Recensie —

Do Good zorgarchitectuur

Gideon Boie

“De vormgeving van de zorg is een sociaal vraagstuk én ruimtelijke onderneming”, staat in de introductie tot Intensive Care, architectuur en design in de zorg. De tentoonstelling bij Bureau Europa (Maastricht) haakt in op de ambitie van de provincie Limburg om zich te ontwikkelen tot zorgregio van Nederland. De eclectische verzameling van zorgproducten op verschillende schaalniveaus opent heel wat perspectieven en evenveel vragen.

maquette Maggie’s Gartnavel / OMA – foto Johannes Schwartz

De kern van tentoonstelling Intensive Care ligt bij het thema ‘ruimte voor zorg’. Deze deelverzameling van architectuurprojecten wordt omwikkeld door slimme producten en artistieke vraagstellingen. Wat meteen op valt is de diversiteit van de projecten voortkomend uit architectuur, productontwikkeling en kunst. Wat kan een ontwerper zoal betekenen in de context van de zorg? Een greep uit de tentoonstelling:

  • Verzachten van leed: de Blue Sky Lamp (ontwerp Chris Kabel) imiteert natuurlijk licht in de strijd tegen depressie, Natureally (Geert Mul) zorgt met een sfeerbeeld voor rustgevende verandering van kleuren, …
  • Alternatieve geneeskunde: geuren worden verspreid als stimuli voor onder meer eetlust bij dementie (Ode), robotische ballen (QBI), spierversterkende pakken (Superflex Aura Powered Suite), …
  • Versterken van zelfbeschikking : in de Medicijnfabriek is een werkplaats waar geëxperimenteerd wordt met medicijnen voor de onderbuik (Circus Engelbregt), open surgery robotten (Frank Kolkman) en andere Do-It-Yourself gezondheidsdiagnoses
  • Participatieve installaties
  • En nog veel meer

Dat ontwerpers kansen zien en grijpen in de vormgeving van ‘de zorg’ is te begrijpen. Het mag duidelijk zijn dat zorg vandaag een groeimarkt is – niet langer een werk van liefdadigheid. Na het grijze goud mogen we gerust spreken van het zieke of kreupele goud; geen wonder dat Limburg zich opwerpt als zorgregio. Heel wat winst kan er behaald worden over de rug van zieke medemensen. En slimme oplossingen voor ziekte, pijn en eenzaamheid – en de angst hiervoor – is wellicht dé manier om als ontwerppraktijk te scoren op de ladder van maatschappelijke relevantie.

Open surgery robotten / Frank Kolkman – foto Johannes Schwartz

De fundamentele vraag is welke gezondheidszorg uitgetekend wordt. Ligt de toekomst van de zorg binnen of buiten de kliniek? Is het genoeg om het institutionele karakter van de kliniek te vermenselijken of gaat het om de ontmanteling van de kliniek? Wat als de nieuwe technologieën niet in staat blijken om nieuwe zorgrelaties te ontwikkelen? Hoe ontwerpen we zorg in de alledaagse liefde voor de ander – zonder opdracht en zonder markt? En, wat doen we als de zorg voor zichzelf omslaat in doodsdriften?

De tentoonstelling blijft op de vlakte. We krijgen een nevenschikking van tegenstrijdige projecten te zien. Het Landscape Hospital Inside-Out (ontwerp van OJO/Office Jarrik Ouburg en Paulien Bremmer Architecture + Urbanism) is een enorme Inca-tempel die toelaat dat patiënten “makkelijk naar buiten kunnen rijden […] met hun monitoring- en intraveneuze apparatuur.” Ook Zuyderland (Bonnema Architecten) presenteert zich als zorgkathedraal met een grondplan dat inspeelt op de meest vernuftige communicatietechnologieën. Het contrast met Maggie’s Gartnavel in Glasgow (ontwerp OMA) is hemelsbreed. Het opvangcentrum voor patiënten die behandeld worden voor kanker, nestelt zich juist buiten het grote klinische instituut van de National Health Service. Op gelijkaardige manier zoekt het ‘eerste buitenpaviljoen voor chemotherapie’ (ontwerp Vandersalm-aim) de weldaden van de natuur op. Nochtans presenteren de laatste twee projecten zich als een ontsnappingsroute op het gesloten klinische universum van de eerste twee.

Tegelijk toont ook de architect zich van alle markten thuis – alsof keuzes van ontwerpopdrachten onverschillig zijn. In de documentaire naar aanleiding van het ontwerp van OMA voor Maggie’s Gartnavel horen we de woorden van Ellen van Loon (OMA) – ik parafraseer: “Rem stemde onmiddellijk in op de vraag van Charles Jencks, hun kinderen zijn tegelijk opgegroeid en we bedienen graag alle schaalniveaus.” Zo zien we in de tentoonstelling hoe Rem Koolhaas (OMA) behalve voor Maggie’s Gartnavel ook een bijdrage leverde aan Novartis Campus in Bazel. Hier laat Koolhaas samen met de fine-fleur van de architectuur (Sanaa, Diener+Diener, Gehry, Herzog & De Meuron, en vele anderen) het publiek versteld staan bij de niet onomstreden weldaden van de Zwitserse farmagigant. ‘Actief op alle schaalniveaus’ – het zijn woorden die elke architect in de mond neemt en toch laten ze in de context van de zorg een wrange nasmaak achter.

Natureally / Geert Mul – foto Johannes Schwartz

Het project Visor Hood/Couple Hood van ontwerper Natsuki Hayashi toont misschien wel het best dat ontwerpen voor de zorg niet waardenvrij is. Het product is een plastic zak geleverd met helium waarmee een koppel zichzelf kan verlossen van ondraaglijk lijden. Het is een slim product want “het ontwerp laat ruimte over tussen het gezicht en de kap waardoor deze niet ongemakkelijk tegen de mond plakt.” Vormgeving voor euthanasie zonder taboes komt met de bijsluiter: “Het project wil dubbele zelfmoord niet aanmoedigen of romantiseren, maar een maatschappelijke behoefte adresseren, zonder het te willen veroordelen.” En toch zien we juist in dit project hoe elke sociale en ruimtelijke oplossing al dan niet gewild een ethisch vraagstuk stelt. De logica van dit project is: het leven van de zieke medemens is zo dierbaar, dat we bereid zijn hem of haar te helpen het leven te ontnemen.

Het contrast is groot met het tentoongestelde werk van Social Label. Hierbij worden mensen met fysieke of geestelijke beperkingen getoond dat ze ondanks alles toch capabel zijn om op welke manier dan ook bij te dragen aan het ontwerp. Social Label is een hyperonderneming – het is tegelijk een label én koppelkantoor én platform én binnenkort ook een winkel. (Voor hun bezem Veeg, ontvingen ze afgelopen jaar de Dutch Design Award). Voorbij de promo-praat zien we in hun producten hoe de patiënt in het ontwerpproces méér kan betekenen dan een eindconsument. De producten zijn doodnormale theekopjes, bezems en stoffen die je zou kunnen aantreffen in eender welke woonboulevard. De slimme of helende werking ligt niet aan het product, maar is het effect van een sociaal ontwerp- en productieproces.
In de tentoonstelling Intensive Care ontbreekt het vooralsnog aan architectuurprojecten waarin we een gelijkaardige emancipatie van de patiënt zien. De vraag is of architecten niet alleen de wereld van zorg kunnen hertekenen, maar ook vanuit de zorgcontext de eigen ontwerppraktijk durven herdenken.

Social Label – foto Johannes Schwartz