Column —

Groeten uit Bobigny: wonen in de Grands Ensembles

Jannie Vinke en Marcel van der Lubbe

Met onderzoeksproject ANA goes Europe onderzoeken we de rol van de architect in de toekomstige Europese woningbouwopgave. De wijze waarop wordt omgegaan met zaken als woonkwaliteit & verdichting, transformatie van de Grand Ensembles en gentrificatie zijn voor de Nederlandse praktijk leerzaam. De tweede ansichtkaart komt uit Bobigny, een kleine gemeente midden in het arme noordoostelijke deel van de Métropole du Grand Paris. Dit is het gebied waar in 2005 de beruchte Banlieu-rellen uitbraken.

 

We fietsen door Bobigny op zoek naar enkele Grand Ensembles, grote concentraties sociale huurwoningen, gebouwd in de jaren ’60 en ‘70. Het eerste project dat we tegenkomen is Cité les Courtillières-Le Serpentin ontworpen door Émile Aillaud uit 1954. Vanuit de lucht is dit een vrij uitgestrekte wijk, bestaande uit een eindeloos slingerend gebouw rondom een binnentuin van 500m x 200m, en twee clusters met woontorens.

We spreken met één van de vier beheerders van Le Serpentin. Hij is dagelijks van 9 tot 5 aanwezig en kent alle bewoners van de zeshonderd woningen. Hij vertelt ons dat de renovatie van Le Serpentine, gefinancierd uit de ANRU, een landelijk renovatieprogramma, bijna gereed is. De gevels zijn geïsoleerd en bekleed met subtiel in kleur verlopende tegeltjes, de liften zijn vernieuwd, de woningen zijn van binnen gerenoveerd en er zijn PV panelen (die het overigens nog niet blijken te doen) op de daken geplaatst. Ook het centrale park met een oppervlak van 4,2 ha wordt helemaal opnieuw ingericht. Van de lange slinger is een klein stukje gesloopt om het complex beter te verbinden met de omgeving. De inrichting van de openbare ruimte oogt een stuk hoogwaardiger met een veel rijkere beplanting. Voorheen was er alleen gras met bomen. Ook is er een grote speelvoorziening voor kinderen gekomen die al druk wordt gebruikt.

gerenoveerd park en woningcomplex Cité les Courtillières-Le Serpentin

Volgens de beheerder zijn de problemen echter niet opgelost. “La drogue, la drogue!” Roept hij meermaals tijdens ons gesprek. Hij wijst ook op de kinderen die zonder ouderlijk toezicht aan het spelen zijn. Dat vindt hij in deze omgeving niet zo’n goed idee. Hij vertelt ons ook dat aan de rand van het gebied recentelijk koopwoningen zijn gerealiseerd, vanuit de gedachte meer sociale menging in het gebied te brengen. Of de theorie ook in de praktijk zo uitpakt, kon de huismeester ons helaas niet vertellen.

Ons vooringenomen beeld van de noordoostelijke voorsteden was dat hier sprake zou zijn van één grote concentratie van sociale woningbouw in grootschalige gebouwen. Hier blijkt niets van te kloppen. We fietsen verder door eindeloze laagbouwwijkjes op zoek naar Cité de l’Abreuvoir. Dit ensemble is eveneens ontworpen door Aillaud. In deze wijk met 1500 woningen uit de jaren ’50 moet de renovatie, wederom gefinancierd vanuit de ANRU, nog beginnen. De gemeente heeft al ambities geformuleerd. Gesprekken met de bewoners vinden plaats. Hier spelen dezelfde problemen als in alle grote sociale woningbouwcomplexen uit de jaren ’60 en ’70: slechte isolatie, kleine woningen, verouderde openbare ruimte. Het goede is wel dat niet alleen het complex en de openbare ruimte worden aangepakt, maar dat er ook openbaar vervoersverbindingen gemaakt worden om het leefklimaat in dit ensemble te verbeteren. De huidige bewoners zijn vooral bang voor de betaalbaarheid van hun woningen als deze gerenoveerd zijn, en of ze er wel in kunnen blijven wonen. Een deel zal namelijk gesloopt worden om plaatst te maken voor nieuwbouw waarmee men hoopt om mensen van buiten de wijk aan te trekken.

gerenoveerd woningcomplex Cité les Courtillières-Le Serpentin

Met een dubbel gevoel fietsen we terug naar Parijs. De ruimtelijke aanpak van de Grands Ensembles richt zich met name op esthetische vernieuwing, niet op programmatische, sociale of beheersmatige vernieuwing. Enerzijds is het mooi om te zien hoeveel respect er is voor de oorspronkelijke plannen. Rigoureus slopen om andere woonvormen te introduceren en daarmee een betere sociale mix te bewerkstelligen zoals in de Bijlmermeer en de Westelijke Tuinsteden in Amsterdam is gebeurd, doen ze hier niet. De ensembles worden intact gelaten en in hun oorspronkelijke idee versterkt. De renovatie van Cité des Courtillières is erg mooi gedaan. Bewoners kunnen weer trots zijn op hun wijk en voelen zich misschien eindelijk gehoord. Anderzijds roept deze aanpak ook vragen op. De woningen blijven klein en donker, ze hebben nog steeds geen buitenruimtes en de plinten zijn nog steeds anoniem. Het park is prachtig ingericht maar heeft een gigantisch oppervlak en vraagt om intensief onderhoud. We kunnen ons niet voorstellen dat daar ook op termijn voldoende budget voor zal zijn; ervaring leert dat dit zelden het geval is. Ook is het de vraag of de wijk zich door de renovatie op sociaal economisch vlak kan versterken; lukt het om een meer diverse bewonerssamenstelling tot stand te brengen, gezien de beperkte realisatie van nieuwe koopwoningen in relatie tot het grote aantal bestaande sociale huurwoningen? Het is onmogelijk om deze vragen nu te beantwoorden. Daarvoor is ons bliksembezoek aan Bobigny veel te kort, de aanpak te recent ingezet, en de problematiek van de Banlieus veel te complex.