Feature —

Wat doen architecten? Die maken toch gebouwen?

Joy Knoblauch

Nee dus. Joy Knoblauch bezocht de tentoonstelling The Other Architect, die vandaag opent in Het Nieuwe Instituut, eind 2015 in het Canadian Centre for Architecture (CCA) in Montréal. Ze ontdekte er wat je in huis moet hebben om een ‘ander soort architect’ te worden.

Afbeelding installatie The Other Architect in het Canadian Centre for Architecture, Montréal, 2015. ©CCA, Montréal

In 1940 riep de United States Public Health Service architecten op om in het geweer te komen tegen het tekort aan ziekenhuizen door in hun eigen steden fondsen te werven en projecten te organiseren. Het United States National Institute of Mental Health riep architecten op soortgelijke wijze op leiderschap te tonen toen het hen vroeg een nieuw type maatschappelijk centrum voor geestelijke gezondheidszorg te ontwerpen. Dergelijke samenwerkingsverbanden tussen architecten en overheden tot nut van het algemeen, waarbij het beroep dat op de architecten wordt gedaan hun vermogen om een gebouw te maken overstijgt, kennen een lange geschiedenis. Ook eerdere tentoonstellingen van het Canadian Centre for Architecture, zoals Architecture in Uniform, Imperfect Health en Sorry, Out of Gas hadden de publieke rol van de architect als onderwerp. The Other Architect (de door het CCA samengestelde tentoonstelling die vanaf 8 september te zien is in Het Nieuwe Instituut te Rotterdam, red.) demonstreert rijkelijk het nut van het vermogen van de architect om zijn omgeving te observeren en die zodanig te representeren dat er een alternatief wordt belichaamd. O.M. Ungers toonde zich bewust van de wereld voorbij de architectuur toen hij de commune in kaart bracht, de Architecture Machine Group reflecteerde kritisch op de cybernetica, AMO dacht na over de implicaties van de Europese Unie, en Forensic Architecture hield zich bezig met het humanitaire geopolitieke vraagstuk.

Giovanna Borasi, curator van The Other Architect, presenteert radicaal normaal werk van 23 scherpzinnige architectenbureaus van naam, waaronder Art Net, Cedric Price’s Lightweight Enclosures Unit, CIRCO, het Architectural Detective Agency, Anyone Corporation en het Institute for Architecture and Urban Studies (IAUS). De tentoonstelling beslaat de periode vanaf de jaren 1960 tot het heden en laat zien hoe deze architecten zich nu en in het verleden bezig houden en hielden met politieke aspecten van plaatsen die zich – lokaal of mondiaal – als ‘thuis’ laten kennen. Het gaat hierbij zowel om radicale praktijken – die de politieke, sociale en esthetische status quo potentieel kunnen veranderen, als om normale – in zoverre dat subsidievoorstellen en televisieprogramma’s niet ongewoon zijn in disciplines als stedenbouw, public relations, politiek en kunst.

Charles Moore tekent live gedurende een uitzending van Roanoke Design ’79 terwijl gastheer Ted Powers en architect Chad Floyd zich tot de camera richten. 1979. Design-A-Thon – Centerbrook Architects and Planners Records. Manuscripts and Archives, Yale University Library ©Centerbrook Architects and Planner

The Other Architect brengt architectonische media onder de aandacht die dat model overstijgen. De bezoeker loopt letterlijk langs een gigantisch model dat is gemaakt door OMA in de periode dat dit bureau AMO lanceerde. De relatie tussen deze twee spiegelorganisaties is vrij uniek en niet onverenigbaar met de veel bejammerde cultuur van de ‘starchitect’. Maar uit hun verhouding en uit de presentatie van een organisatorisch diagram blijkt hoe belangrijk het is om binnen bredere institutionele verbanden met plaatsen zoals de Harvard University te werken om dergelijk schijnbaar zelfstandig werk te kunnen uitvoeren. Financiering, ondersteuning en prestige helpen zeker bij het produceren van werk dat wordt uitgevoerd in opdracht van ‘het publiek’ en universiteiten, overheden en bedrijven hebben al heel lang hun eigen redenen om zulk werk te financieren. Het is normaal om in een dergelijke context te werken, maar het in stand houden van de mythe van de autonomie kost veel geld. Aan de organisatieschema’s en financieringsverzoeken van de IAUS is bijvoorbeeld de hoeveelheid tijd af te lezen die is besteed aan fondsenwerving voor werk waarvan je zou kunnen denken dat er geen opdrachtgever aan te pas is gekomen. De complexiteiten van de uitoefening van het beroep van architect en in mindere mate de uitoefening van het opdrachtgeverschap blijken uit het brede scala van documenten die voor de show zijn uitgekozen. Elke groep beschikt over een tafel en daarbij is verticaal een taakopvatting, een eerste subsidieaanvraag of een brief met daarin een intentieverklaring voorzien van budgetten en organisatiediagrammen tentoongesteld om te laten zien hoe de groep ‘ander werk’ zoals video’s, nieuwsbrieven, cartoons, diagrammen en andere propagandamiddelen heeft gecreëerd.

Afbeelding installatie The Other Architect in het Canadian Centre for Architecture, Montréal, 2015. ©CCA, Montréal

Een deel van het werk is retorisch. Zoals de urbanisten van Corridart al verkondigden: ‘Plaats tegenstrijdigheden waar we ze kunnen zien.’ In het geval van Charles Moore’s Design-A-Thon uit 1976, waarin modellen door het publiek konden worden gemanipuleerd en waarin architecten om het ontwerpproces te demystificeren letterlijk werden tentoongesteld terwijl ze aan het werk waren, geldt die oproep evenzeer voor stadsbesturen, transnationale overheden en architecten zelf. Er werd met nieuwe media gespeeld: zo werd er bijvoorbeeld een televisieprogramma uitgezonden waarin het publiek zich telefonisch kon melden. Dergelijke inspanningen houden het midden tussen onderwijs, praktijk en onderzoek en geven blijk van publieke betrokkenheid, van een uitgestoken hand.

Wie een bezoek brengt aan The Other Architect moet zich wel afvragen of het hier echt om de uiterste grens van de discipline gaat – en niet alleen omdat veel van deze architecten bekend staan ​​om hun polemisch en politiek gekleurde werk, wat Rem Koolhaas in de tentoonstelling ‘architectonisch denken’ noemt. Dergelijk geëngageerd en bedachtzaam werk zou wel eens het enige kunnen zijn dat een architect nog roem oplevert, tot het middelpunt van de discipline maakt. Zoals Beatriz Colomina (Princeton University School of Architecture) beweert kan een architect zich pas echt handhaven wanneer hij over een goed boek of tijdschrift beschikt dat kan circuleren en indruk kan maken op een manier die een beeld van een gebouw alleen zelden kan evenaren. De banden tussen de architectuur en het publiek dragen bij aan een blijvende indruk. Het is mogelijk dat het werk in deze tentoonstelling helemaal niet zo ‘anders’ is, maar zulk geëngageerd en intelligent werk kan desondanks wel een manier vertegenwoordigen om op relevante en verantwoordelijke wijze architectuur uit te oefenen.

Gecodeerde indexkaarten die werden gebruikt om de Air Structures Bibliography samen te stellen waarin elke publicatie werd gerangschikt in overeenstemming met zijn bruikbaarheid. c. 1972. Lightweight Enclosures Unit Cedric Price fonds, CCA ©CC

En ten slotte maakt de tentoonstelling duidelijk dat 2015 niet de enige jaar was waarin de discipline zich geconfronteerd zag met grote sociale en technologische veranderingen. In zijn inleiding tot de artikelenreeks ‘1960 Stocktaking’ verklaarde architectuurcriticus Reyner Banham dat de architectonische discipline geneigd was om zich terug te trekken wanneer ze geconfronteerd werd met grote veranderingen en ‘een streep rond de status quo te trekken, zo ruim als mogelijk zonder een spier te vertrekken, en te zeggen: ‘Alles buiten deze streep is Geen Architectuur en niet echt onze zaak’. [1] Hij merkte terecht op dat een dergelijke loopgraaf nooit echt stand houdt en dat de grote architecten altijd aandacht zullen schenken aan wat er om hen heen gebeurt en hun ‘alles verterende artistieke geweten’ zullen laten spreken om ‘belendende disciplines binnen te vallen’ en zich nieuwe wegen te banen. The Other Architect geeft inzicht in hun rijke geschiedenis en biedt die architecten die hun beroep willen uitoefenen met behulp van de open, creatieve en kritische geest van een architect een model voor de praktijk van de toekomst.

[1] Reyner Banham, ‘1960 Stocktaking of the Impact of Traditions and Technology on Architecture Today’, Architectural Review 127 (1960), 93–100.