Recensie —

Waar wit een droom was

Andrea Prins

Tien jaar lang werd gedacht en gepland – en voorzichtig gerooid. Om het ontstaan van het ongewone landschapspark Zeche Zollverein te vieren, verscheen een lijvig boek: Zollverein Park. Staub, Stille und Spektakel. Andrea Prins las het en nam ter plekke een kijkje.

spread uit besproken boek – foto Claudia Dreyße

Rood, rood-bruin en groen zijn de kleuren. En zwart: de grond zit nog steeds vol steenkool. Ruim dertig jaar geleden werd de steenkoolmijn Zeche Zollverein in Essen gesloten. De schachtgebouwen zijn nu musea, in plaats van kompels in hun uniforme werkkledij tref je joggers en kikkers. De mijn werd een park. Het boek Zollverein Park. Staub, Stille und Spektakel vertelt over wildernis, kunst en mensen. Mooie verhalen. Te mooi om helemaal waar te zijn?

De begroeiing in het gebied is spontaan ontstaan. Op de tot rust gekomen mijn begonnen tussen de spoorrails en op de storten bomen te groeien, dieren veroverden het kreupelbos en de industrieplassen. De mythe wil dat Ulrich Rückriem in 1993 een van zijn archaïsch ogende, granieten sculpturen aan de voet van de centrale mijnstort plantte. Na deze actie van de wereldberoemde kunstenaar kon de gemeente Essen haar voornemen om het gebied als stortplaats voor bouwafval te gebruiken wel vergeten. Pikant detail: het regionale ministerie zou van de artistieke toe-eigening geweten hebben. Na dit veelbelovend begin werd het industriële complex in meerdere stappen publiek toegankelijk gemaakt, waarbij zowel de planten als de bergbouwkolossen en het landschap met zijn bulten en meren hun plekken in het ontwerp kregen. En er kwam meer kunst, van Rückriem en van anderen.

Het boek Zollverein Park is voor het grootste gedeelte geschreven door de ontwerpers van het park, de landschapsarchitecten, (licht)kunstenaars en communicatie-designers van Planergruppe Oberhausen, Observatorium, F1rstdesign en Licht Kunst Licht, een Duits-Nederlandse samenwerking. Het is een fraai, in grijs linnen gebonden boek. Als eye catcher dient een banderol om het boek heen: een meermaals gevouwen wit papier met speels verdeelde foto’s van het park erop. Na het afnemen en openvouwen verschijnt op de achterkant van het papier een zorgvuldig getekende kaart van het park; toen ik voor de School voor Management en Design van SANAA naast Zeche Zollverein stond, leek de verdeling van de foto’s op het papier op het beheerste spel van de raamopeningen op de gevel.

spread uit besproken boek – foto’s Claudia Dreyße

Het binnenwerk van het boek bestaat uit grijze en witte bladen. De grijze bladen bieden een overzicht en op de witte bladen wordt de lezer in tekst en beeld langs zevenentwintig onderdelen van het park geleid, afgewisseld met zeven beschouwende essays. Visueel vormen de grijze bladen één geheel met de linnen omslag; het boek lijkt daardoor stabiel. Per parkonderdeel wordt de ontstaansgeschiedenis en het huidige gebruik van de desbetreffende plek omschreven. Een kleinere sans serif gezette tekst vermeldt de projectdata en wetenswaardigheden. Citaten zijn juist groter gedrukt. Daartussen is veel witruimte. De vele zorgvuldig gemaakte foto’s ondersteunen de tekst.

Het parklandschap is divers. Er zijn onderdelen om op te wandelen (de Ringpromenade, in het donker fraai verlicht door rode led-lichten in de bodem, en de Railsboulevard met zijn gracieuze berken), projecten voor kinderen (‘groene klasruimte’), en storten die niet betreden mogen worden (Bitte nicht stören). Tussen het groen staan de inmiddels iconische bruin-rode schachtgebouwen met hun stalen vakwerk-structuur en gigantische transportbanden. Puur door de schaal krijgen de mijnen een heroïsche lading.
Bij het ontwerpen van het park is veel aandacht uitgegaan naar de bewegwijzering. De ontwerpers wilden geen borden-bossen die afleiden van de plek. Nu vindt men de meeste richtingswijzers op de grond: reliëfs op de wegen.

Zolverein Park lijkt veel gebruikt te worden, en niet alleen door de rijkelijk aanwezige toeristen. Behalve hen ontmoet ik joggers, wandelaars, fietsers, mensen van de plaatselijke fotoclub en ‘s nachts hele groepen giechelende jongeren. Ook de kikkers moeten wel blij zijn: speciaal voor hen zijn er hellingen gemaakt met het erin gepreegde afdruk van een paddenlijf, zogenaamde Krötensteine: de stalen afwerking van de ringpromenade vormde voor hen een niet te overwinnen barrière van en naar de meertjes.

spread uit besproken boek – foto’s Thomas Mayer

Dit park is nooit af, schrijven de ontwerpers, het ontwikkelt zich steeds verder.  Bij deze gedachte past ook de lay-out van het boek. Op de pagina’s lijkt ruimte gelaten te zijn voor verdere invulling, bladen zijn niet geheel vol. Dit is allemaal heel goed bedacht en ook sympathiek, maar doet het recht aan deze plek met zijn verleden vol gevaar en armoede?

Zwischen Dortmund und Duisburg ist Weiß nur ein Traum, schreef Heinrich Böll in Ruhrgebiet, het boek dat hij samen met de fotograaf Chargesheimer in 1958 publiceerde. Böll doelde op het alomtegenwoordige kolenstof. Op een laconieke manier toonden de auteur en de fotograaf het leven van de mensen. Ondanks zijn gevestigde positie als ‘geweten van Duitsland’ werd het Böll niet in dank afgenomen. Men vond de strekking van het boek te negatief; bestuur en industriëlen wilden het Ruhrgebied als een voor de wederopbouw van Duitsland essentiële regio presenteren, zonder de schaduwkanten steeds onder hun neus gewreven te krijgen.
Op de website Zeit Räume Ruhr schrijven mensen over hun herinneringen aan een bepaalde plek. ‘Touristen an dem Ort, wo einst Bergleute im schweiße des Angesichts ihr Brot verdienten. Für immer habe ich meine Heimat […] verloren, lees ik bij een post over Zeche Zollverein, en ‘Ich betrat den Korb und das Tor zum Korb schloss sich es gab kein Zurück.’ Böll zou deze onverbloemdheid zeker gewaardeerd hebben.

Wit zal nu wel wit blijven, maar naar mijn smaak is het park iets te getemd, te lief. Alle leestekens zijn ingevuld.

spread uit besproken boek – foto Thomas Mayer