Smet Vermeulen zien in de ruimtelijke beperkingen geen belemmering, zij gebruiken de ruimte zoals zij haar aantreffen, als een grote werkplek die er niet voor is om mooi geproportioneerd te zijn, maar om in te werken.

foto Dries Luyten

‘Find myself a city to live in’ toont dan ook de werktuigen van een ‘gewoon’ architectuurbureau: tekeningen op verschillende schaal, perspectieven, maquettes. Maar de wijze waarop het gepresenteerd wordt, is alles behalve gewoon. De compositie van het ingelijste werk aan de muren herinnert aan een privécollectie en lijkt eerder associatief dan projectgewijs geordend. Verschillende soorten van afbeeldingen, ook van verschillende projecten door elkaar, zijn tot compositorische entiteiten gegroepeerd wat de indruk wekt van de tentoonstellingszaal als groot huis waar de muren, die verschillende imaginaire kamers scheiden, zijn weggelaten. In elke ‘kamer’ heerst een eigen compositorisch idee. Maar nog iets maakt de tentoonstelling tot een interieur-wereld: het ontbreken van elke soort van typografie aan de muren; geen titels noch cijfers. Wie op zoek is naar kennis zal een inspanning moeten doen. Op de cover van de roze tentoonstellingsfolder is de compositie op de wanden schematisch weergegeven en gemerkt met overzichtsnummers. Vervolgens kunnen in het binnenwerk, in meer gedetailleerde schema’s, de objectnummers met bijhorende omschrijving teruggevonden worden. Dit eist volharding.
Wellicht is het de bedoeling om de tekeningen en drukken als zodanig te appreciëren, hun formele kwaliteiten, en vervolgens zélf op zoek te gaan naar onderlinge relaties; met andere woorden, zich zélf een beeld te maken van het idee van ‘stad’ dat achter het getekende schuil gaat. Volharding, geduld en opmerkzaamheid zijn ongetwijfeld eigenschappen die ook in de werkwijze van De Smet Vermeulen een rol spelen en die binnen hun bijzonder veelzijdig architectonisch oeuvre elk project uniek maken. De maquettes, maar dat ligt in de natuur van het medium, zijn eenvoudiger te appreciëren. Zij omvatten alle mogelijke schalen van het nadenken over ‘stad’, van stedenbouwkundige volumemaquettes tot en met een detail schaal 1:1.

“We willen het gewone zo opwaarderen, dat het niet meer banaal is.” Paul Vermeulen

Het expliciete gebruik van ‘gewone’ architectonische elementen kan in de hedendaagse architectuur soms ironisch of zelfs cynisch uitvallen. De manier waarop De Smet Vermeulen het werken aan de opwaardering van ‘het gewone’ begrijpen is daarentegen ver verwijderd van een zulke praktijk. De fijne balans te vinden tussen bescheidenheid en het bewustzijn van de eigen verantwoordelijkheid in het creëren van samenhang, van herkenbaarheid en karakter, en dit bij projecten die in dialoog met een steeds groeiend aantal van betrokkenen ontstaan, is een kunst die nederigheid vereist. Nederig is ook de blik op de realiteit die ervan uitgaat dat alles wat bestaat waarde heeft. Het alledaagse, begrepen als het gekende en juiste, het beproefde, kan in die zin nooit banaal zijn. De architectuur van De Smet Vermeulen sluit altijd het gekende in, soms op het niveau van het type, soms op het niveau van het architectonisch element. Het is tegelijk een architectuur van de tweede blik, of soms zelfs de derde. Het alledaagse is nooit opzichtelijk of letterlijk, is nooit een collage van citaten uit de context, maar altijd een gemetaboliseerde context die het resultaat vanzelfsprekendheid verleent.
In die zin is de tentoonstelling interessant; niets lijkt nieuw omdat men vertrouwde dingen in elk ontwerp herkent, ook is de vorm ongezien. De lichte dienstbruggen in Gent bijvoorbeeld, die als secundaire structuur naast de massieve spoorwegonderdoorgangen zijn gehangen, zijn evenzeer een pragmatisch als een bijzonder elegant antwoord op een louter utilitair vraagstuk. De gebruikte elementen zijn gekend, haast banaal, de vorm is dit in deze context alles behalve.

foto Dries Luyten

Samenwerkingen met andere architecten, ingenieurs en kunstenaars verrijken niet enkel het werk van De Smet Vermeulen maar ook de tentoonstelling en ondersteunen daarmee het begrip van het werk. Zo herinneren de prachtige drukken van Gosia Olchowska aan het bijzonder mooie kleurgebruik in het kinderdagverblijf op Linker Oever in Antwerpen. De pastelkleuren in de gevel maken een relatie met de kleuren die bewoning van het achterliggende flatgebouw ogenschijnlijk op de gevel heeft achtergelaten: verbleekte gordijnen uit verschillende decennia die ineens wonderbaarlijk mooi lijken. Wat kan er banaler zijn dan een verbleekt gordijn! Door de verandering van de context verandert de waarneming van het bestaande. Dit door stille opmerkzaamheid gewaar-gewordene, en binnen het ontwerp als kwaliteit vertaalde, geeft hetgeen niemand eerder had opgemerkt een waarde. De vertaling maakt in dit geval de referentie pas zichtbaar maar zonder van haar afhankelijk te zijn. Het kinderdagverblijf is een autonoom gebouw. Dit is een contextualisme waar men alleen grote bewondering voor kan hebben.

Veel blijft hoe dan ook impliciet in deze tentoonstelling. Voor wie het bureau apprecieert maar de projecten niet allemaal kent, zoals ik, kan het gevoel niet kwijtraken ‘tussen de regels’ het een en ander aan samenhangen en interpretaties te missen. In die zin is het zeker een goed idee om de finissage op zondag 11 juni te bezoeken waar met podiumgesprekken op de tentoonstelling zal worden gereflecteerd.
Één zin uit de tentoonstellingsfolder mag in ieder geval letterlijk worden genomen: “De realiteit van [de] architectuur is buiten.” Wie gelegenheid heeft om de tentoonstelling in deSingel nog voor 11 juni te bezoeken zou er goed aan doen om tenminste een ommetje Borgerhout (Drie Woningen), Hoboken (Politiekantoor) en Linker Oever (IGLO) in te plannen. Adolf Loos in gedachten die ooit verklaarde dat goede architectuur niet fotografeerbaar is, kan ook in dit geval de architectuur het beste worden begrepen binnen de mentale en reële context waar zij voor is gemaakt: de stad!