Recensie —

Kraken: een historische beweging of actuele tactiek?

René Boer

“Kraken is vooral een tool die misschien in het verleden vaker ingezet werd, maar morgen weer opnieuw kan dienen als een breekijzer in een ruimtelijk conflict.” René Boer las The Autonomous City. A History of Urban Squatting van Alexander Vasudevan.

foto Karen Eliot, 2006

Bij gebrek aan alternatieven een ruimte betrekken die niet jouw eigendom is, is van alle tijden. Wanneer alle opties om aan woonruimte te komen onmogelijk of onbetaalbaar blijken, zijn mensen snel geneigd om de irrationele co-existentie van woningnood en leegstand eigenhandig te beslechten. Het toe-eigenen van leegstaand vastgoed zonder toestemming van de eigenaar (‘kraken’ in goed Nederlands) leidt echter regelmatig tot verzet door de bezitters van dat vastgoed. Ook autoriteiten worden doorgaans wat ongemakkelijk bij deze directe ondermijning van de onaantastbaarheid van het eigendomsrecht.

In de wereldgeschiedenis is het wederrechtelijk in gebruik nemen van zowel land als vastgoed dan ook vaak hardhandig de kop in gedrukt. Aangezien deze historische ‘krakers’ vaak niet diegenen waren die tevens aan geschiedschrijving deden, is er eigenlijk weinig bekend over vroege vormen van kraken. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam hier verandering in. Zeker toen vanaf de jaren 70 de verloedering van de Westerse binnensteden verder doorzette en een mondige, naoorlogse generatie op zoek gingen naar een eigen huis, werd kraken op veel plekken een coherente beweging die zichzelf ook als zodanig afficheerde, en documenteerde. Deze kraakbewegingen ontwikkelden in korte tijd een duidelijke politieke identiteit met een dito kijk op de stad. In reactie op de rigiditeit van de modernistische, top-down georganiseerde wederopbouw, en in een later stadium op de suburbane uitleglocaties, bloeide onder krakers ideeën over het eigenhandig maar gezamenlijk organiseren, vormgeven, delen, vrijer en speelser maken van de stedelijke ruimte.

In zijn boek The Autonomous City. A History of Urban Squatting neemt van Alexander Vasudevan, associate professor Geography and the Environment aan de universiteit van  Oxford, de lezer mee naar verschillende grote steden in West-Europa en Noord-Amerika. Aan de hand van beschrijvingen van case studies laat Vasudevan zien hoe in elke stad op uiteenlopende manieren de kiemen werden gelegd voor wat in veel gevallen sterke kraakbewegingen zouden worden. Zo wordt het voorstel voor het Witte Huizenplan van de Provo’s als een vroege aanzet voor het Amsterdamse kraken genoemd, terwijl in Kopenhagen een publicatie in het alternatieve nieuwsblad Hovedbladet als beginpunt wordt gezien. In dit artikel worden mensen uitgenodigd om een ‘verboden stad’ nabij het centrum te komen verkennen, omdat hier “het raamwerk voor een alternatieve stad al aanwezig is, dat door gezamenlijke experimenten verder opgebouwd zal kunnen worden.” Deze ‘verboden stad’ waren in werkelijkheid militaire barakken die inderdaad in de jaren daarna snel uitgroeiden tot de vrijplaats Christiania.

Uit de publicatie blijkt hoe in de loop van de jaren 70 en 80, toen de leegloop en verloedering van binnensteden op veel plekken een hoogtepunt bereikten, in praktisch alle grote, Westerse steden kraakbewegingen ontstonden, en hoe die in de jaren 90, met de aarzelende terugkeer van de middenklasse naar de stad en de opkomst van de neoliberale stadsontwikkeling, vaak kleiner werden door het gebrek aan kraakbare ruimte en toenemende repressie.
Opvallend is dat de meer recente geschiedenis van het kraken, op een aantal onsamenhangende referenties na, in The Autonomous City grotendeels achterwege wordt gelaten, terwijl juist recente gebeurtenissen een bijzonder nieuw vervolg aan de ontwikkeling van het kraken hebben gegeven. Zo zien we bijvoorbeeld dat in de laatste jaren grote groepen vluchtelingen voor wie op veel plekken in Europa de huisvesting niet toereikend is, met behulp van lokale kraakbewegingen zichzelf van onderdak voorzien. Met name in Zuid-Europese landen neemt dit serieuze vormen aan, maar ook in Amsterdam zijn de laatste vijf jaar tientallen grote kantoorpanden door samenwerkende groepen vluchtelingen gekraakt.

De meeste casussen die in The Autonomous City beschreven worden zullen niet bij het brede publiek bekend zijn. De kraakgeschiedenis is doorgaans niet het eerste wat men te horen krijgt over een buitenlandse stad, onder andere omdat in het beeld dat een stad van zichzelf neerzet sociale onrust en strijd vaak vakkundig worden weggepoetst. Enkele van de beschreven plekken zijn overigens wel redelijk bekend, zoals bijvoorbeeld de eerdergenoemde vrijhaven Christiania in Kopenhagen.
De verhalen spreken veelal tot de verbeelding, zoals die over de krakende queer-gemeenschap in het Londen van de jaren 70. Hier kraakten leden van het South London Gay Liberation Front (SLGLF) in 1974 een rij woningen in de wijk Brixton, bouwden een woongemeenschap op, en boden ruimte aan een alternatieve stedelijke infrastructuur; naast een gaybar waren er ook twee vrouwencentra, een anarchistische nieuwsdienst, en een voedselcoöperatie.
Ook bijzonder is de strijd van Operation Move-In die al de in de vroege jaren 60 vocht tegen woningnood en leegstand in de Upper West Side van New York. Deze groep, die voornamelijk geleid werd door Puerto Ricaanse vrouwen, kraakte op grote schaal appartementen voor armlastige families die in ongeschikte of onveilige woningen verbleven, of door de stedelijke vernieuwing gedwongen werden de wijk te verlaten. Vele van de families kregen uiteindelijk huurcontracten en konden blijven.

Het zijn stuk voor stuk bijzondere inkijkjes in rebelse stadsgeschiedenissen die de lezer tevens doen beseffen hoe vrij de stadslucht destijds geweest moet zijn. De case studies laten zien hoe krachtig de impact van goed georganiseerde, bottom-up interventies in de stedelijke omgeving kan zijn. Daarnaast worden de case studies ook contextueel ingebed in de sociale, politieke en ruimtelijke ontwikkelingen van de betreffende stad.
Zo lezen we over Milaan dat kraken op wijkniveau direct verbonden was met buurtgroepen die huurstakingen organiseerden of collectief de hoge energierekeningen omlaag probeerden te brengen. In Oost-Berlijn blijkt de lokale kraakbeweging een bloeiperiode te hebben doorgemaakt in het politieke vacuüm dat ontstond rond het einde van de DDR. Het Schwarzwohnen werd een begrip dat ook na de hereniging bleef inspireren.

 

pagina uit besproken boek

Wat Vasudevan echter niet duidelijk maakt, is waarom specifiek voor deze steden is gekozen. De selectie is willekeurig en wordt nergens beargumenteerd. Een aantal voor de hand liggende steden ontbreken, zoals Barcelona en Athene, daarnaast bestaat er ook een kraakcultuur buiten de Global Cities, en de afwezigheid van niet-Westerse steden wordt niet verklaard. Ook de selectie van case studies lijkt volledig willekeurig. Er worden lukraak gevallen uit verschillende perioden en plekken door elkaar heen behandeld, een lijn lijkt te ontbreken en er worden geen pogingen gedaan verbanden te zien of invloeden bloot te leggen. Bovendien reproduceert Vasudevan meermaals het voor de hand liggende cliché dat zo typisch is voor de geschiedschrijving over kraken, namelijk de buitenproportionele aandacht voor de confrontaties tussen krakers en autoriteiten. Terwijl de auteur in zijn introductie aangeeft de geschiedenis van het kraken niet te willen romantiseren, opent praktisch elk hoofdstuk met een fijn stuk riot porn, de ongemakkelijke verlekkering bij een uit de hand gelopen rel. Kraken is op zichzelf natuurlijk een vrij militante politieke strategie, en heeft misschien ook daarom juist wel zo veel bereikt, maar in The Autonomous City blijft de relevantie van de confrontaties voor de betreffende stad vaak onduidelijk.

Vasudevans sensatiezucht overstemt dan ook de daadwerkelijke realiteit van het kraken die misschien een stuk saaier is. In plaats van het geschetste beeld van grootschalige rellen, bestaat het kraken in de meeste beschreven steden eerder uit een groepje jongeren dat samen een pandje betrekt, een eenzame junk die een tijd een verdieping bewoont, of een collectief aan kunstenaars die campagne voeren om hun gekraakte werkplaats te behouden.
Bovendien zijn vanuit een geografisch perspectief (het vakgebied van de auteur) de mechanismen die deze kraakpraktijk mogelijk maken, de manier waarop het zich tot de stad en stedelijke politiek verhoudt en de ruimtelijke spreiding van deze bewegingen, veel interessanter. Waar The Autonomous City per stad veelal de nadruk legt op een sporadische geweldsuitbarsting en de grote lijnen van de huisvestingspolitiek, ontbreken veelal de details van het functioneren van kraken als een ruimtelijke praktijk.

De Amsterdamse kraakbeweging wordt in het boek geroemd om de blijvende impact, zoals het propageren van een andere kijk op de stad, het aanjagen van de sociale woningbouw, het behouden van de bestaande woningvoorraad en de democratisering van het planproces. De relatief grote invloed van het Amsterdamse kraken vergeleken met andere steden, is vooral te danken aan het bijzonder geïnstitutionaliseerde karakter van de beweging. Met name het (destijds) fijnmazige netwerk aan ‘kraakspreekuren’, de vele protocollen die van generatie op generatie worden doorgegeven, maar ook de uitgebreide jurisprudentie, zijn hier goede voorbeelden van maar worden helaas slechts terloops genoemd.
Waar het Amsterdam betreft ligt in The Autonomous City de nadruk wederom op die ene specifieke confrontatie, in dit geval de kroningsrellen op 30 april 1980 die misschien een graadmeter waren voor de explosieve kracht van de beweging op dat moment, maar op geen enkele manier een handvat bieden voor het daadwerkelijke begrip van het functioneren van het kraken zelf en de impact daarvan op de stad. Ook Vasudevans uitspraken dat aan de kroningsrellen ‘geen echte krakers meededen’ en dat ‘echte krakers zich er op grote schaal van distantieerden’ zijn opmerkelijk. Afgezien dat het definiëren van een ‘echte kraker’ lastig is – iemand die in een kraakpand woont? iemand die actief bij de beweging betrokken is? – blijft de lezer achter met de vraag waarom in dat geval de kroningsrellen nog besproken worden in een boek over kraken.
Ook de nadruk op de rise & fall van de Amsterdamse kraakbeweging en Vasudevans poging het in vier perioden op te delen zijn niet overtuigend. Wat Vasudevan ontgaat is dat kraken vooral een tool is, die misschien in het verleden vaker ingezet werd, maar morgen weer opnieuw kan dienen als een breekijzer in een ruimtelijk conflict. Op het moment van schrijven wordt bijvoorbeeld door een collectief  twee grote panden nabij het Amsterdamse Vondelpark bezet gehouden, panden die op het punt stonden zonder de juiste vergunningen tot short-stay appartementen voor toeristen verbouwd te worden.

The Autonomous City brengt al met al weinig nieuws over Amsterdam. Een snelle blik op de bronnen maakt duidelijk dat het hoofdstuk gebaseerd is op een incompleet en niet bijgewerkt archief, en een aantal boeken die op z’n minst controversieel zijn in zowel de kraakbeweging van toen als de hedendaagse. Gedegen historisch onderzoek naar de impact van subversieve ruimtelijke bewegingen kan natuurlijk heel interessant zijn, maar het lijkt niet de forte van deze geograaf.
Dat de ‘geschiedenis van het stedelijke kraken’ nergens thematisch of in de tijd wordt afgebakend is problematisch omdat daarmee een soort volledigheid wordt gesuggereerd. Het idee kan ontstaan dat kraken vooral een historisch fenomeen is. Afgezien van het feit dat dit niet klopt, schept het een verkeerd beeld van kraakpanden die nu nog steeds bestaan en vandaag de dag een belangrijke rol spelen in hun stedelijke context. Daarnaast roept de gebrekkige analyse van Amsterdam vragen op over de kwaliteit van de andere case studies. Ook verleiden de case studies Vasudevan tot nogal hyperbolische conclusies. Het kraken in New York zou geleid hebben tot het ‘wijdverbreide verlangen de stad anders te leven en te verbeelden’, terwijl in Amsterdam kraakpanden ‘de plaats van radicale mogelijkheden en belofte waren als ook de bron van intense wanhoop en teleurstelling’. Hoewel er degelijk een kern van waarheid zit in deze grote-stappen-snel-thuis conclusies, zijn het vooral de afzonderlijke tableaus die van de verschillende steden geschetst worden het meest aansprekend. De hardnekkige strijd, die in verschillende perioden en op uiteenlopende plekken in de wereld voor een rechtvaardige stad gevoerd is, blijft in de huidige tijd onverminderd relevant en inspirerend.