Opinie —

Op zoek naar gelijkwaardigheid in de openbare ruimte

Ankie Petersen

Publieke ruimte, openbare ruimte, ruimte van iedereen. Onze straten en pleinen lijken op het eerste gezicht neutrale ruimtes waar iedereen gelijkwaardig en even welkom is. Als je vervolgens iets beter kijkt, wordt al gauw duidelijk dat de publieke ruimte van een stad helemaal niet neutraal is: overal worden keuzes gemaakt, meer ruimte gelaten voor de auto of de fiets, meer of minder rekening gehouden met mindervaliden of, meer of minder aandacht besteed aan bepaalde voorzieningen, zoals openbare toiletten.

Bradford City Park, 2012 – foto Tim Green

De afwezigheid van openbare toiletten trok onlangs de aandacht. Twee maanden geleden ontstond er commotie rond een wildplas-zaak van een studente die zelfs leidde tot een nationale actie voor plas-gelijkwaardigheid (#zeikwijf). Voor wie het gemist heeft: de begon allemaal met hoge nood na een avond stappen. Het was al laat, of vroeg, het is maar hoe je het bekijkt, toen studente Geerte Piening haar plas niet meer kan ophouden en besloot haar behoefte te doen in een donker hoekje bij het Leidseplein. Gevolg: een boete van 140 euro voor wildplassen. Piening ging in beroep tegen de boete met als argument dat de mogelijkheden voor vrouwen om ’s nachts te plassen niet gelijk waren aan de mogelijkheden die mannen tot hun beschikking hebben – de vele urinoirs verspreid door de stad. De uitspraak van de kantonrechter luidde dat de dame in kwestie ofwel gewoon haar plas had moeten ophouden, ofwel haar behoefte moet doen in een urinoir. Dat had toch ook gewoon gekund, of niet? De boete moest gewoon betaald worden.

De rechterlijke uitspraak legt een aantal pijnlijke zaken bloot. Allereerst lijkt de rechter zelf weinig tot geen verstand te hebben van de anatomie van de vrouw, noch begrip te hebben voor het comfort en de veiligheid van de vrouw in de openbare ruimte. Het is voor een vrouw namelijk fysiek nagenoeg onmogelijk om in een urinoir te plassen zonder jezelf bloot te moeten geven voor iedereen die het kan zien. Urineren in het openbaar hoeft blijkbaar niet voor iedereen gemakkelijk, veilig en privé te zijn. Waarom zou het ook? Volgens de rechter doen vrouwen namelijk niet of nauwelijks aan wildplassen.
Wat deze zaak ook aantoont, is hoe de openbare ruimte is ingericht volgens een bepaald perspectief waarbij vrouwen nog steeds niet beschouwd worden als gelijkwaardige medegebruiker. Ter illustratie: de website van de Gemeente Amsterdam laat zien dat er 35 urinoirs staan in het centrum en slechts drie openbare toiletten verspreid over een veel groter oppervlak. Dit leidt tot de vraag: hoe inclusief is onze openbare ruimte nu echt?

De inrichting van de stad is sinds lange tijd voornamelijk een mannenzaak. Onder invloed van de toenemende industrialisatie breidden steden zich eind 19e eeuw in rap tempo uit. Met deze stedelijke expansie kwam een toenemende aandacht voor de kwaliteit van de openbare ruimte. De kwalitatieve waarborging van de openbare ruimte werd een zaak van de lokale overheden, middels verschillende commissies voor Ruimtelijke Ordening, Publieke Werken, etc. Dergelijke commissies bestonden meestal uit architecten, planologen en bestuurders, en niet geheel verwonderlijk voor de 19e eeuw, waren zij vrijwel allemaal man.
Alhoewel vrouwen in de tweede helft van de twintigste eeuw zich geleidelijk aan ook in het werkveld van de stedenbouw gingen begeven, is er in de praktijk weinig fundamenteels veranderd met betrekking tot inclusief ontwerpen. De zaak rond de openbare toiletvoorzieningen in Amsterdam liet dit eens te meer zien. Wil dit zeggen dat onze openbare ruimtes per se slecht zijn ontworpen? Zeker niet. Wat we wel kunnen zeggen is dat er in de moderne stedenbouw voornamelijk is gekeken vanuit een beperkt perspectief wat voornamelijk bepaald werd door mannen. Gelukkig zijn er steeds meer andere geluiden te horen. Met name sinds de jaren ’70 en ’80 zijn er binnen het spatial feminism steeds meer essays en boeken verschenen die patriarchale ontwerppraktijken aankaarten. Architecte Dolores Hayden schreef in 1979 in haar bekende essay ‘What would a non-sexist city be like ? Speculations on Housing, Urban Design, and Human Work’ over de relatie tussen het ontwerp van woningen en de man-vrouw rolverdeling in de westerse maatschappij. In 1981 schreef architecte Leslie Kanes Weisman’s ‘Women’s Environmental Rights: A Manifesto’ , een citaat:

The man-made environments which surround us reinforce conventional patriarchal definitions of women’s role in society and spatially imprint those sexist messages on our daughters and sons. They have conditioned us to an environmental myopia which limits our self-concepts…which limits our visions and choices for ways of living and working…which limits us by not providing the environments we need to support our autonomy or by barring our access to them. It is time to open our eyes and see the political nature of this environmental oppression!

Hoewel Weismans woorden misschien wat extreem overkomen, over de essentie ervan valt meer dan dertig jaar na dato nog steeds veel te zeggen. Het heersende idee dat de openbare ruimte een open, toegankelijke en conflictloze ruimte is die door iedereen als hetzelfde wordt ervaren is de afgelopen decennia volkomen achterhaald gebleken. Klachten over onder andere de sociale veiligheid op straat speelden hierbij een grote rol. Maar nog steeds zijn er elementen in de openbare ruimte die een belemmerend effect hebben op de vrijheid en autonomie van vrouwen. De eerste stap naar het creëren van een gelijkwaardige openbare ruimte voor alle genders is deze ongelijkheid te erkennen. De ontwerpers en beleidsmakers van nu kunnen een nieuwe weg inslaan door beleid te formuleren en te ontwerpen op een manier waarbij andere belevingen en perspectieven wél actief worden meegenomen. Want zolang het overgrote merendeel van de beslissingen over de inrichting van de openbare ruimte vanuit één dominant perspectief wordt gemaakt, hoe kunnen we dan werken aan een écht inclusieve stad?

De wildplas-kwestie van Piening en actie #zeikwijf hebben eens te meer aangetoond dat er significante verschillen zijn in het gebruik en de beleving van bepaalde ruimten door verschillende groepen. In plaats van er vanuit te gaan dat “vrouwen simpelweg niet aan wildplassen doen” (aldus de rechter in kwestie), is het vervolgens zaak om die verschillende ervaringen mee te nemen in het werken naar een situatie die een gelijkwaardige aanwezigheid in de openbare ruimte kan garanderen. De afweging in deze casus is dan: heeft iedereen evenveel recht op een openbare toiletvoorziening?
Het vermogen om je te verplaatsen door en te genieten van de stad, ongeacht inkomen, leeftijd, gender, of etniciteit is een essentieel onderdeel van een inclusieve samenleving. Het ontwerpen van veilige en toegankelijke publieke ruimtes betekent het maken van publieke ruimtes die een gevoel van veiligheid oproepen bij iederéén. Planologen en ontwerpers kunnen hier aan bijdrage door bijvoorbeeld participatief ontwerpen en door te luisteren naar ervaringen van een zo divers mogelijke groep mensen. Hoewel actie #zeikwijf voor plasgelijkheid een goede manier was om de kwestie van de inclusieve openbare ruimte onder de aandacht te brengen, is het te hopen dat het voortaan op de agenda komt zonder dat vrouwen eerst massaal met de billen bloot moeten.