Recensie —

Mart Stam, dichter van staal en glas

Otakar Máčel

“Het is nu heel gebruikelijk om te promoveren op een biografie. De minachting uit de academische hoek is verdwenen.”(1) In deze trend past ook het vorig jaar gepubliceerde proefschrift van Stef Jacobs over de architect Mart Stam.

 

bron beeld internet

De laatste dertig jaar zijn tal van publicaties over Mart Stam (1899- 1989) verschenen die zijn oeuvre van stoel tot stad behandelen en ook een aantal studies, waar Stams werk een deel van is. Het boek van Stef Jacobs is dus niet de eerste studie over de architect, maar de eerste biografie, en de auteur belooft bovendien “het eerste overzicht van het werk van Stam in samenhang met zijn openbare leven” te bieden.

Mart Stam is een enigszins omstreden, maar ook een fascinerende persoon in de moderne architectuur- en designgeschiedenis van Nederland. Hij neemt een prominente plaats in in de avant-garde architectuur van de jaren twintig al heeft hij nauwelijks iets gebouwd. Hij deed redactioneel werk onder andere met El Lissitzky bij het Zwitserse tijdschrift ABC, waarna hij werd uitgenodigd om mee te doen aan de modelwijk Am Weiβenhof in Stuttgart, waar hij zijn achterpootloze stoel presenteerde, en aan het CIAM congres in La Sarraz (beide 1927). Daarna was hij betrokken bij het ontwerpen van de Van Nelle fabriek en bij het woningbouwproject  Neues Frankfurt van de gemeente Frankfurt. Ontmoedigd door de economische crisis en aangemoedigd door zijn overtuiging dat de nieuwe architectuur en de nieuwe maatschappij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, vertrok hij in 1930 met de gemeentearchitect van Frankfurt, Ernst May, naar de Sovjet-Unie om te helpen met de opbouw van het socialisme. Het werken in het arbeiders- en boerenparadijs bleek moeizaam en de sfeer ten opzichte van de buitenlandse specialisten werd steeds vijandelijker, zodat Stam in 1934 terugkeerde naar Nederland. Overigens later dan de meeste anderen. Eind jaren dertig werd Stam, op voorspraak van Willem Sandberg directeur van de Kunstnijverheidschool in Amsterdam, de latere Rietveldacademie.
Zijn niet aflatende geloof in de betere maatschappij en nieuwe architectuur heeft hem na de oorlog naar de DDR gevoerd, waar hij het kunstnijverheidsonderwijs zou hervormen. Maar zijn functionalistische overtuiging strookte niet met het opkomend socialistisch realisme dat daar ook in de kunstnijverheid en design zijn opgang deed. Stam moest met zijn vrouw Lotte Beese in 1953 de DDR verlaten. Terug in Nederland, midden in de Koude Oorlog, bouwde Stam een bescheiden architectuurpraktijk op, tot dat hij in 1966 plotseling besluit met zijn vrouw naar Zwitserland te verhuizen, waar hij nog 20 jaar in volstrekte anonimiteit zal verblijven.

Zo een leven biedt genoeg stof voor een boeiende levensbeschrijving, des te meer omdat over zijn leven en werk nog een aantal vragen open staat. Waaraan dankte Stam zijn reputatie, om gevraagd te worden voor deelname aan de Weiβehofsiedlung en het eerste CIAM congres, als zijn gebouwde oeuvre toen bijna nihil was? Wat was zijn aandeel aan het ontwerp van de Van Nelle fabriek? Waarom vertrok hij plotseling naar Zwitserland en waarom hield hij zich schuil?
In de biografie komen deze vragen aan bod en worden soms summier beantwoord. Zo wordt de vraag waarom Stam voor de deelname aan de Weiβen-hofsiedlung werd uitgenodigd, simpelweg beantwoord, met “Deze [Stam] had inmiddels voldoende blijk gegeven van zijn kwaliteiten om op zakelijke gronden geselecteerd te worden.”(2) Welke zakelijke gronden? Zijn verdiensten waren beperkt, zeker als de publicaties in ABC door Jacobs hier niet tot Stams renommee worden gerekend. Over het auteurschap van de Van Nelle fabriek brengt de auteur geen verrassend nieuws. Jacobs verzamelde alle beschikbare informatie en daaruit blijkt wat wij tot nu toe eigenlijk al wisten: Stam heeft de fabriek niet zelf ontworpen, maar hij heeft zeker een groter aandeel gehad dan wat men van hem als een tekenaar op het bureau van Van der Vlugt zou kunnen verwachten. Vermoedelijk zullen wij het nooit precies weten. Wat waarschijnlijk ook nooit duidelijker wordt, zijn Stams beweegredenen voor zijn plotselinge vertrek naar Zwitserland. Ook Jacobs kon het niet meer verhelderen dan wat al bekend is: teleurstelling in politiek en architectuur, slechte gezondheid, slechte verhouding met sommige van zijn voormalige functionalistische collega’s, en opkomende vervolgingswaanzin van zijn toenmalige vrouw Olga. Eigenlijk genoeg redenen.

de ‘May brigade’ in de USSR (1931) – bron beeld the Carnel-House

Men kan Stef Jacobs niet verwijten dat hij zijn werk niet grondig gedaan heeft. Alle perioden van Stams leven worden uitvoerig behandeld, hij heeft alle relevante archieven geraadpleegd, de literatuurlijst is indrukwekkend. Zo hoort het trouwens bij een proefschrift. Maar is het boek van Jacobs een monografie of een biografie? En kan in de biografie van een architect zijn levensloop gescheiden worden van zijn werk? Nauwelijks. Dat doet Jacobs ook niet, al het werk van Stam komt aan bod, het wordt alleen niet uitgebreid behandelt – dus geen typologische analyse van de woningplattegronden van de woningen in Stuttgart om een voorbeeld te noemen. De verhouding tussen het ‘leven en werk’ is redelijk in balans, al is het gauw duidelijk dat de schrijver een grote fan van Stam is. Misschien heeft hij daarom enkele persoonlijke biografische feiten, die hij mogelijk als pijnlijk ervoer, buiten het boek gelaten. Soms, zoals in het geval van Stam ’s stedenbouwkundige ontwerpen in de Sovjet-Unie, is de bewondering voor Stam evident. Jacobs meent dat het door Stam ontwikkelde stadsmodel binnen en buiten de Sovjet-Unie navolging vond. Dat is onjuist, niet alleen omdat Stam niet de uitvinder is van een nieuw stadsmodel, maar vooral omdat in jaren dertig de stedenbouw in Sovjet Rusland zich in traditionalistische, neoklassieke richting ontwikkeld heeft.(3) Met een feitelijke onderbouwing was dit te vermijden geweest. Maar Jacobs vindt dat als men wil oordelen over de kwaliteit van het werk van Stam, men moet eerst kiezen of het maatschappelijk, of het kunsthistorisch belang prevaleert. Een vreemde stelling name, het werk zou toch naar de maatstaven van het metier moeten worden beoordeeld? Anders lijkt het alsof Stam een messias was die daarnaast ook nog architect was.

Het antwoord op de vraag of zijn karakter of de politiek het obstakel in Stams carrière is geweest hangt hiermee samen. Stam kon inspirerend en stimulerend zijn, maar ook nogal rechtlijnig en hautain. In de teksten over de functionalistische architecten wordt zelden verteld dat ook in hun gelederen, ondanks hun linkse en democratische gezindheid, een pikorde heerste die hun onderlinge omgang mede bepaalde. Stam steeg in de jaren twintig snel en hoog aan het firmament van de kleine club van de moderne architecten in Nederland en liet het ook merken. De ruzie over het auteurschap van de Van Nelle fabriek, of het tegenwerken van Gispen bij de Opbouw(4), en de slechte verhouding met de medewerkers van het bureau Van der Vlugt zijn er slechts enkele voorbeelden van. Soms kon Stam ook niet anders, als je een school wil of moet hervormen, dan maak je altijd vijanden. Maar nadat Jacobs een hele reeks getuigenissen die van moeizame omgang met Stam getuigen de revue laat passeren, komt hij tot conclusie, dat niet het karakter van Stam, maar zijn politieke overtuiging een obstakel in diens carrière is geweest.
De politieke ideeën van Stam speelden zonder meer een grote rol in zijn leven, maar het is een vraag of je deze van zijn karakter kunt scheiden. Door dat te doen is Stam voor Jacobs toch een messias geworden, die ook  architect was. Een biograaf kan ook teveel verliefd worden op zijn onderwerp.