Feature —

Renzo Martens en David Gianotten / OMA : het (post)koloniale dilemma

Paoletta Holst

Het dak ontbreekt nog maar wit zijn de muren in elk geval wel. Met de opening van het door OMA ontworpen kunstcentrum in Lusanga werd afgelopen april het icoon van de westerse kunstwereld, de White Cube, gerepatrieerd in het binnenland van Congo. De White Cube moet plantagearbeiders toegang geven tot de internationale kunstwereld en hun eigen kunstwerken legitimeren. Renzo Martens en David Gianotten vertellen tijdens een lezing bij STUK in Leuven hoe.

White Cube, Lusanga Congo (april 2017) – foto: Michel van Dartel (Avans Expertise Centre for Art and Design / V2_ Institute for the Unstable Media)

De repatriëring van de White Cube
“Wat hebben plantages en White Cubes met elkaar te maken?” Kunstenaar Renzo Martens, oprichter van het Institute for Human Activities (IHA) en bekend van de film Episode III (Enjoy Poverty) uit 2008, vangt zijn verhaal aan met een gewetensvolle vraag die menig (kunst liefhebbend) persoon ongemakkelijk op de stoel doet schuiven. “Alles!” Filantropische steun voor kunstcollecties en musea kwam historisch vaak van groot handelsondernemingen die profiteerden van de koloniale overheersing en de afgedwongen monoculturen op plantages in West Afrika, Indonesië en de Caraïben. Kleine delen van het kapitaal dat deze plantages opleverden werden geïnvesteerd in kunstcollecties en musea. Zo werd de Lady Lever Art Gallery in Liverpool, opgericht door zeepgigant Lever, bijvoorbeeld direct met plantage-arbeid gefinancierd en heeft Unilever (het vroegere Lever) jarenlang de Tate Modern’s Turbine Hall projecten ondersteund.

De White Cube is bij uitstek de plek waar kunst wordt afgezonderd van de economische en politieke omstandigheden waarin zij oorspronkelijk tot stand komt. In deze volledig witgeschilderde ruimte kan kunst onder haar eigen condities tentoongesteld en beoordeeld worden. Eén van die condities is dat zij zich niet direct hoeft te relateren aan de financiële structuren die de White Cube mogelijk maken. Daarmee zijn deze serene ruimten een soort reservaten voor wat Martens verwoordt als “liefde, kritiek en eigenzinnigheid.” Hij ziet de financiële steun van handelsondernemingen aan musea als een poging om ruimten te scheppen waarbinnen de samenleving zich kon en nog steeds kan onttrekken aan het geweld en de misstanden op de plantages. Het is dan ook niet in de streken van de plantages dat je de meest dominante White Cubes aantreft, maar juist ver daar vandaan.

White Cube – tekening OMA

Geëngageerde kunst is niet genoeg!
Vandaag de dag is de relatie tussen kunst en de wereldwijde economische ongelijkheid nog altijd een heet hangijzer. Veel kunstenaars klagen weliswaar de ongelijkheid aan, maar doen dit veelal in een context die gefinancierd wordt door arbeid in lageloonlanden. De kritiek en het engagement van kunstenaars hebben daarmee geen effect op de plekken waar het over gaat. Zij blijven in feite de ongelijkheid steunen en dragen bij aan gentrificatie, economische en materiële groei op selecte plekken in de wereld. Dit brengt ons bij de kern van Martens werk. Met de oprichting van the IHA wil hij een effect teweeg brengen op de plek zelf door een “reverse gentrification” in gang te zetten die kapitaal terug naar de plantages moet doen vloeien. Martens trok naar Kinshasa met als doel verantwoordelijkheid te nemen en artistieke kritiek op economische ongelijkheid niet symbolisch maar materieel te verhelpen. Hij moedigde de huidige en voormalige plantagearbeiders aan hun gevoelens in kunstwerken te uiten en een kunstenaarscollectief te vormen.

In Lusanga, voorheen Leverville, een historisch beladen plek, startte het IHA samen met de Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise (CATPC), het door de plantage- arbeiders opgerichte kunstenaarscollectief) op een voormalige Unilever plantage het Lusanga International Research Centre for Art and Economic Inequality (LIRCAEI). De kunstenaars van de CATPC behaalden succes met de tentoonstelling van hun sculpturen in het Sculpture Center in Queens, New York City. De sculpturen die in Congo door de kunstenaars in klei gemaakt zijn, werden 3D gescand, upgeload, downgeload en in Amsterdam in cacao –een product dat van deze en veel andere West Afrikaanse plantages afkomstig is– gereproduceerd. “Het was een succes,” aldus Martens. “Kunstenaars die aan de bodem van de globale waardenketens staan en geacht worden hun mond te houden en te werken, konden plots in het Sculpture Center hun kunstwerken tonen en hun stem laten horen.”

Expositie Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise, SculptureCenter, New York (2017) – foto Kyle Knodell

Het dilemma
De tentoonstelling in het Sculpture Center en de bouw van de White Cube tonen duidelijk de hypocrisie van de globale waardenketens en het westerse kunstsysteem, maar tegelijk ook die van Martens’ eigen werkzaamheden in Lusanga. Met name dit laatste wordt hem vaak kwalijk genomen. Hij maakt zich schuldig aan dezelfde markt gedreven strategieën die hij bekritiseerd! Maar wie zich in deze beschuldiging kan vinden gaat voorbij aan wat hier in wezen wordt blootgelegd. Met het dubbelzinnig gebruik maken van de wens tot engagement, de inzet voor de ontwikkeling van lageloonlanden en het bekritiseren van de gangbare kunststructuren toont Martens, op het scherpst van de snede, het dilemma van de (post)koloniale westerse wereld: het nog altijd sterke geloof in het moderne project van de vooruitgang aan de ene kant en aan de andere kant het besef dat deze niet geforceerd opgelegd kan worden. Het is dit dilemma, de keuze tussen twee evenredig ongewenste alternatieven, dat het ongemak doet groeien.

In deze context is het niet vreemd dat Martens OMA benaderde voor het ontwerp van de White Cube. Het bureau is altijd geïnteresseerd geweest in het ontwerpen van gebouwen die de tegenstrijdige krachten en idealen in de samenleving blootleggen. “Wij bouwen voor iedereen,” aldus David Gianotten, “van democratieën tot niet-democratieën, omdat we denken dat die spanning in ons portfolio nodig is om uniek te blijven en unieke ideeën te kunnen bewerkstelligen. De controverse om te werken voor voormalige plantagearbeiders of voor Unilever zelf levert voor mij geen enkel conflict op.” OMA beschouwt ieder project als een kritiek en gelooft daarmee dat architectuur in staat is om vooruitgang en verbetering te brengen. Dit komt naar voren in het sterk modernistische masterplan dat OMA voor het LIRCAEI ontwikkelde.

masterplan OMA

Het masterplan is gericht op de ontwikkeling van een (post)plantage die de uitgeputte plantage moet vervangen. Het plan behoudt de door Martens geactiveerde functies van de plek (atelier en ontmoetingsplek), maar deelt het terrein op in drie zones – natuur (wild en gecultiveerd), plekken van dialoog en productie (conferentiecentrum & atelier), en het dorpsleven zelf (woningen). De White Cube is gesitueerd in de zone van dialoog en productie. Gianotten opteerde niet voor een gesloten, op zichzelf teruggeworpen White Cube, maar een die openingen heeft en juist zorgt voor een confrontatie met de context. Die context is de (post)plantage. Het uitzicht vanuit de White Cube op de (post)plantage moet, aldus Gianotten, de kritiek gaan formuleren door de context in de tentoonstellingsruimte binnen te brengen.

Daarmee is de cirkel rond. Martens’ project laat zien dat ‘post’ eigenlijk ‘neo’ is. Hij had OMA nodig om zijn project op de kaart te zetten. Een lokale architect zou deze aandacht voor zijn project niet hebben kunnen genereren. De kritische onderneming om de White Cube te repatriëren en het plan om de plantage te herontwikkelen kunnen evengoed gezien worden als een neokoloniale daad die bekrachtigd moest worden door een architectuurbedrijf dat geen vragen zou stellen en gewetenloos het postkoloniale dilemma voor de toeschouwer zou versterken.