Recensie —

Verspilling als bron voor ‘stad maken’

Willemijn Lofvers

Hoe kan uit afval waarde voor de stad worden gecreëerd? En hoe drukken we die waarden dan vervolgens uit? Over deze vraagstukken en meer gaat het boek The Wasted City  – approaches to Circular City Making samengesteld door Francesca Miazzo en Mehdi Comeau.

Closed Loop Fund, New York – spread uit The Wasted City  – approaches to Circular City Making

Onze voorraad aan grondstoffen (natuurlijke hulpbronnen) slinkt dusdanig dat die notie ons dwingt om met andere ogen naar stedelijke ontwikkeling te kijken. Door toenemende welvaart is onze afvalproductie verviervoudigd: een toename die parallel oploopt aan economische en technologische ontwikkelingen en de daarmee gepaard gaande gedragsveranderingen of levensstijlen. Afval is een onvermijdelijk onderdeel van ons dagelijks bestaan. Het is vaak hinderlijk, soms zelfs schadelijk, tenzij wij besluiten afval als grondstoffen opnieuw gaan gebruiken. Voor die invalshoek kiezen de auteurs van The Wasted City – approaches to Circular City Making.

Aan de hand van een reeks van praktijkvoorbeelden schetsen de samenstellers de mogelijkheden van een circulaire stedelijkheid. In de voorbeelden worden ketens gesloten en grondstoffen hergebruikt, of spullen langer gebruikt dan dat zij in ons bezit zijn. In het op deze wijze veerkrachtig maken van de stad is een belangrijke rol weggelegd voor ondernemende burgers. Terwijl het eerste deel van het boek vooral leest als een opsomming van een aantal interessante cases (praktijkvoorbeelden en beleidsinstrumenten), wordt in het tweede deel de sociaalruimtelijke, metabolische en culturele betekenis van deze initiatieven geduid voor systeemveranderingen in stedelijke context. Dit is gelijk ook het meest interessante deel van het boek en bestaat uit speciaal voor deze publicatie geschreven bijdragen van onder andere Federico Savini, Konstantinos Kourkoutas en Joost Beunderman.

Circulair city making beweging wordt geagendeerd door sociaal-maatschappelijke veranderingen. Het is, mijns inziens in de context van dit boek, een samenstelling van twee concepten: circulaire economie en stad maken. Stad maken is een hybride van vormgegeven ruimten, culturele waarden, sociale structuren en economische activiteiten (Franke et all, 2015); het is aan de mensen die in de stad leven om haar te maken, aldus Klaus Overmeyer. Het circulair inrichten van onze stedelijke omgeving strekt nadrukkelijk verder dan materiële duurzaamheid of een andere omgang met natuurlijke hulpbronnen (Jonkers en Stegeman, 2016) en heeft als zodanig een groot effect op onze directe leefwereld. Omdat circulaire economie nog niet werkelijk bestaat (FUR, 2017), noch circulaire stedelijkheid of circulair stad maken, wordt zij in de publicatie concreet gemaakt aan de hand van voorbeelden die in de praktijk zijn ontwikkeld. De beschrijvingen zijn geordend naar grootte en lokaliteit van de ondernemingen. Het merendeel is gesitueerd in een Angelsaksische context. De cases kunnen worden beschouwd als kickstarter, idee of referentie voor een verdiepende studie.

spread uit The Wasted City  – approaches to Circular City Making

Maar werkt het ook zo? Wanneer ik één van de beoogde doelgroepen voor dit boek – professionals en mensen uit de praktijk, wetenschappers en studenten – als voorbeeld neem, dan zie ik dat studenten al kennis hebben genomen van de geselecteerde voorbeeldpraktijken. En zijn hebben, gebruikmakend van ontwerpend onderzoek, die concepten al een slag verder gebracht in hun waarde voor stedelijkheid (1). Zo bestudeerden RAvB studenten Hendriks en Van Leeuwen in het project ‘It is a waste to waste your waste’ de sociaaleconomische en ruimtelijke betekenis van het circuleren van huishoudelijk afval in een arme stadwijk. Deze analyse van de stedelijke economie van het afval leert ons dat het gemeentelijke afvalbedrijf dubbel verdient aan de afvalverwerking. Het haalt inkomsten uit de afvalstoffenheffing en verdient tevens uit de verkoop van de energie die worden opwekt door de verbranding ervan. Door afval lokaal in te zamelen, uit te sorteren en om te zetten in voor de wijk bruikbare producten wordt voor de bewoners en gebruikers van de wijk waarde gecreëerd. Aan de verschillende stadia in het verwerkingsproces zijn (leer)werkplaatsen gekoppeld. Posities van monopolies worden ter discussie gesteld door het lokaal verbreken van ketens. Grote en kleine belangen, oude en nieuwe systemen botsen met elkaar. Wie bewaakt nu welk (of wiens) belang?

spread uit The Wasted City  – approaches to Circular City Making

Circulaire stedelijkheid is geen fictieve opgave, maar één die al wortelt in de praktijk. In de toekomst zal de ruimtelijke, sociaaleconomische impact vele malen groter zijn dan een microgrid of een lokaal WASTED betaalsysteem nu laat zien of voorstelbaar is. Om die invloed te operationaliseren is kennis deling – van zaken, materialen, technieken en processen noodzakelijk. In haar omschrijving van de voorbeelden is de publicatie onvolledig om als kickstarter te kunnen dienen. Joost Beunderman stelt terecht in zijn bijdrage dat voor het continueren dan wel opschalen van de kleinschalige burgerinitiatieven die veelal gemotiveerd zijn vanuit verschillende invalshoeken en gevoed worden door uiteenlopende expertises, een belangrijke rol voor andere actoren is weggelegd. Want als de businesscase niet werkt, subsidies wegvallen of cruciale personen vertrekken dan blijft er van het initiatief of de circulaire beweging weinig over. Dat maakt de kleinschalige circulaire economie onvoorspelbaar en complex.
In het opschalen en formaliseren van die kleinschalige initiatieven naar een werkelijk circulaire stedelijke economie ligt een taak voor de overheid. Bijvoorbeeld door het bijeenbrengen van de verscheidenheid aan spelers, partijen en visies. De auteurs illustreren dit aan de hand van uiteenlopende maatregelen. Daarin lijkt alles mogelijk: aanpassingen in wet- en regelgeving en initiatiefnemers voorzien in de toegang tot leegstaande ruimten (Seoul); het verlenen van subsidies aan burgerinitiatieven (Rotterdam), kennisdeling (Vlaanderen) en het organiseren van lokale betrokkenheid bij strategische opgaven (Ljubljana). Het effect van die maatregelen op circulaire stedelijkheid wordt niet duidelijk, laat staan of de voorgestelde beleidsprikkels ook de gewenste zijn om systeemveranderingen te bewerkstelligen, en wensen en behoeften van de verschillende actoren heus op elkaar zijn afgestemd.

Circulaire stedelijke economie vraagt ruimte en heeft effect op de publieke ruimte. Het tweede of derde leven van grondstoffen en producten vraagt ruimte voor opslag en distributie. In 2050 woont volgens UN Habitat meer dan 70% van de wereldbevolking in een stedelijke agglomeraties, als gevolg van dergelijke voorspellingen staan grote bouwopgaven op de stedelijke agenda’s. De herontwikkeling van de bestaande stad zorgt voor een stroom van bouw- en sloopmaterialen die ook tot de wasted city gerekend moeten worden. Immers bouwafval beslaat circa 40% van onze stedelijke afvalproductie (Compendium voor de Leefomgeving). De logistieke afhandeling daarvan lijkt een grotere opgave te zijn dan de werkelijke verwerking ervan. Grote en kleine transitieplaatsen zijn nodig om bouwafval te verzamelen, te sorteren, op te slaan, te distribueren dan wel om nieuwe producten te kunnen maken. Dat vraagt kennis en vakmanschap; kennis over die circulaire praktijk van stad maken – het werkterrein van bijvoorbeeld het Brusselse collectief Rotor en de Rotterdamse SuperuseStudios die beide opmerkelijk genoeg ontbreken in deze publicatie.

spread uit The Wasted City  – approaches to Circular City Making

Circulaire stedelijkheid is een alsmaar uitdijend concept dat niet tot een enkeling of een enkel instituut behoort maar bezit is van velen. Met dit gedeelde eigenaarschap hangen nieuwe verantwoordelijkheden samen, maar ook een andere of een veranderende mentaliteit. Die houding en benadering wordt door de samenstellers en de auteurs gezien als drijfveer voor een circulaire benadering van stedelijke ontwikkelingen. Initiërende burgers worden in dat proces beschouwd als ‘agents of urban change’ en in die hoedanigheid geprikkeld om systeem veranderingen te bewerkstellingen.
Maar dit is natuurlijk niet genoeg. Door de dichtheid aan (afval)materialen, de druk op ruimte en de diversiteit aan sociale groepen – condities die in het boek niet worden beschreven – biedt de stad als stedelijk ecosysteem kansen voor systeeminnovaties. De noodzaak om de stad en haar economie anders in te richten vraagt een andere, veel grotere en stevigere agenda dan enkel een visie of een strategie en daarin afhankelijk te zijn van een enkele partij; zij vraagt om samenwerking en verbinding, om durf en vertrouwen over een veel langere tijdsspanne. (Kleinschalige) burgerinitiatieven kunnen hier zeker als kickstarter een belangrijke rol in spelen, maar ze zijn niet het antwoord.